Skip to main content

Full text of "Reize naar Peru, : van 1749 tot 1770."

See other formats




^^^ 



--ë ^ ^'*^'^-^^^^ 






^■.- 




!^'^^^^ "M:^^ 












Wi'#.;^.. 






3u^. 



<3t c^ 






"^5 
















liïhu Citrtcr öiTOtoii. 






_c 


<^tL< 


cc 


:^'«'<j 


cc 


-^s:<3 


'<:« 


ii^^ÊiCj 


'C^ 


K^ 


d 




<2 


^^^S 


cc 


^sc? 


<mscx. 


C£ 


gtxr 


c 


€^<C 


c 


s^cc 




cr:.^cï- 



'il LIBRAIRIE ANCIENNE 
PREDEIIIK MULLER. 51 

AMSTERDAM, 

HKWlEK GRACHT PfiÈS DU OUDK }d\ 
SnEGF.LSTKAAT, Mi. iN". 130. Kj 





<I:"^<^' ' ^T^€^ 


. ..-7* 


P-^^ ,c 


~" " 


^r <z<j^^ 


-_-. ' -i- -- 


:^^; 


"~ if 




S- 




< 




< c 


^^ 


~i'«r 


■ 'i c. 


<<II~cCS3 


Cf 


r"^^êi^^S^ 


:^<c 




'C 


c^*^^^^^^ 


j.<s-c:^' 


<ll'cc<r^ ■ 


<' 




M<Z^ 


•CTccJ^' !' ■ 


cc 


' "^^n^^KXi^s^''<5 


mz-' 




<a. 


•'«2^C^LiC^^ 


ici 


CLcc < 


^Cc 


- ^ -«Ec:: ƒ -ccscicTc 


^tc^ 


der: ^iv 


>«:::'<x^r^ 


<: 


« »•■ 


^ ^^: t:«CCt:<c: 


i^-<z: 


<r<t Jis 




CC:. <Ca 'C^^' 


<^ 


, ir^- . .:d: 




_ i^?NW?P»^ > 


m 


\ ''. v 









<3CC c«3X 

cc: cc<c 



«cï: cc 



m 
m 

■ cigr" 



C®: 

:: : -CO: 



cc«3c: 












c. 












^^ 









■ cc'c ^:' 



mmmm^ 



KORT VOORBERICHT 



VAN DEN 



OVER ZETTER. 



*^^<-jgcr-/.v 



Ds geleerde en vroome Dultfche Pater , heer 
WOLFGANG ^ KYYLK ^ werd door de Överflen 
van ds orde der Jefuïten^ tot welke hij hehoor- 
de , 'ah' Mis/k naris naar Zuid- Amerika ge- 
zonden» Hij bekleedde daar dien moeilijken 
post veele jaaren lang met grooten roem en 
veel vrucht. Ban , Ingevolge de koninglijk 
.Spaanfche pragmatieke Sanktie , uit kracht 
van welke alle geestUjken van die orde d'J 
Spaanfche Staaten in- de vier waerelddeelen 
moesten verlaat en ^ hvy'cim ook on2,e hraave Pa- 
ter uit Amerika te rug , en keerde weder 
fiaar zijne gehoortefiad in Dulischland. Hier 
had hij tijd en kreeg tefens lust , om zijne 
Relshefchrijving uit zijn gehouden Dagboek op 
te maaken en in orde te brengen* Hij yoU 
hragt zijne taak gelukkige en men heeft heè 
aan de zorg van den doorgeleerden he^r c. G. 
VAN MURii te danken y dat zij door dendr.uk 



i 



a K O R T B E R I C H T ■ 

hekend gemaakt wierd. Hij gaf ze én afzon- 
derlijk te Neurenberg in een hoekdeeltje in oBavo 
en ook in zijn Journal zur Kunstgefchichre und 
allgemeinen Litteratiir , derde deel ^ uit. Hij 
voegde 'er te gelijk eenige weinige aantekenin- 
gen hij ^ welke in deeze overzetting behouden^ 
en met eene M getekend zijn , om ze te on- 
der fcheiden van fommige anderen y welke ik hij 
deeze overzetting niet ondienfiig geoordeeld heb, 

Be Reisheföhrijving zelve verdient allen lof. 
De heer bayer hefchrijft zijne reis en de 
■nieuwigheden^ welke hem van tijd tot tijd daar- 
in voorkwamen , zeer eenvoudig , onöpgefierd , 
natuurlijk ; al "t welk het echte en beste ■ ka- 
rakter van het waare is. Hij fchrijft zo on- 
zljdigy zo gemaatigd ; hij verhaalt de aller- 
groot/Ie rampen^ hem met zijne orde ever geko- 
men^ zo allerhefcheidenst^ zonder den minflen 
haat te laaten blijken ; hij ontdekt het ergerlijk 
leevensgedrag der Roomfche zielzorgeren in Zuid^ 
Amerika zo trefend; en fpreekt van den jam- 
merlijken fl-aat des Christendoms in dat on^e- 
meen uitgebreide land ^ in vergelijking van V 
geen dïe inderdaad zijn moest ^ zo overtuigend^ 

dat 



VAW DEN OVEPxZETTER. 



III 



dat dit zijn PFerkje ^ zslfs uit dien hoofde^ van 
alle weldenkende Christenen zonder onderfcheid 
van gezindheid met het grootfle genoegen zal ge- 
leezen worden, 

JVanneer wij het kcsthaare en zeer leezens- 
waardige IFerk, genaamd Iliscorifche Rcisbe- 
fchrijving van geheel Zuid-/. merika*, door de 
Meeren D. g. juan, en d. a. d^e ulloa, uit- 
zonderen, hadden wij over de onmeetUjke bezit- 
tingen der Spanjaarden in dat gewest in onze 
moedertaal hl jna niets. Foor al ontbrak het ons 
aan de nieuw [Ie berichten nopens den tegenwoor- 
dlgen fiaat zo der Spaanfbke koloniën, als der 
Indiaanen in dat Land ten eenemaal Beide 
deeze gebreken heeft de heer ba yer door dit off 
gemeen fraaie Werkje weggenomen. En V is 
ook geenzins te twijfelen, of onze Landgenooten 
zullen dit Letter gefchenk met de groot f e graag- 
te ontvangen, in eenen tijd, in welken de na^ 
dere kennis der Niemve Waereld van het groot- 
fie belang wordt. Te meer doordien men idt^ 
de geruchten , welken men , 'federt geruimem 
tijd uit de Spaanfche Provinciën in Zuid-Ame- 
rlka nopens verregaande misnoegdheden aldaar 



% 



ge- 



JH 



IV KORT BERICHT van ben OVERZETT, 

gehoord heeft; uit de imvef2dige gefïeltems der 
zaaken in dat wij duit ge[i rekt e land; en eindelijk 
uit de verhaazende menigte der overgehkevene 
vrije en onafkanglijke Indiaanen (waarvan de 
heer ba.yer ons hier het echt (Ie en heste he- 
richt fyeeft') wel eenlg flaauw vermoeden fchijnt 
te moogen opvatten , als of in het zuidlijk ge- 
deelte van dat gewest, in vervolg van tijd, wel 
eens eene omwenteling voor kon vallen \ eene om^ 
wenteling van geen minder belang en uitzigt , 
dan die^ welke wij thans in het noordlijk ge- 
deelte van hetzelve leleeven. 



I N^ 




EEllSTE AFDEELING, 

Reize van Wurtzhurg naar Kadix, . - 

TWEEDE AFDEELING. 

yiankomst te Kadix en verblijf tePuerto de San- 
ta Maria. . . . • «19 

DERDE AFDEELING. 

Reize naar Granada en verblijf in die Stad. 

VIERDE AFDEELING. 

Reize van Kadix naar Karthagena in Westindie. 37 

VIJFDE AFDEELING. 

Aankomst en verblijf in Karthagena. . ^ 

ZESDE AFDEELING. 

Rei%e van Karthagena over Portobello naar Pa- 
nama. . • • * 

ZEVENDE AFDEELING. 

Reize van Panama naar Truxillo. . 

ACHTSTE AFDEELING. 

Reize van Truxillo naar Lima. 

NEGENDE AFDEELING. 

Befchrijving van Lima', van de Geestlijke en 
Wmddlijke Regesring des lands ; van de 



VI INHOUD DER AFDEELINGEN. 

Spaanfche Jnwooneren, hunne zsden en Mee- 
^^- • ^ • . Bladz. 95 

TIENDE AFDEELING. 

Vervolg van Lima ;■ van de Indiaan/die I?iiü9o- 
ners dier Jtad; van de Peruaamn in 't aige^ 
meen, .hunne gewoonten, zeden, leevenswii- 
zc, kleeding, enz. . . .110 

ELFDE AFDEELING. 

Reize van Lima naar Cuzco. , , i^^ 

TWAALFDE AFDEELING. 

jfa-ikbrnst en^ verblijf in Cuzco. Merkwaardig 
Bericht nopens een' onaf hanglij ken binnenland- 
Jchen Indiaanfc.tn Koning. . . 129 

DERTIENDE AFDEELING. 

Reize van Cuzco naar Juti. Befciirijving dier 
zending. Haare Invüooners. 



149 



' 'VEERTIENDE AFDEELING. 

Van de Bergen , Zilvermij nen , Zout ber p-en 



166 



^ _Landsgejieitenis , Magneetbergen .^ en andere 
" ' merkwaar digiieden der zending Jali, , i -'- 

VIJFTIENDE AFDEELING. 

Verdere hefchrijving van het dorp JitU^ z,an de 
omliggende Steden en Landjtreeken , vun liet 
f^ieir/riticaca.^ êfiz., 

'ZEStJeNDS -AFDEELING. 

Reize van füli naar Paz. Bejchrijvi?tg dier 
, Jtad en^ omliggende fieden -en landjtreeken. 1 7$ . 

ZEVENTIENDE AFDEELING. 

Terugr^'z, mlT.ru naan Hamberg, ingevolge 
het komnglyf>Spaausch bevel; uit krult vm 
nreJk aUe de Jefuiten alk de Spaanfche Staa- 
im mrutmen moesten, , , , ^ ' ^g 



R E I Z E 



NAAR 



P E R U 



EERSTE AFDEELING. 

REIZE VAI^ WUllTZBURG NAAR KADIX* 



74P* 



Toen ik van mijne geestlijke overheden den last I. AFOi 
kreeg, om, tot grooter eer van God, aan het heil 
der zielen in Westindie te arbeiden , nam ik het 
befliiir, om mijn vaderland te verlaaten, en deeze 
zo verre en zo gevaarlijke reize , uit liefde tot God 
en den naasten , op mij te neemen» Ik aanvaardde 
ze ook met der daad den veertienden van Sprokkel* 
maand des jaars 1749, in het aelit en twintigfLe jaar 
mijns ouderdoras, van wuktzburg, door nog 
drie andere leden uit onze orde verzeld. 

In B AM BERG nam ik van mijne ouders en bloed- 
vci-wandten affcheid , en zette mijne reize ovet 
iNELTRENBERG uasr A u c s B u R G voort. Hicr 
moest ik mij langer ophouden, tot dat de andere Je- 
fuiten, in wier gezelfchap ik naar Itahe zou reizen, 
vandenBovenrhijn aankwamen. Den acht en twintig- 
Hen van Sprokkelmaand verliet ik, met negen^ reisge- 
liooten , deeze fraaie rijksltad. ^.Vcinig dagen daarw 



/ 



^ -*-- -f^r^.-i^' Jtr 



REIZE NAAR^PERU» 



I7i9' 



ï. ATO. im Imd ik uit liet kleine ftcecije we il hei m ïiet eer* 
fre gezigt van de groote bergen vaii Tirol , welker 
hoogverheven kruinen ver boven de wolken uit- 
flaken. 

Deii tweeden van Lentemaand , toen de zon flerk 
ïiaar naaren ondergang helde , bereikte ik de opening 
van dit gebergte. Ik overnachtte in 't huis van eenen 
waard, die zieh achttien jaaren in Spanje op had ge- 
houden. Met veel genoegen hoorde ik hem de ze- 
den, de gewoonten en de geheele leevenswijze dei* 
Spanjaarden befchrijven. Ook verzekerde hij mij, 
dat hij nooit weder naar Duitschland te rug zou ge- 
reisd zijn , indien niet de Hechte toeftand zijner ge- 
zondheid 'er hem toe genoodzaakt had. Hij zeide mij , 
dat aldaar niet zelden lieden, die, jegens de Duit- 
fchers bijzonder wel gezind , het hart met hun deel- 
den, aantetreffen waren. Tot affcheid vereerde hij 
mij een boekskcn in de Spaanfche taal , opdat ik mij 
reeds op reize daarin zou kunnen oeffenen. 

Toen wij over inspruck, bozen ^ ^ 
TRENT en ROVEREDo te BREsciA aan waren 
g€kömen, zond zijne Eminentie, de heer kardinaal 
Quirini, in dien tijd bisfchop van Brescia, mij en 
mijnen reisgenooten verfche wijndruiven en ander 
fmaaklijk ooft in het huis van de heeren Jefuiten. 
Den volgenden dag maakten wij onze onderdaanige 
opwachting bij dien kerkvoogd , en, nadat wij zijne 
Ichoone en heerlijke bibliotheek bezien hadden, liet 
hij ons, na een laugduurig gefprek, en met uitnee- 
. : / '■-: men- 

I Deeze ükd wordt in 't Italiaansch bolzano 
geiieeien, eu is ook onder dien naam meest bekeadi 



VAN WURTZBURG NAAR KADJX. ft 

mende gunst bejegend , met zijnen bisfchoplijken ze- 
gen gaan. 

Van hier zette ik mijne reize naar m il aan voort, 
daar ik bijzonnenondcrgang aankwam, en in ons 
profeshuis mijn' intrek nam. Ik bezag alle de merit- 
waardigheden deezer groote flad, en reisde velYoI- 
gens naar pa via. Daarna kwam ik op mijnen weg 
door etlijke dorpen van het Savoifche grondgebied, 
'm welken men mij en mijne reisgenooten in eene 
herberg vroeg, of de Dnitfchers in de vasten ook 
kikvorfchen aten ? Wij antwoordden , ja. Doch , 
toen zij op onzen disch gebragt werden, waren het 
niet Hechts de achterbouten , maar de geheele kikvoiv 
fchen met -hunne ingewanden, met eene wehiekende- 
faus overgooten. Wij zagen elkander lagchende aan,^ 
en ons verging alle lust ten eenemaal, om in Italië 
kikvorfchen te eeten. De waardin venvonderde ziek 
grootlijks , dat wij van eene zo goede fpijs niet nut^ 
tigen wilden. Dan, wij zeiden haar, dat de Duit- 
fchers alleen de achterbouten der kikvorfchen plee* 
gen te eeten. W^aarop zij in grammen moede zeide * 
dan zijn de Dnitfchers zekerlijk wel rechte lekker* 
bekken, en weeten niet, hoe de kikvorfchen moeten 
gegeeten worden. 

Toen de zon zich achter de kimmen verborg, be* 
reikten wij den oever dè po, over welke rivier wi| 
met de koets en de paarden op eene vliegende brug 
over werden gezet. Aan de overzijde des llrooms 
werden wij door den nacht overvallen. Het werd 
felnelijk zo duister, dat onze koecfier den weg 
naauwlijks meer bekennen kon. Wij vielen met de 
koets om , doch kreegen bij geluk geen fchaade, Ein- 

A 2 / ^Q^ 




H 



RÈIZENAAR PERU, 



I. Af D. dclijk ontdekte de koetfier licht op eene hoogte , wer- 



1749- 



waard hij terdond zijne paarden en koets richtte. 
Ondertusfchen was de weg zo ongemeen flecht eii 
week, dat hij meer dan twee um-en"lang met zijne 
paarden jammerhjk te worftelcn had , eer hij de hoog- 
te bereiken kon. Wij vonden daar ethjke boeren- 
hutten, en overnachtten in eene van die op ftroo, 
met bijkans leedige maagen , doordien wij 'er niets 
anders , dan fleclits eenige eieren , voor ons avond- 
eeten konden krijgen. Met het aanbreeken van den ' 
dag ging ik weder op reize, en kwam over tor- 
TONA en r^ovi, een klein üeedje. op het grondge^ 
bied der republijk Genua , diep in den avond te 
GA VI daar ik door eenen Duitfchen officier, welke 
over het krijgsvolk , in die ftad in bezetting liggeiï- 
de het bevel voerde, fchoon hij de leer van Kal- 
vijn omhelsde , zeer hoflijk ontvangen werd. Dewijl 
wij in de geheele ftad geene hetberg konden vinden , 
in welke plaats voor ons was , verzorgde hij ons 
huisvesting en bedden , en liet ook ons rijtuig en 
pakkaadje des nachts door krijgsknechten bewaaken. 

Den een en twintigften van Lentemaand kwam ik 
eindelijk ten negen uur des voormiddags te genua 
aan. Toen wij aan het end der groote ftraate,^ra^fl 
Balbi geheeten, gekomen waren, moest al ons reis- 
tuig naar het profeshuis onzer orde gedraagen wor- 
den , dewijl 'er wegens de enge ftraaten geen rijtuig 
meer te gebruiken was. 

Nadat ik mij twee maandtn en etlijke dagen ^ 

in 



s In de oorfpronglijke Hoo^duitfche uitgaaf lees ik 

twes 



k< 




1749. 



VAN WURTZBUR.G NAAK KADI3C. f 

in Genua op had gehouden , kreeg ik den acht en twln- T. afo. 
tigften van Bloeimaand gelegenheid , om mij aan — — 
boord van een Engclsch fchip te begeeven , ten ein- 
de mijne reize over de Middclandfchc zee naar Ra- 
dix voorttezetten. De naam van het fchip was Nep- 
tunus. Het was een driemast , voerde veertien (luk- 
ken kanon , en vier ankers , waawan het grootfle 
twaalf centners woog. Het droeg zevenduizend cent- 
ners, zonderde fcheepsnoodwcndigheden , mondbe- 
hoeften en menfchen , die een en vijftig in getal wa- 
ren , te rekenen. De fcheepskapitein , een Engelsch- 
man , was in de zeevaartkimst ongemeen ervaren , 
bij uitflek hoflijk , maar teffens een zeer hardnekkig 
vrijgeest. Hij wilde voltoekt niet gelooven , noch 
toeftaan, dat onze zonden, flechts een eindig werk, 
door een eindig fchepfel begaan , van God met eene 
oneindige en eeuwige ftraf in de hel konden geflraft 
worden; te meer, daar dit alles tegen Gods onein- 
dige bermhartigheid flreed. Wij hebben ons, meer 
dan een uur lang, in een' hcvigen twist met hem 
daarover ingelaaten, en leiden hem alle de grond- 
llellingen en bewijzen deezer onloogchenbaare waar- 
heid en leere zeer duidlijk voor oogen; rnaar hij 
vond op alles zijne uitvlugten. Eindelijk bragten 
wij hem zo ver, dat, volgens zijne meening en leer , 
noodzaaklijker wijze ook de duivelen, op den al^-c^ 

mee- 



twee maanden en etlijke weeken'^ doch, dat zulks eene 
fchrijf- of drukfout zij , en zo veranderd moete worden ^ 
als boven gefchied is , blijkt uit den tijd vaa zijne aa^- 
koimt ea vertrek van daar duidlijk. 

A 3 



ïl È ï ^ E N A A 11 i' 



11 ïT. 



1749' 



meeiien oordeelsdag , uit de hel moesten verlost, eil 
zalig worden; omdat zij ook ilecbts eindige fchep- 
fels 5 en Inuine hoogmoedszonden llechts een eindig 
werk zijn. Op deeze fluitreden wilde hij niet terfiond 
]a zeggen; maar ten laaifre , om niet in zijne ge- 
lieflvoosde vrijgeestige meening geiloord te worden, 
gaf hij zulks toe; 'waarop deeze zintwist een ein- 
de nam. 

Den negen en tvv-intigilen van Bloeimnand werden 
de ankers geligt, en omtrent elf uur des nachts zeil- 
den wij uit de Genuecfche haven in zee. De vdnd 
was ons wel in den beginne zeer gunirig ; maar 
ïiaanwlijks waren vdj twee uuren van de ftad gevor- 
derd , of ons ovemel eene windftilte , die den voort- 
gang onzer reize dermaate hinderde, dat wdj binnen 
drie dagen ter naauwer nood twee zeemijlen af had- 
den gelegd , en Genua nog (leeds in 't gezigt hiel- 
den ; welke ftad in de gedaante eener halvemaane 
van den zeekant zeer prachtig in 't oog valt, Vvj'j 
waren zeer vrolijk en opgewekt. Onze kapitein liet 
ons 5 als een rechtgeaard en milddaadig Engelsch- 
man , met eeten en drinken ongemeen wel bedienen. 
I^'ij Duitfchers wenschten ons elkander geluk , dat 
de zeevaart ons zo bijzonder wel gelukte, en meen- 
den reeds, 'dat wij nu wegens zeeziekte niets meer 
te vreezen hadden. 

■ Den tv/eeden van Zomermaand verhief zich een 
i:eer ftcrke en gunfdge wind, met welken wij in één 
uur vijf uuren afleiden. Maar, toen het fchip eenen 
^0 fneilen gang kreeg, werden vdj ook ras zeer duize- 
lig, en oiize -Duiifche maagen door de zeeziekte ge^ 
yoelig bezocht. De kapitein had 'er zijn vermaak 

in. 



VAN WURTZLURG NAAR KA ?)!?{. 



1749. 



Si, dat hij ons de beste en keiivigfte fpijzen op liet i, aj©. 
disfchen; maar het wns te vergeefs; noch fpijs,noch 
drank fmaakte ons. Ten gelukke voor ons duurde 
deeze zeeziekte flcchts weinig dagen. 

Den vierden werden wij , tegen onzen zin , door 
een' fterken tegenwind , in den onfruimigen en zei' 
den bedaarden Leeuwenzeeboezera , de golf van, 
Lion 3, geworpen. Kort daarna ontllond 'er een 
gunüige wind, waarmede wij tot aan de balea- 
11 IS c HE EILANDEN voeren. Doch den volgenden 
dag omtrent den middag beliep ons een zo zvv^are 
ilorm , dat zelfs het fcheepsvolk 'er door verfchrikt 
en bevreesd wierd; maar na verloop van fleclits et- 
lijke uuren bedaarde hij , en veranderde in eenen zo 
voordeeligen Vk^ind, dat wij in één uur zeven uuren 
voortfnelden , en tegens den avond het eiland Mi- 
norka hi 't gezigt kreegen. Hoe goed de godlijke 
Voorzienigheid in deeze ftormwinden over ons ge- 
weest 



3 De lieer bayer noemt deezeii zeeboezem , ge- 
meenlijk onder de benaaming van de Golf van Lion be- 
kend, te recht ^qx\. Leemvenzeeboezem. Rij draagt den 



naam van Golf van Lion 



niet naar de ftad Lion , gelijk 



men anders ligtlijk zou denken; want Lion is eene land- 
ilad , en iigt 'er zeer ver van daan. Zelfs grenst de pro- 
vincie Lion, waarin deeze ftad ligt, niet eens aan deezen 
zeeboezem. Maar hij heeft deezen naam gekreegen , om- 
dat de vaart op denzelven wegens de hevige flormen , die 
'er dikwijls heerfchen , en vooral wegens de üerke bewee- 
gingen der zee, door de ondiepte veroorzaakt, zeer ge- 
vaarlijk is, en de geenen, die 'er op vaaren, niet zelden 
gelijk een ketw verflindt. 

A4 



mÊ 



mm 



mÊÊÊÊÊ 



[ 

t REÏZE NAAR. PERIT. 

weest zij , hebben wij , te Kadix gekomen , in eenen 
brief van Genua geleezen ; want , volgens den in- 
lioud van dien brief, heeft 'er op dien zelven dag 
langs de kusten van Frankrijk en Italië een zo vrees- 
lijke ilorm gewoed , dat 'er veele fchepen door ver- 
ongelukt, ook lijken en ftukken en brokken van fche- 
pen door de baaren der zee op 't ftrand gcwor-- 
pen zijn. 

Den zesden ontfiond 'er voeder een zo hevige 
ftorm , dat deszelfs kracht het fchip al te (lerk aan 
de linker zijde deed overhellen. De kapitein , den 
bodem van het fchip onderzoekende , vond aldaar 
veel water, welk hij in allen fpoed deed uitpompen. 
Dan , na verioop van tien of twaalf minuuten , was 
het water weder even hoog in het fchip. Hierom 
zagen wij ons genoodzaakt, om tusfchen de eilan- 
den Minorka en Majorka door, met geen gering ge- 
vaar, v/egens de menigte Idippen en rotfen in die 
ftraat , de haven van Mahon op te zoeken , in welke 
wij tegens den avond gelukkig binnenliepen, en het 
anker uitwierpen. 

Minorka is vol bergen en bosfchaadjen , in 
welken eene groote menigte der fchoonile muileze- 
len op wordt gekweekt. Tegenover de vSpaanfche 
tn Franfche kusten zijn op de heuvels en hoogten 
des eilands veele vestingwerken aangelegd. De 
iioofdftad MAHON is wel niet groot, maar fterk 
bevestigd, Ilaare fchoone en veilige haven is niet 
door kunst , maar door de natuur zelve gemaakt. 
Wij hielden 'er ons twee dagen op. De kapitein 
deed verfche eetwaaren , benevens goeden wijn, 
voor ons op , en de f(?heepslicden waren middeler^ 

wijl 



VAN WÖRTZBURG NAAI^ KADIX. 9 

wijl met het verbeteren van het fchip bezig. Toen ĥ ^^0. 
zij ontdekten , dat het water, wegens de al te gi-oo- j»^^^ 
te overhelling des fchips naar de linker zijde , flechts 
door etiijke reeten der bovenfle zijplanken in was ge- 
di-ongen, flopten zij die reeten in korten tijd en met 
geringe moeite volkomen dicht. 

Den achtilen gingen wij weder van Portmahon on- 
der zeil, maar werden kort daarna door eene liilte 
overvallen , die echter niet langer dan drie uuren 
duurde. Den negenden werden wij door tegenwind 
naar den kant van Barbarije gedreeven. Doch , op- 
dat wij die gevaarlijke kust niet al te dicht zouden 
naderen , Huurden wij den tienden omtrent midder« 
nacht het fchip weder naar majorka, in welks 
nabijheid wij ook , nadat de wind gunftig was ge- 
worden, fchielijk aankwamen. 

Den twaalfden verhief zich op nieuw een ongun- 
ftige en teifens zeer onduimige wind , die ons nood- 
zaakte, om nu eens de ruime zee te zoeken, en 
dan weder het fchip naar deeze Balearifche eilanden 
te wenden ; tot dat wij eindelijk den volgenden dag 
het eiland yvika bereikten, 't Is het kleinde on- 
der de Balearifche eilanden 4, wel bergachtig , 

maar 

4 De heer bayer heeft zich een- en andermaal van 
de benaamhig van Balearifche eilanden bediend. Ook 
heeft bij reeds fommigen genoemd , welke daartoe behoo- 
ren. Anders is die benaaming thans zo algemeen bekend 
niet. De Balearifche eilanden bevatten de twee' grootere 
eilanden Majorka, eigenlijk Mallorca, of Maljorka, ea 
Minorka, benevens etiijke kleinere. De Latijnen noem- 
den ze Baleares , en de Grieken Balearid.^s , van eeu 




A5 



Grieks ch 



io 



H E I 2 E N A A R ? E E. IJ.- 



I. .-^FD. maar nogthans zeer vruchtbaar 



1749. 



m gi-aaneii, goeden 
wijn, en ooft. Bijzonder levert het oviMTvloed van 
goed zout op , welk naar Spanje en Italië uit wordt 
1^-evoerd. Herwaard worden veele Spanjaarden in 
balhngfchap gezonden. 

Den veertienden van Zomermaand waren wij" van 
deeze kust naamvhjks in zee gekomen , of v/ij ont- 
dekten van verre een groot fchip , welk zijnen koers 
regelrecht op ons aanhield. Onze kapitein deed, 
volgens zeegebruik, terftond de Engelfche vlag op- 
'ïieisfen ; v/ aarop de kapitein van het andere fchip ook 
zijne witte vlag liet waaien , ten teken , dat hij een 
Franschman Vv^as. Toen wi] elkander meer en meer 
naderden, bemerkte de onze, als een wel ervaren 
zeeman , ras , dat , bijaldien de Franschman niet bij- 
tijds wendde , voor dat ons fchip voorbij gezeild 
was, beide fchepen in die ftreek, w^elke zij hielden, 
wegens de woede des winds , onvermijdlijker wijze , 
met het grootile gevaar van fchipbreuk, tegen elkan- 
der moesten ftooten. Hij riep dan in allen fpoed 
door een fpreektrompet 'den Franschman volgens 

zee- 

Grieksch woord, dat werpen oï f.ingeren betekent; dat 
is "dan zo veel als de Eilanden der Slingeraars, omdat 
de invvooners van oude tijden af zeer vaardige en bellen^ 
dige flingeraars Vi'aren;na2r het verhaal van flor us /.///, 
c, 8 , daardoor hunnen kost moesten zoeken ; en hierom 
ook hunne khideren van jongs op in deeze kunst onder- 
weezen. Om deeze oeiteniDg veelllgt werden z^j door de 
Grieken ook GyuiuaJJ-e genoemd; 't welk ook wel daarop 
kan zien, dat de be^vooner^ deezer eilanden des zomers 
Baakï gingen. 



VAN WURTZBUUG NAAIl KADIX. 

zccgebruik tweemaal toe, dat liij moest wenden. I. apd, 
33an de onverlhndigc cii onvoorzigtige Fraiiscbman 
liet het beidcmaal na. Hierop fclireeuwde ons on- 
ze kapitein, ten uiterlie ontfleld, met verbaasdheid 
toe:„ Mijne heercnl Wij gaan allen ten gronde!'* 
In hetzelve oogenblik gaf liij bevel , om zijn fchip 
te wenden , wanneer het Franfchc , welk kort te 
vooren nog op een merklijkcn afiland van ons was , 
reeds aan de achterfteven van ons fchip met zo veel 
geweld aandreef, dat het alle de biiitenfieraadeii 
met vreeslijk gekraak verpletterde en in zee wie^p. 
Van de masten van h-et Franfche fchip , welke in 
ons touwwerk venvard geraakten , braken de fpit- 
fcn ; drie ftengen vielen in ftiikken naar beneden, 
en verfcheidene zeilen werden zo gefcheurd en ge- 
havend, dat zij onbruikbaar wierden. Hoe iemand 
gemoed zij, als het doodsgevaar zo nabij is, kun- 
nen alleen die geenen weeten , vvelke dergelijke droe- 
vige en gevaarlijke toevallen met der daad onder- 
vonden hebben. Onze kapitein verzekerde ons, dat 
beide fchepen , bijaldien zij aan de voorfteven tegen 
elkander waren geftooten , wegens hunne fnelle vaart 
en geweldigen floot zich noodzaaklijk hadden moe- 
ten openen, en binnen weinig minuuten zo veel wa- 
ter inlaateii, dat zij, zonder mooglijkheid van red- 
ding, met man en muis in den afgrond der zee zou- 
den gezonken zijn. Ook betuigde hij, dat hij op 
^ee liever rotfen en zandbanken , dan een Franscli 
fchip in zulke omfiandigheden ontmoeten wilde; 
want die kon hij, volgens zijne zeevaartkunde, be- 
ter ontwijken , dan een Fransch fchip, welks fcheeps- 
volk in de kunst van zeilen zo flecht bedreeven is , 

dac 




A 



ï. AFD. 



UW' 



ïa tl K ï Z E NAAR ? E R. U. 

dat het bij dergelijk gevaar noch zeilen, noch roer 
wel weet te beliieren 5. 

Nadat wij dit oogfchijnlijk doodsgevaar, door 's 
Hemels goedheid, gelukkig ontkomen waren , zetten 
•wij met denzelven ongunfligen en flormachtigen 
wind onze vaart verder voort , tot dat hij tegens 
dm avond bedaarde , en in eene groote flilte veran- 
derde. Kort daarop volgde een voordeeüge wind, 
die ons tot het eiland cabrera, welk, klein en 
onbewoond j niet ver van de Balearifche eilanden , 
en van de Spaanfche kusten ligt , deed vorderen, 
In deeze flreek kreegen wij een' bijster grooten en 
langoorigen visch in 't oog, welks naam ons nie- 
mand op het fchip zeggen kon , omdat geen der 
fchepelingen ooit dergelijk een zeegedrocht gezien 
Jiad. 

J)en zestienden van Zomermaand zeilden wij met 
/ een' 



5 Men moet aanmerken , dat dit oordeel uit den 
mond van eenen trotfchen en hoogmoedigen Engelschman 
voortkwam. Deeze erinnering alleen is genoeg , om te 
doen zien , hoe vee! flaat daarop te maaken zij , of niet. 
De heer bayer, in de zeevaartkunde onervaren, ver- 
haalt het als een gefchiedfchrijver. De Engelfchen ver- 
achten alle andere natiën der vt^aereid. Stoute kwaad- 
fpreekendheid is geene van de minfte van hunne menig- 
vuldige grove nationaale gebreken. Dat ondertusfchen de 
Franfchen in de zeevaart en het fcheepsbeftier zo onkun- 
dig niet zijn, als deeze pogchende Engelschman zich ver? 
beeldde, hebben zij, geduurende deezen oorlog, in veele 
gelegenheden, den Engelfchen duidlijk genoeg 4oen ^■§- 
voelen. 



VAT^ WuiltZfiUPwÖ NAAR KAÖIX. 13 

«en' goeden wind liet eiland for me ntp:ra, een 
van de Pityufirche eilanden 6, en wegens de groo- 
tc menigte Hangen onbewoonbaar , voorbij. Deeze 
wind wakkerde den volgenden dag zo zeer aan , dat 
wij in den tijd van dén uur zes uuren wegs aflci^ > 
den , en dus den aelittienden kaap d k p a l ü s , in 
het koningrijk Murcia gelegen, voorbijftevenden. 

Den negentienden bereikten wij met nog voord ee- 
liger wind kaap de gates^ die in het koningrijk 
Granada ligt. Hier zagen wij niet verwondering de 
ongemeen hooge bergen, welke in dit des zomers 
2ecr warme en heete gewest, echter het gantfche jaar 
door met fneeuw bedekt zijn. Den volgenden dag 
kwamen wij tqt bij de vruchtbaare en bekoorlijke 
landftreck , in welke de ftad almeria ligt. Zij 
is aan de landzijde met bergen omringd, en op de 
kust van het koningrijk Granada gelegen. 

Den dertigflen ontdekten wij , na veele uitgeflaa- 
iie ftormwinden , de hooge Afrikaanfche gebergten 
en de kusten van Barbarije , en hadden een' zo gun- 
ftigen wind , dat wij de fteedjes c a s t e l de f e r- 

RO, ALMUNNECAR CU VELEZ MALLAGAIH 

korten tijd achter ons lieten. 

Den eerften van Hooimaand zagen wij het kasteel 
Fuengerola. Dtwijl onze voordeelige wind in eene 

vol- 

6 De Pityufifche eilanden (niet Pythpiftfche , gelijk 
fommigen verkeerdlijk .fchrijven ) worden zo geheecen 
naar een Grieksch woord , wélk eenen pijaboom bete- 
kent , omdat deeze foort van boomen 'er in groote me- 
nigte op groeit. Zij bevatten, behalve etlijke kleine on- 
bewoonde eilanden, voornaamlijk TviQa en Fsrmentera, 



I. AFDi 



I74P. 



BfiH3 



R E I Z E N A A Pv P 



E R U. 



volkomen fdire geëindigd was, moesten wij op de 
hoogte der ftad Mallaga blijven liggen. Omtrent den 
middag kochten wij van de visichers etlijke zeekrcef- 
ten , eene zeerchildi3ad , en eenen bijzonder fmaak- 
lijken zeevisch, zestig pond zwaar, en in de Spaau^ 
fche taal brucJio genaamd. Onze kapitein, ziende 
dat de tegenwind weder opftak, en allengs in kracht 
toenam, pleegde met zijnen faiurman raad, of het 
beter ware , in ds haven van Mallaga , aan welks 
mojid wij ons bevonden , inteloopen , of onze reis 
tot Fuengerola , daar wij Hechts nog twee imr van 
daan waren, voorttezetten ? Zij beflooten, de ftad 
Mallaga te verlaatcn , omdat, ingevalle 'er een gun- 
flige koelte opfrond , wij uit de haven van Mallaga 
20 gemaklijk niet weder uit konden loopen. 

De flad mallaga, aan den oever der zee, en 
den voet eens bergs , in het koningrijk Granada ge- 
legen, beeft een fraai tuighuis, ook eene goede ha- 
ven , die door twee kasteelen , Waarvan het eene 
ALCAZAVA, en het andere gibralfapvO heet, 
en beide op den zdveii berg liggende, wel befchermd 
wordt. Zij is niet groot , maar nogthans zeer volk- 
rijk, drijft grooten koophandel, bijzonder met haa- 
ren voortreflijken wijn. Zij heeft"' eenen bisfchop, 
die 'er ook zijn verblijf houdt. 
- Den tweeden van liooimaand kwamen wij in den 
zeeboezem van fuengerola ten anker," en gin- 
gen den volgenden dag aan land. Wij begaven ons 
naar het Hot, daar wij door öqu hoofdman, die 'er 
in bezetting lag, zeer beleefd ontvangen v/erden. 
De priesters onder ons lazen in de flotkerk de mis , 
en de anderen, die geene priesters waren, ontvin' 

scii 



VAN WÜRTZBURG NA.AR KADIX, 

gen het heilig nvondmaal. Des hoofcinians vrouw, 
ék nog jong was , rechtte ons raiddelervvijl voor on- 
zen kerkdienst eene deftige maaltijd aan , wellie ons 
na zo veele doorgeftaane moeilijkhed.:n ongelooilij 
verkwikte, bijzonder, dewijl de hoofdman ons over 
tufel op den besten Mallagav/ijn onthaalde.. Beiden 
verzelden ons tcgens den avond tot aan boord van 
ons fchip. Onze kapitein had zich intusfchen naar 
het naaste ileedje begeeven , om wijn , brood en 
andere eetwaaren voor de fchepelingen te koopen. 
Maar , toen hij den voorraad met zijne boot naar 
het fchip wilde laaten brengen , werd hem zulks 
door de Spaanfche ruiters, die de kust bewaaren , 



belet ; fchoon zij 
.dien intekoopen. 



hem vooraf hadden toegedaan. 
Onze kapitein beloofde hun zo 



veel geld te betaalen , als hem de eetwaaren gekost 
■hadden, indien zij hem Hechts wilden vergunnen, 
dezeiven aan boord van zijn fchip te brengen. Dan, 
.de grove Spaanfche kinkels wilden het volürekt niet 
toelaaten, hoewei de hoofdman,, die hun als rui- 
ters niets te beveelen had, en zijne echtgenoote, 
hen op 't ernffigfte daarom verzochten. Zij gaven 
tot antwoord , dat zij ons water en brood in gc- 
noegzaame menigte hadden laaten infcheepen, zodat 
wij tot Kadix toe overvloedig van leevensniiddclen 
voorzien waren. Niet ver van ons lag nog een an- 
der fchip uit Katalonie , welk drie dagen voor ons , 
insgelijks wegens tegenwind, hier binnen was geloo- 
pen. De fcbipper van het Katalonifche fchip liet 
ons door eenen visfcher lieimlijk boodfchappen , dat, 
indien wij hem omtrent middernacht onze boot zon- 
den , hij ons met alle noodwendigheden gerieven 

wil- 




m 



K 



REIZE NAAR PERU. 



wilde. Doch , toen de gemelde onbefchaafde ruiters 
op de kust de lucht daarvan kreegen , zonden zij 
terfiond eene fchildwacht aan boord van het Kataloni* 
fche fchip , welke den gantfchen nacht door de 
wacht aldaar moest houden ; zodat wij ook door de 
goedheid en hoflijkheid des braaven Katalonifchen ka- 
piteins niet geholpen konden worden. 

Den vierden van Hooimaand verhief zich bij zon* 
nenopgang een gunftige wind, die ons gelukkig tot 
op de hoogte van Ceuta en Gibraltar bragt. Bij den 
ingang der baai van Gibraltar werden wij door eene 
ftilte etlijke uuren opgehouden. Wij vermaakten ons 
middelei-wijl ongemeen met het befchouwen deezer 
twee zeer Ichoone vestingen. 

De (lad ceuta behoort wel den Spanjaarden^ 
maar ligt , gelijk bekend is , in het koningrijk Fez , 
in de provincie Habata , in Afrika , aan den voet des 
bergs Avila, en is zeer wel verilerkt. Het kasteel 
flaat op de kruin des bergs , die aan den oever dei- 
zee hgt, en zijne muuren ftrekken zich tot op het 
ftrand uit. De haven is wd fraai, maar niet diep 
genoeg voor zwaare fchepen , om 'er inteloopen. On- 
ze kapitein verzekerde ons , dat zij naauwlijks twee 
of drie vademen water hield. In deeze ftad is de ze- 
tel eens Spaanfchen bisfchops , maar wiens inkomften 
gering zijn. Hierom wordt hij gemeenlijk na verloop 
van vier of vijf jaaren , wanneer 'er een ander bisdom 
in Spanje openvalt, beter bezorgd. 

Gibraltar, aan de Spaanfche zijde gelegen, 
maar der Britfche kroon toebehoorende , is nog veel 
fterker bevestigd. De ftad is klein , en ligt aan óen 
voet des bergs van gelijken naam , hebbende eene 

Yoor- 



VAN WURTZBURG NAAR KADIX. 

Vöörtreilijke haven , daar fteeds groote Engelfche I. /fd» 
fchepeii in- en iiitloopen. Rondom op de bergen en 
hoogten zijn de fterkfte bolwerken en vestingwerkeri 
aangelegd, om de haven en de flad te verdedigen. 
By den mond der baai van deezen naam is de rots 
van boven tot beneden metfterke gewelven onderftut ^ 
en doorgehouwen. De ftukken kanon, die hunne 
trompen in de beste orde door deeze gaten , in de 
rotlen gehouwen , uitfteeken , maaken allen vij andlij- 
ken fchepen het naderen hoogstgevaarlijk. 

De omliggende landRreek was wegens de : groene 
bergen, tuinen en akkers ongemeen bekoorlijk voor 
het oog. Wij meenden nog in dienzelven nacht we- 
der in zee te fteeken , maar de onftuimige zeebaaren 
beletten ons het uitloopen. 

Den volgenden dag des morgens vroeg, nadat het 
fcheepsvolk, zijn gewoone gefchenk ontvangen had j 
deeden wij andermaal pooging , om uit de baai te ko- 
men; maarte vergeefs; totdat wij eindelijk des na- 
middags ten twee uur, verzeld door vier andere groo- 
te fchepen, uit- en in de zeeëngte , gemeenlijk de 
STRAAT VA N G I ]J R A L T A R genaamd , in liepen. 
Wij zagen met verwondering op de kust van Afrika 
de Marokkaanfche lusthuizen en fraaie gebouwen , 
welke dicht aan 't ftrand flonden ; terwijl aan de 
Spaanfche zijde de fchoone fleedjes en dorpen ons 
gezigt niet weinig bekoorden. Omtrent zes uur des 
avonds kwamen wij op de hoogte van Tanger. 

Tan GE R ligt in het koningrijk Fez, op de kust 

van Afrika, in de provincie Gabata, aan het einde 

der zeeëngte naar den kant des oceaans. Eertijds 

was de flad zeer fterk bevestigd , en met een goede 

B ha- 




l8 



REIZE NAAPv PERU* 



I. AFD. 



1749. 



haven voorzien , daar de meeste IMarokkaanfche zeé- 
roGvers hunne ftandplaats hadden. De haven was 
door twee fterke kasteelen wel gedekt. Dan , de En-* 
gelfchen, door de Marokkaanfche zeeroovefs groot* 
lijks beleedigd , veroverden de ftad en de vesting , 
flechtten de vestingwerken , en maakten de fchoone- 
haven onbruikbaar, waarna zij de ftad weder verlie- 
ten. De Marokkaanen hebben in vervolg van tijd de 
ftad en vesting wel weder herbouwd , maar de ha* 
ven nooit in haaren ouden veiligenftaat herfteld. 

Nadat wi\ de ftad Tanger , en de fpits van het ko- 
ningi-ijk Marokko te boven waren gezeild , bevonden 
wij ons reeds na zonnenondergang in den oceaan. 
Onze kapitein gaf bevel , om alle de zeilen , flechts 
één uitgezonderd 5 te gorden, en fteeds het fchip 
zeewaai-d te ftuureH, ten einde geen gevaar te loo- 
pen , om ra den -duisteren nacht aan eene verborgen 
klip, welke in die ftreek zeer veele zijn , te ftooten. 
Maar naauwlijks was hij in flaap, of het fchip werd 
onverwacht door den fterken wind tot dicht aan eene 
rots gedreeven ; welk gevaar nogthans door anderö" 
fcheepslieden , die zorgvuldig waakten , bij tijds ont- 
dekt werd. 



TWEE- 



ÊÊsm 



atütr^-VA-:*:- 



af'A?*w'-.-> : «.^t-: :\i'ï^ 



Aankomst te kadix, enz. 



TWEEDE AFDEELING. 

AANKOMST TE KADIX EN VERBLYF TE 
PUEkTO DE SANTA MARIA. 

üen zesden na zonnenopgang zagen wij, tot onze U.atq; 
bijzondere blijdfchap , de groote koopdad Kadix , in ~7~— 
welker haven wij het anker moesten laaten vallen. ^^^^' 
Onze kapitein leide terftond zijne zeekaart voor zich , 
waarin de gevaarlijke invaart der baai zeer naaiiwkeii- 
rig uitgetekend, was, en richtte 'er den koers van zijiï 
{"chip naar met alle zorgvuldigheid. Aan de eene zij- 
de, heeft deeze invaart eene verborgen klip, door de 
fcheepslieden de diamant genaamd. Aan de an- 
dere zijde vindt men verfcheidene klippen ; maar zij 
fteeken haare kruinen een weinig boven het water uit, 
en worden door de Spanjaarden lospuèrcös, 
dat is, de Zwijntjes, gelieeten. Langs deezen ge- . 
vaarlijken ingang kwamen wij, door de godlijké 
hulp , gelukkig binnen de haven , daar wij des mor- 
gens ten acht uur het anker uitwierpen. 

De haven van KadLx is eene van de grootflen. Zij 
heeft vier uuren in den omtrek, en kan meer dan drie 
honderd groote fchepen bergen. Aan beide zijden 
zijn twee flerke kasteelen, die de haven zo wel, als 
de fchepen, welke 'er in liggen, befchermen. Hier 
komen alle de waaren by een, welken de Spanjaar- 
den naar Indie, en die, welken zij van daar terug 
brengen. 

De ftad kadix p in het koningrijk Sevilkj is wei 



\ 



K 



[749. 



00 REIZE NAAR PERU. 

II. ATD. niet zeer groot, maar welgeboiiwd, en ongemeen 
ftcrk bevestigd. Aan den zeekant wordt zij door 
eene reeks klippen, ineenerechte lijn uitgehouwen, 
gedekt ; en aan de landzijde heeft zij eene diepe 
gracht, benevens twee bolwerken, die de geheele 
breedte des eilands aan die zijde influiten. Zij is 
eene van de gewigtigUe plaatfen der geheele Spaan- 
fche monarchije , en wordt door zeer rijke kooplie- 
den -bewoond , die door gantsch Europa de fchoonftc 
magazijnen hebben. De Duitfche koopHeden bewoo- 
nen eene geheele ftraat der ftad , die zeer lang is. 
Hun koophandel beftaat alleen in fijn Boheemsch 
glas, en Augsburgfche prenten. Deeze handel is hun 
zeer'voordeehg; want de gemelde .goederen worden 
hier te land hooggefchat, en duur betaald. De bis- 
fchop' van Kadix Haat onder den aartsbisfc|iop van 

Sevilie. . 

Het EILAND KADIX is oostwaard door eene 
fraaie fteenen brug met het vaste land verbonden. 
Eertijds werd het door de heidenen het eiland der 
godinne Jun9 genaamd. Het ligt tusfchen Gibraltars 
zeeëngte en den mond der riviere guad alq uivir, 
niet verre van de kusten des koningrijks Andalufie, 
waarvan het door eene zeeëngte afgelcheiden is. Het 
eiland is ongemeen vruchtbaar in weilanden , en des 
met vee rijklijk voorzien. Zijne lengte bedraagt niet 
meer dan zeven uuren gaans , doch zijne breedte 
naauwlijks drie ; en op fbmmige plaatfen wordt het 
niet boven een uur breed gefchat. Men ziet 'er twee 
torens, overblijffels van een oud gebouw, welken 
men de Kolommen van Herkules noemt. 

De 



AANKOMST TE KADIX, ENZ. 



&l 



170, 



De zeeboezcm, of baai van kadix, is een ii. afd. 
Idein gedeelte der zeeëngte van deezen naam , en 
wordt door eene menigte kasteelen , bolwerken en 
fchanfen, allen met het voortreflijkst grof gefchut op 
de beste wijze bezet , wel verdedigd. Van deeze 
kasteelen zijn matagorda en puntal, beiden 
gemeenlijk los puntales genaamd, en aan de 
■engfte plaats des zeeboezems tegenover elkander ge- 
legen, de voornaamilen. Aan deeze baai liggen ook 
het kleine ftedeken p u e r t o Pv e a l , of de koning- 
lijke Haven , en de ftad e l p u e r t o de s a n t a 
MARIA, dat is, de Haven van S. Maria. 

Terftond na onze aankomst in deeze haven werden 
wij door etlijke heeren , welken de ftadhouder naar 
gewoonte afgezonden had , aan boord van ons Ichip 
bezocht. Zij deeden onderzoek, wat voor volk en 
goederen de kapitein aan boord had , en hoe lang hij 
zich daar op meende te houden. Alles wel onder- 
zocht hebbende, kondigden zij ons des fladhouders 
bevel aan, om volgens zeegebruik nog drie dagen 
op het fchip te blijven. Wij fielden hun voor, dat 
wij aan allerleie noodwendigheden mangel hadden; 
waarop zij ons verzekerden, dat wij daaglijks eet- 
waaren en allerhande ververfchingen uit de ftad mog- 
ten laaten haaien. Inderdaad zonden zij ons ook 
t'elken ochtend den besten wijn , brood , vleesch en 
andere fpijs, benevens de beste Spaanfche vruchten 
voor dep geheelen dag, in allen overvloed. 

Den tienden van Hooimaand voeren wij, na ver- 

kreegen verlof, des morgens ten acht uur , in eene 

groote boot, alle onze pakkaadje bij ons hebbende, 

B '\ naar 



'f. 



22 



BK 



R E ï Z K NAAR PERU. 



II. AFD. naar den wai, en ftapten in de ftad el Puerto de 
' jp,.p. Santa Maria aan land, daar wij door de onzen, die 
ons reeds overlang verwachtten , met de grootfte 
liefde en hoflijkbeid werden ontvangen 7. Deeze ftad 
is wel niet eene van de grootllen , maar echter groo- 
ter dan Kadix, en ligt veel vermaaklijker , in eene 
allerbekoorlijkfte vlakte aan de rivier guadalete, 
die in den zeeboezem van Kadix valt. Zij is eene 
opene plaats zonder muuren of bolwerkeji ; doch we- 
gens de haven van Kadix , die zeer nabij de ftad is , 
ligt 'er altijd eene menigte Spaansch voetvolk en riai- 
terij in bezetting. Niet weinige van de kooplieden 
drijven hier, gelijk te Kadix, eenen fterken koophan- 
del. De ftad is welgebouwd, heeft lange, breede 
en rechte ftraaten, pronkt met zeer veele fraaie en 
prachtige gebouwen , en is met vermaaklijke wandel- 
wégen omringd. 
Ik rustte hier in Hooi- en Oogstmaand uit. Ge- 

duu' 

7 Men moet hier eens vooral aanmerken, dat, toen de 
lieer bayer deeze reize deed, de Orde der Jefuiten niet 
alleen nog niet vernietigd was ; (welke groote flap voor 

Paus KLEMENS DEN VEERTIENDEN, GANGANELLI 

genaamd , bewaard werd , die eindelijk , na langduurige 
onderhandelingen, den een en twintigften van Hooimaand 
des jaars 1773 het beruchte Breve ter vernietiging dier 
prdè heeft uitgegeeven ;} maar de Jefuiten ook in alle 
de Spaanfche flaaten nog beftonden. Dus waren de zaa- 
ken in zijnen tijd nog zo als hij ze befchrijft , fchoon 
hier naderhand , gelijk bekend is , de grootfte veranderin- 
gen in gekomen zijn» 



laÉi 



AANKOMST TE KADIX, ENZ. 



^3 



1749. 



duiireiide deezen tijd zag ik liier de twee groote II. ^fo. 
feesten van den apostel Jakobus en de heilige moeder 
Anna , hoogstplechtig gevierd worden. Des avonds 
voor heteerile feest werden alle de klokken zo wel van 
deeze ftad, als van Kadix , welk 'er tegenover ligt, 
geluid, ook al het grof gefchut der vesting, der kas^- 
teelen en fchanfen, rondom de haven gelegen , ge- 
lost. Alle de fchepen lieten hunne vlaggen en wlin-'' 
pels. waaien, en fchooten ook hun gefchut in de bes- 
te orde af, welk gedonder de echo van het zeeftrand 
en de omliggende bergen treflijk beantwoordde. 

Het andere feest werd niet met het losfen van 
het gefchut gevierd , maar des avonds ten acht uur 
ftak men bij de kleine kapel van S. Anna , die bui- 
ten de ftad aan den Guadaleteftroom en de haven 
Haat , een zeer prachtig en bezienswaardig vuurwerk 
af. Men ftelde eene vesting en een oorlogfchip voor, 
welke op elkander fchooten, en bomben uitwierpen. 
Dit kunftig vuurwerk duurde , onder menigvuldige 
en zeer fchoone afwisfelingen , bijkans een geheel uur 
tot bijzonder vermaak der aanfchouweren ; hoedaa^ 
nige vertooning ik nooit gezien had, noch ooit in 
Duitschland weder zien zal. 

Na het middagmaal plag ik mij met anderen op 
ons lusttorentje te begeeven , alwaar de uuren , tot 
uitfpanning beflemd , gewoonlijk gelleeten werden. 
Wij zagen eens van verre drie groote Franfche fche- 
pen met hunne witte vlaggen , die in de haven wil- 
den binnenloopen. De twee voorden zeilden tus- 
fchen de twee verborgen klippen gelukkig door; maar 
het laatfle had , of door ftormwind ^ of door onvoor- 



24 



REI ZE NAAR. PERU. 



1749. 



IL'afd. zigtiglieid des kapiteins , het ongeluk , om op de 
klip , los Puercos genaamd , te ftooten , en 'er op 
vast te blijven zitten. Zij deeden terflond drie nood-- 
fchooten achter elkander , begeerende door dit feiii 
Ipoedige hulp van de ftad, welke zij ook terftcnd 
verkreegen. Men zond veele groote booten af, weU 
ke al het volk van het verongelukte fchip redden, 
maar nogthans niet verhinderen konden , dat de mees^ 
te goederen en koopmanfchappen verlooren gingen. 
Het geflooten fchip, ten eenemaal onbruikbaar, moest 
op de rots blijven zitten. De fcheepsliedcn haalden 
'er 5 nog etiijke dagen lang , zo veel uit , als hun 
mooglijk was. 

Op dit zelve lusttorentje zag ik bijk;ins daaglijks , 
omtrent drie uur des nademiddags , de heeren Fran^ 
ciskaanen, wier getal groot was, en die buiten de 
ftad , doch op eenen kleinen aflland van dezelve , in 
een groot , en zeer aangenaam gelegen klooster woo-^ 
iien, in de beste orde, met neêrgeflagen oogen voor- 
bijgaan. Ik vroeg de Spanjaarden , werwaard zij zich 
toch alle dagen begaven ? Men antwoordde mij , dat 
zij uit wandelen gingen, en zich in kleine fchuitjes 
over de rivier Guadalete lieten zetten op de drooge 
zandbank, daar zij zich volgens landsgebruik in het 
zeewater baadden. Ik wilde zulks in 't eerst vol- 
ftrekt niet gelooven , en hield het voor een Spaansch 
fprookje , welk zij mij uit fcherts diets wilden maar 
ken. Dan , zij bragten mij fchielijk een' verrekijker, 
door welken ik hen op die plaats zien kon. Toen 
zag ik dan deeze Seraphifche engelen fnecuwwit, zo 
v^ls zij van God gefchapen waren, zeer duidlijk, op 

het 



AANKOMST TE KADIX, ENZ. 



25 



1749' 



het eilandje rondom loopende , en uit kortswijl elkan- H. afd 
der in de zee jaagende , daar zij zich met vrolijkheid 
baadden. Ik ergerde 'er mij ongemeen zeer aan. 
Maar de Spanjaarden lachten mij uit , en zeiden ; 
dat zulks hier te land , des zomers , wegens de groo- 
te hitte » eene gewoone zaak was , tot behoudenis 
der gezondheid zeer dienffig. Doch ik moest hun 
in, oprechtheid bekennen , dat mij noch zodaanig 
landsgebruik , noch zodaanige voorbehoedfels ter be- 
waaring der gezondheid eenigzins behaagden. 

Dewijl ik mij , wegens de menigvuldige bezighe- 
den van mijnen zaakbezorger, nog een geheel jaar en 
twee mjianden in Spanje op moest houden , zond hij 
^mij met nog drie andere Duitfchers naar Granada, 
om aldaar mijne letteroefFeningen voorttezetten. 

Bij deeze gelegenheid heb ik het meeste van het 
koningrijk andalusie gezien. Dit landfchap heeft 
tot zijne grenzen ten oosten Murcia, ten westen Por- 
tugal , ten zuiden Gibraltar en Granada , en ten noor- 
den Nieuw Kastihe. Het is negentig mijlen lang, 
zestig breed , en wordt in vier deelen verdeeld , naam- 
lijk : in het rechtsgebied van Cordova , het rechts-, 
gebied van Sevilie , het hertogdom Medina Sidonia , 
en het eiland Kadix. Het land is een weinig berg-- 
achtig, maar het vruchtbaarfte en gezondfte onder 
alle de provincieji van Spanje. De paarden, hier 
opgefokt, worden door geheel Europa hooggefchat. 
Men heeft hier ook goud- en zilvermijnen ; maar zij 
worden niet bearbeid , omdat 'er reeds veel goud en 
zilver uit Indie naar Spanje wordt gebragt. Alleen-^ 
ijjk worden de kvvikzilvermijnen hier bearbeid, en 
B 5 het 



^6 



.R E ï Z E NAAR P E, VL JJ. 



liet kwikzilver naar het koningrijk Mexiko uitge-^ 
voerd , om door middel deezer bergftoffen het zil- 
ver, welk men daar graaft, te fcheiden. 



DERDE A F D E E L I N G. 



1749.. 



REIZE NAAR GRANADA EN; VERBLYF IN 
DIE STAD. 

IILafd. 'Ik reisde over Xerez naar Granada. Xerez ligt 
aan de rivier Guadalete , is groot en volkrijk. De 
ftad heeft zeer vermaarde ftoeterijen; nog beter 
is de wijn , welken de omliggende landdreek in groo- 
ten overvloed voortbrengt. De beste is die, welks 
kleur als water , maar ^zo helder en fchoon als bran- 
dewijn is. Het fraaie Karthuizer klooster aldaar is 
wegens zijne ongemeen prachtige kerk bezienswaar-, 
dig. Van Xerez kwam ik door veele fchoone dorpen 
en marktvlekken naar Osfana. 

OssuNA, de hoofdftad van het hertogdom dee- 
zes naams , is klein , en heeft niet veel bezienswaar- 
digs ; maar nogthans eene univerfiteit , die echter 
niet veel bezocht wordt. Van hier ging ik vroeg- 
tijdig op reize , en fpijsde des middags in eene ner- 
berg , die gantsch eenzaam aan den ingang ecner 
woestijne ftaat, daar echter nog water te vinden is, 
Deeze M^oestijn, eene fchoone vlakte uitmaakende,, 
is niets anders , dan een dik rosmarijnbosch , welke 
aldaar op de meeste piaatfen bijna eene manslengte 
hoog groeit. Dit wehiekend wond lieeft verfcheidcne 

mij- 



REIZE NAAR. EN VERTiLYF IN GRANADA. 



<i?' 



1749. 



jfiljlefi in den omtrek. Men heeft acht of negen III.afd, 
Tluren van nooden , qm 'er door te trekken. De hee- 
renweg naar Granada loopt 'er midden door. üeeze 
ruime en aangenaame vlakte kan niet bewoond wor- 
den,' dewijl nergens frisfche bronwellen , veel min- 
der' eenig vlietend waterftroomtje of beekje daarin 
aan te treffen is. Zij is nogthans met veele fraaie 
dorpen en marktvlekken rondom bezoomd, welker 
inwooners hunne fchaapen , geiten en runderen daar- 
in lasten weiden. Over den voortrcflijken fmaak vaii 
't vleesch kan alleen die geen oordeelen, die 'ervan 
gegeeten heeft ; want het heeft de Heflijke rosmarijn- 
geur volkomen. 

' Ik reisde door deeze rosmarijnvlakte van vijf uur 
des avonds tot des morgens omtrent vier uur; de- 
wijl men wegens de groote zonnenhitte, des zomers 
hier naauwlijks ulttehouden , des nachts reist. Ik 
kan het met woorden niet uitdrukken, hoe verruk- 
lijk deeze weg voor ons was , bijzonder des avond$ 
bij zonnenondergang 5 en des morgens vroeg bij zon- 
nenopgang, daar de meeste rosmarijn ten deezen tij- 
de in vollen bloei flond, en geduurende den gehee- 
len nacht, die zeer helder was, den aangenaamften 
feuk, tot verkwikking en genoegen van menschlijke 
zinnen , uitwaasfemde. 

Nadat wij onzen weg door die zonderlinge woes- 
tijn volbragt hadden, hield ik in de eerfte herberg, 
daar ik in het koningrijk granada aankwam , het 
middagmaal. In dien zelven dag kwam ik nog in de 
lioofdftad GRANADA aan. Zij heeft eene zeer ge- 



zonde lucht, en de beste bronwellen. 



De nieuwe 
üad 



mÊÊÈÊÊ 



■Ea 



a3 



R.EIZE NAAS. PT. RU. 



1749' 



ÏIT. AFD. flad heeft groote , lange en breede firaaten , met de 
fchoonfts gebouwen en paleizen pronkende, waarin 
de Spaanfche adel woont. De domkerk is een groot , 
fchoon en prachtig gebouw , van gehouwen (leen 
opgehaald. In deeze kerk is de fraaie koningiijke 
grafl^apel bezienswaardig. In eene voornaame paro- 
chiekerk wordt een wonderdaadig Mariabeeld door 
de Spanjaarden vereerd. Het gasthuis der bermhar- 
tige broederen, in welk S. Johannes de Deo zijne 
orde geflicht heeft , is groot , en voor de arme kran- 
ken wel ingericht. De kerk van dit klooster of gast- 
huis f waarin het lijk des vroomen ftichters begraaven 
ligt, is met haare tweetorens een fieraad der ftad. Be- 
halve dit is hier nog een ander koninglijk gasthuis , op 
de triumfplaats ftaande. Het is zeer groot, en in 
hetzelve worden veele armen uit de rijke koningiijke 
aalmoezen en inkomfteli verzorgd. 

De Triumfplaats ligt buiten de ftad, doch zo, dat 
zij echter nog voor een gedeelte met dezelve veree- 
nigd blijft. Het is een ruim vierkant , aan beide zij- 
den met fraaie huizen bezoomd , aan de derde zijde 
met het evengemelde koninglijk armenhuis en kapucij- 
ner' klooster omgeeven, maar aan de vierde zijde, 
daar men de bekoorlijke landouwen en tuinen, om 
Granada gelegen , ziet , ligt het open. In 't midden 
2iet men een' grooten lleenen pijlaar, waarop een 
fraai , in fteen kunftig uitgehouwen , beeld der Moe- 
dermaagd ftaat , omringd met een groot ijzeren tralie- 
werk , net uitgewerkt. Zij wordt de triumfplaats ge- 
naamd, dewijl de Spanjaarden aldaar op de Moo- 
ren , welke zich in deeze ftad veele jaarcn lang ver- 
de^ 



REIZE NAAR. EN VERBLYF IN GRANADA, 2^ 

clecügd hadden, de laatde ovenvinning behaalden. III. afd» 
Het Jefuitenklooster ilaat bij het prachtig univerü- -^^ 
teitsgebomv. Het is een groot en treflijk gedicht, in 
welk onder anderen eene heerlijke apotheek is, uit 
welke dé geheele ftad met de beste en lütgezochtfte 
geneesmiddelen voorzien wordt. De Jefuitenkerk is 
groot , en welgebouwd , en gelijkt veel naar de Bam- 
bergfche. Hier werd het feest van Franciskus de 
Borgia door den Spaanfchen hoogen adel, in perfoon 
daarbij tegenwoordig, zeer prachtig gevierd. Zo wel 
in deeze, als in andere kerken worden op alle hooge 
feestdagen veele nachtegaaien en kanarivogeltjes in 
hunne huisjes opgehangen , die , bijzonder onder het 
muziek , ook hunne lieflijke ftemmen laaten hooren. 
,0p paaschavend laat men, onder het zingen wm Glo- 
ria in ex celfis , veele fraaiverfierde vogelkens, met 
lange van papier kunftig uitgefneeden ftaartjes, van 
boven in de kerk neervliegen , die door het volk on- 
der een groot geraas gevangen worden» Zulk een vo- 
gelken wordt zo hoog gefchat, dat de Spaanfche adel 
'er niet zelden een gouden pistool voor geeft aan hem, 
die het gevangen heeft, om het aan eene dame te ver- 
eeren. "wat dit belachlijk gebruik eigenlijk beduiden 
zal , heb ik van geenen Spanjaard gewaar komneii 
worden. 

Het fchoone , groote en door het geheele koning- 
rijk vermaarde Karthuizer klooster ftaat buiten de ftad 
aan een' kleinen heuvel, daar de kloosterlingen ƒ enen 
grooten welaangelegden tuin hébben , met een' hoo- 
gen muur omringd. Hunne kerk is ongemeen fraai , 
vooral wegens de veelverwige fteenen , uit welken de 

al- 



Bmm 



mM 



é 



Ui9' 



$ö R E I Z E N A A R P E R tJ. 

ni. AFD. altaarcii en zuilen vervaardigd zijn. De lieeren Kart* 
' ~ huizers bezitten zelven de fleengroef, waaruit deeze 
voornaame en kostlijke fteen , waarvan men ook wel 
gedeelten in goud en zilver pleegt intèvatten, gegraa- 
ven wordt. Hij dient den Spanjaarden tot fraaie ta^ 
baksdoozen. In de eetzaal deezer kloosterlingen zag 
ik in 't midden een groot, zeer net uitgevoerd, fchil- 
deïiluk , waarop Christus laatfle avondmaal met zij- 
ne discipelen afgebeeld is. Maar het kwam mij on- 
gemeen vreemd voor, dat 'er in plaats v.an het paascli- 
lam een groote Visqh .in de fchotel ligt. Men wist 
'er mij geene reden van te geeven. Misfehien hebbeii 
deeze heeren zulk eenen afkeer van -alle gerechtei| 
van vleesch , dat zij in hunne eetzaal ook zelfs niet 
een gefchilderd gebraaden paaschlam aanfchouwea 
kunnen. 

Op den berg, dichtst aan de ftad gelegen, flaat 
nog het oude paleis , in welk de fultans van Granada 
fommige eeuwen lang hun verblijf gehouden hebben^ 
Be berg is eenigzins verflerkt, en wordt nog door 
Spaanfche krijgsknechten bewaakt. Het paleis is wel 
reeds zeer oud, maar echter wegens zijne oudheid 
aanmerkenswaardig. Men ziet 'êr nog de fchoone 
fonteinen en baden , van welken zich die Arabifche 
koningen en hun hof plagten te bedienen. De groote 
eetzaal , welke tot hiertoe zeer gaaf en ongefchonden 
gebleeven is, is inderdaad een kunstiiuk der Arabi- 



fche bouwkunde a, 



Uit de vensters van dat paleis 
heeft 



, a Zo wel in dit paleis alhambra, als in dat te Sevi- 
|ie, en in de groote moskee te Cordova, waarvan de te- 
gen- 



mÊÊÊÊÊÊÊtÊ 



♦rtv- •>.'"- 



kEÏZE NAAR ÊPf VERÉLYF IN GRANADA. 



I74P. 



iièeft men het verriiklijkst iiitzigt over de geheele IIL afd. 
ftad , en de omliggende aangenaame en heerlijke vlak- 
te, Granada omgeevende. Dicht aan dit Moorfche 
flot wilde Karel de vijfde ook zijne koninglijke woon- 
plaats oprechten. Het nieiwe paleis , met het Moor^ 
Iche vèreenigd, is zeer prachtig, van het fijnfte mar- 
jner opgehaald. Aan de benedenfte verdieping ligt 
tiisfchen het witte rondom heen zwart marmerfleen , 
Waarin de geheele leevensloop des keizers zo kunftig 
ititgehouwen is , dat het door eenen kunstenaar niet 
befer en fijner in was uit kan gedrukt worden. Dit 
nieuwe paleis was reeds twee verdiepingen hoog ge- 
ïèezen , toen men , geduurende den arbeid aan dit 
prachtig gebouw, etlijke geringe aardbeevingen be- 
fpeurde. Sommige benijders , die den adel en den in-^» 
wooneren van Granada het geluk en de eer misgun-» 
den, van de koninglijke verblijfplaats in hunne nabij-* 
heid te hebben , Helden den keizer het geduurig lee.-* 
vensgevaar wegens de aardbeevingen, die zich: doof 
den tijd fterker konden doen gevoelen , in den hoog- 
ften trap voor. Dit bewoog den monarch , van zijn 
voorneemen aftezien , en dit treflijk en kostbaar 
werk te ftaaken. Allen , die het zien, veiTloeken 

bik 



genwoordige kathedraalkerk de helft uitmaakt, ziet mei^ 
nog aan de muuren der zaaien en kamers fraaie Arïibifche 
opfchriften, welken de heer migüel casiti, S. T. D. 
en koninglijk bibliothekaris, met aanmerking-en, ter op' 
heldering dienende , zal uitgeeven , gelijk hij mij bereids in 
1769 fchreef. Zie ook /as antiguedades y excellencias de 
Granada; por francisco bermudes de pedaza. 
En .Madrid y 1^08. 4. M. 



ittitaiii 



3fL 



REIZE NAAR PERU, 



1749. 



IlL AFD.billijk dee^en Spaanfchen nijd, zeggende : „Des dnU 
vels nijd heeft Adam en Eva uit het paradijs in de 
ellende gedreeven , en de nijd des Spaanfchen adels 
heeft de Spaanfche koningen uit het fchoone , aange-^ 
naame en gezonde Granada naar het vuile , ftinkende 
en ongezonde Madrid gebannen. " 

Boven op denzelven berg ftaat ook nog een zeer 
vermaaklijk lusthuis , met een' aangenaamen pleifier- 
tuin, ftrekkende zich van den voet tot de kruin des 
heuvels uit. Het water van verfcheidene fpringende 
bronnen ruischt hier geftaadig. De bronnen zijn aan 
beide zijden met fteenen zitbanken , en eene menigte 
granaatappelboomen , in nette orde dicht aan elkander 
geplant, omgeeven, waardoor zo wel de rustende, 
als de wandelende de verkwiklijkfte lommer genieten* 
De weg , die tegen den berg en den anderen heuvel 
op loopt , is met fteenen gevloerd , en aan weerskanten 
met eene rei hooge boomen beplant. Deeze krielen , 
het gantfche jaar door van Ueflijk zingende vogelen ^ 
welke de ooren der wandelaaren met hunne verruklij- 
ke onnavolgbaare toonen vermaaken* 

Het Sakramentsfeest wordt zo wel iil deeze , als in 
andere Spaanfche hoofdileden , zeer prachtig gevierd* 
Rondom de markt worden fraaie triumfboogen opge- 
recht, die jaarlijks op nieuw gefchilderd worden. Zij 
behelzen de aartigfte zinbeelden, met Spaanfche eii 
Latijnfche vcrfen, op gemelde hoogheihgfte verbor- 
genheid toepaslijk. Op de markt zelve , die groot en 
vierkant is, en midden in de ftad ligt , wordt een 
kunsttuin van de heerlijkRe bloemen en heestergewas- 
fcn aangelegd , zo natuurlijk , dat men bijkans geloo- 

veö 



REIZE NAAR KN VERBLYF IN GRANADA. 

\ien zovj , als of hij 'er altijd gcv/ecst ware. Daaj^s 
voor het feest worden ten acht uur des avonds alle de 
kerkklokken geluid, en al het grof gcfchut, zo wel 
der vesting, als der itad, driemaal in de beste orde 
gelost. Daarna worden 'er kunffige en kostbaare 
vuunverken afgeftoken , die tot het grootfte vermaak 
der aanfchouweren langer dan een uur duuren. Den 
volgenden dag wordt de omgang, doch alleen maar 
op de markt , onder de opgerechte triumfboogen ge- 
houden, met eene omflandigheid, die eencn Duitfcher 
al vrij belachlijk voorkomt. Want voor het hoo 
waardige danfen veele perfoonen in zotskleederen , 
naar het voorbeeld van koning David voor de arke 
•des verbonds danfende. 

De wandelwegen, dicht bij de ftad aangelegd, in 
welken zich de adel en de voornaamfte inwooners der 
flad, tegens den avond in de groene en lommerrijke 
ïaanen vermaaken , konden niet bekoorlijker weezen. 
De omliggende tuinen zijn met groene haagen en boo- 
men omringd ; ook vloeien 'er veele lieflijkruifchende 
beekjes door , terwijl de nachtegaalen , hier in menig- 
te , met haar overheerlijk gezang, bijzonder des avonds 
en des morgens het raenschlijk oor ftreelen. Menig- 
maal heb ik mij, om dit onfchuldig landvermaak te 
genieten, met een' Duitfcher, die de dwarsfluit mees- 
terlijk fpeelde, derwaard begeeven. Naauwlijks liet 
hij zich hooren , of deeze vliegende zangeresfen ver- 
gezelfchapten ons rasj verheffende haare ftemmen 
zelfs boven de fluit. 

De heeren Jefuiten hadden in deeze landilreek drie 

groote en fchoone landhoeven. De eerfte, la Ca/a 

C de 




R E ï Z E NAAR PERU, 



J74P. 



III. AFD. de Luïz Gonzaga genaamd , ligt fleclits een vierde 
■* van een uur van de (lad. Ik plag mij met nog veele 

anderen eenmaal ter week 's morgens vroeg dervvaard 
te begeeven. De weg daarheen is ongemeen aange- 
naam. Uit de flad komende , gaat men over de 
triumfplaats. Daarop volgt eene vermaaklijke hoog- 
te 5 aan weerskanten met eene nette rei groote en dik- 
ke boomen pronkende. Boven op den berg ftaat het 
fraaie klooster der Alkantarijnen , door S. Petrus d'Al- 
cantara gefticht. Achter het klooster verheft zich de 
heuvel een weinig meer, aldaar dicht bezet met haze- 
laars, waarin de nachtegaaien haare woonplaats heb' 
ben. Beneden bij deeze groene dreef k)opt de weg 
voort , en langs dtn voet des bergs ruischt een koel 
beekje , w^elk nabij de landhoeve met een aan- 
genaam geklater van eene rots neerilort. De hoeve is 
groot 5 gelijkende naar een klooster. Daar zijn veele 
flaapkamers, eene eetzaal, en eene groote keuken. 
Het uitzigt van deeze plaats is veiTuklijk, en de om- 
liggende tuin vol van de beste Spaanfche vruchten. 

De andere , el Valle de Jejus , of het Jefusdal ge~ 
lieeten , ligt een uur van de ftad tusfchen hooge ber- 
gen. Men gaat in de lommer van hooge en dichte- 
hazelaars , langs een ftilvlietend beekje , daarheen. Op 
den halven weg is., onder de fchaduw van vi'uchtbaa- 
re boomen , eene molen , in welke men mij de kamer 
wees, waarin de beroemde Jefuit sanchez zijn ge- 
leerd boek over de zedekunde gefchreeven heeft. De 
iandhoeve is met veele vertrekken , en alle gerieflijk- 
heden rijklijk voorzien. Hier hielden wij ons jaar- 
lijlö, in den. tijd van uitfpanning, vijftien dagen op. 

De 



Rëizë naar bn verblyf in GRANADA. 3^ 

De omliggende tuinen leveren de hcerlijkfle Yriich- IILafo. 
ten, en de hoogten, met olijf boomen beplant, de — ~~^ 
beste boomolie in overvloed op. De derde , San Igna- 
cio, ligt een weinig meer, dan een uur gaans van de 
flad , maar in de fchoonfle vlakte. In deeze ileet ik 
maar eenmaal met veele anderen eenen dag. 

Bijkans anderhalve uur gaans van de flad is de ver- 
maarde berg EL MONTE SANTO, of E L MONTE 

DE LOS M A R T YR E s , op Welken de heilige apostel 
Jakobus met zijne leerlingen , naar het getuignis van 
oude fchriften , vecle jaaren lang gewoond heeft. Op 
deezen berg ftaat een fraai welgebouwd kanunniken- 
ftift met eene nette kerk. . De heeren kanunniken zijn 
wel waereldlijke priesters; m^aar zij woonen echter 
te ümm 'm een huis, naar een klooster zweemende. 
Zij ondenvijzen , gelijk op andere iiniverfiteiten , in 
alle de weetenfchappen , hebbende veele leerlingen , 
die 'er allen in de kost gaan. Deeze geestlijken vol- 
gen de regels of leerfteliingen , hun door den beroem- 
den Jcfuit Sanchez op aartsbisfchoplijk bevel voorge- 
fchreeven. 'Dicht aan het ftiftsgebouw en de kerk 
wijst men nog de plaats , daar de apostel met zijne 
volgelingen, naar men zegt, gewoond heeft. Ook 
ftaan 'er nog de ovens , in welken , ten tijde der ver- 
volging, door de heidenen veele vroome martelaars 
en bloedgetuigen van Christus verbrand zijn. De 
ovens zijn met ijzeren trahen wel bewaard , opdat 
'er van de heilige asch niets vervreemd worde. De 
overoude fchriften liggen welverflooten onder groote 
ronde fteenen op die plaatfen , daar zij gevonden 
zijn 5 en werden ^tlhn door eenen onzer taalkiiïidigfle 
Cs Bol. 



Mflj 



36 



REÏZE NAAR PERl/* 



1749. 



ÏII. AFD. Bollandisten ^ , op der kanunniken verzoek uit ds 
Nederlanden henvaard gereisd, tot de grootfle ver- 
baazing van allen , die 'er tegenwoordig waren , ge- 
leezen en uitgelegd. Hij nam ook van allen een af- 
fchrift mede , met belofte , om alles , onder den feest- 
dag der wegvoering des heiligen Jakobus , jaarlijks op 
den dertigften van AVintermaand invallende , ter druk- 
pers te bevorderen. 

Na verloop van een jaar werd ik door mijue over- 
flen' naar Gordova gezonden, om de priesterorde te 
ontvangen ; dewijl de aartsbisfchop van Granada, 
fleeds bedlegerig , niet in (laat was , om mij de pries- 
terorde te geeven. Nadat ik door veele fraaie fteed- 
jes, vlekken en dorpen gereisd was, kwam ik den 
derden dag in cordova aan. 

Twee maanden verliepen 'er, eer ik de priesterlijke 
waaa-digheid ontving. Daarna keerde ik over mon- 
TiLLA naar Granada te rug. Ik las daar op den 
feestdag van den zoeten naam Jefns de eerfte mis, 
en begaf mij vervolgens weder naar Kadix en Puerto 
de Santa Maria , om mij tot het vertrek naar Indie 
gereed te houden. 



8 Bollandisten. Zo werd voorheen een geftootfcliap ge- 
leerde Jefuiten genaamd, die zich omtrent het jaar 1641 
te Antwerpen bijeenvoegden, en 'er hun werk van maak- 
ten , om de leevensgefchiednisfen van Heiligen optefame- 
ïen. Zij gaven ze uit met oordeelkundige aantekeningen, 
en fchikten ze naar den Roomfchen almanak. Zij hebben 
dat werk veele jaaren lang voortgezet , en droegen deezen 
naam naar zekeren Jefuit, Bollandus genaamd, die 'ef de 
aanlegger van was, 

VIER^ 



VAN KADIX NAAR KARTHAGENA 



VIERDE AFDEELING. 

REIZE VAN KADIX KAAR KARTHAGENA 
IN WESTiNDiE. 

Den elfden van Wijnmannd des jaars 1740, gingen IV. afd 
wij voor de tweede maal te fcheep , onze reize naar 
Kaïthagena in VVestindien ^ voortzettende. In het 

fchip 

9 De heer ba yer fpreekt hier Cgelij^^^ hij ook in 't voor- 
gaande reeds dikwijls gedaan heeft, en in ^c vervolg deezer 
Reisbefchrijving nog ontelbaare maaien doen zal) van In- 
diaanen , en van Indie of JVestinclie , en verftaat daardoor 
de Amerikaanen en Amerika, 't Moet iemand , die dit 
riadenkt , vreemd dunken , hoe dit land en volk aan deezan 
naam gekomen zij ; te meer, daar hei door de grootfte zee, 
op den aardbodem bekend , van Indie afgefcheiden is. 
Wiemand, voor zo veel ik wqqx., is onverdraagzaaraer om- 
trent deeze benaaming , dan de beroemde aardryksbefchry- 
ver , de geleerde heer f. /s. bpsching, gelijk hij in zijne 
wochentlichi nachrichten von Geographifchen- Bücher op 
veele plaatfen te kennen geeft. Schoon ik dit jgebruik juist 
niet goed wil keuren, meen ik nogthans, dat het vergeef- 
fche moeite gedaan is , deeze benaaraingen weder in on- 
bruik te willen brengen. Zij zijn niet alleen zo oud , ais 
de ontdekking van Amerika zelve, maar ook zo algemeen 
dat zij van geleerden en ongeleerden op gelijke wijze ge- 
bruikt worden. Dit laatfte behoeft geen bewijs. Behalve 
de gewoonte om in onze daaglijkfche verkeering , de eigen- 
lijke inboorlingen van Amerika fteeds Indïaanen te noemen 

Cs 




R E I Z E N A A li P E R (J. 



1750, 



ÏV. AFD. fchip waren vier en dertig Jefuiten 5 twee Dominikaa^ 
" nen , en acht kooplieden , waarvan ibmmigen flechts 

naar 

beroep ik mi] , onder tallooze andere werken , alleen op 
het ongemeen nutug, treflijk en vermaaklyk werk der hee- 
ren d. george juan en d> anïonio de ulloa, 
onder den tijtel van Histortfche Rehbefchrijving van ge- 
heel Zuid' Amerika, in twee deelen in groot Quarto, met 
kenrlijke landkaarten en plaaten uitgegeeven; in welk ook 
deeze benaamingen genoegzaam op elke bladzijde voorko^ 
men. Ondertusfchen zal het , dunkt mij , niet ongevoegiijk 
weezen, bij deeze gelegenheid, ten dienste van mingeoef- 
fenden, hier den oorfprong deezer benaamingen kortlijk 
aan te wijzen , en de reden op te geeven , waarom zij zo 
oud zijn, als de ontdekking van Amerika zeb/e. De waa- 
re en eigenlijke ontdekker van dit vierde waerelddeel , 
CHRISTOPHER coLUMBUs (die ook de eerc had moe- 
ten genieten , dat het naar hem en niet naar Jmertcus Fes- 
pucius genaamd was) was in die verbeelding, dat de 
nieuwontdekte landen met Indie in Afie famenhingen , niet 
kunnende begrijpen, dat 'er een zo verbaazend groote af- 
ftand tusfchen dezelven en dat gewest was. Hij meende ook 
nog door de voortbrengfelen zijner nieuwontdekte landen 
in zijne onderftelling verflerkt te worden. Althans zijn ge- 
voelen kreeg niet alleen bij de' Spanjaarden , maar ook bij 
. de andere volken van Europa de overhand , merkende de 
landen, door hem ontdekt, als een gedeelte vzw Indie aan. 
Ingevolge dit denkbeeld werd door Ferdinand en Ifabella , 
koning en koningin van Spanje, in opene Boeven , in 
1493 aan Colunibu's verleend, aan dit land den naam van 
iNDiE gegQQ\Qx\. Zie daar den oorfprong deezer benaa- 
ming. En, toen men naderhand de dwaaling, die hiertoe 
inleiding had gegee ven, ontdekte, en de waare gefleld- 

heid 



VAN KADIX NAAR KARTKAGENA. 39 

fiaar Karthagena , maar anderen met ons naar Lima iv. afi>. 



reisden. Met onze dienstbooden, en het fcbeeps- 
■volk, waren wij te fiimen zes en negentig perfoonèn. 
Het ichip was een Engelscli maakfel, maar door fom- 
mige, Spanjaarden gekocht. Het droeg dcii naam la 
Virgen del rofario , voerende drie groote masten , 
vier zwaare ankers, en dertig ft ukken kanon.' Den 
twaalfden van Wijnmaand werden de ankers geligt , 
en des morgens ten zeven uur voeren wij uit de haven van 
•Kadix in den oceaan , tot ónze befcherming verzcld 
door twee oorlogfchepen , ieder van tachtig ftukken. Flet 
eene , een Spaansch , el Soherbio genaamd , zeilde 
naar Vera Cruz in Mexiko, Het andere was een En- 
gelsch, the prince Henry ^ welk ons, om tegen de 
Marokkaanfche zeeroovers des te beter beveihp-d. te 
zijn 5 tot de Kanarifche eilanden geleiden mioest • 
waarvoor den Engclfchen kapitein door de twee 
Spaanfchen twee duizend harde daalders betaald wer- 
den. 

In 't eerst hadden wij een' zeer gunftigen wind^ zo^ 
dat wij nog op dien zelven dag de ftad Kadix, en liet 
Spaaniche gebergte uit het gezigt verlooren. 

Den dertienden ontmoetten ons drie groote Holland- 
Cclie fchepen. Wij werden met hun bijna den gant- 
fchen dag door eene ftilte opgehouden. Den veertien- 
den 

heid van dit vierde waerelddeel kerde kennen , is echter 
die naam overgebleeven ; en alle volken van Europa noe« 
men dit land we s tin die en de inwooners indiaanen. 
Men zie w. roberts on 's gefchièdenis van Amerika,, 
£). I. bladz. 179, i8o. 

C4 



1750- 



^'1 



40 



R E I,.Z-E NAAR P E R m 



■ , r 



j;5o- 



IV. AFD. den ftoiid' & d|s nachts ten twee uur een gunflige 

' wind op , maar die omtrent, twee uur des namiddags 
weder in eene ftilte veranderde; Bij deeze gelegen- 
'ïièid zond ons de kapitein van het Engelfche Ichip in 

'''de boot zijnen ftuurman, ons onderrechtende , hoe 
wij ons te gedraagen hadden , indien 'er bij geval een 
Marokkaan sch zeeroover mogt ontdekt worden. Om- 
trent zes uur des avonds begon dezelve gunftige wind 
weder te waaien, maar den volgenden dag eindigde 
hij in eene ftilte. Ondertusfchen verkortte ons het 
fcheepsvolk den tijd .met fraaie Spaanfche danfen. 

-. ...Beji zestienden van Wijnmaand met het aanbreeken 
Van den dag verhief zich een gunstig windje , dat in 
korten tijd tot een' fterken ftorm overfloeg. Den ze- 
ventienden volgde 'er eene-ililte op, die ten tien uur 
des morgens door een' zachten wind verdreeven werd. 
Den volgenden dag, bij zonnenopgang, kreegen wij 
eenen gunstigen wind , maar die kort daarna ons te- 
gcnhep , en in eenen zo zwaaren ftorm veranderde , 
dat het fcheepsvolk aan eene andere rcize moest ge- 
denken. Hij hield den gantfchen dag en den gant- 
^|i;hen.iiacht:ondür géftaadig blikfemen, en ijslijk ge- 
raas der zee aan, zodat wij allen vlak op den grond 
zitten , en om den honger te ftillen fleclits iets kouds 
gebruiken moesten. 

Den negentienden woedde de ftorm nog geduurig 

■ voort _, en de donkere hemel goot uit zijne zwaare en 
zwarte wolken menigvuldige piasregens op ons 
neer. De woeste baaren floegen van alle zijden met 
de grootfte onftuimigheid en het vreeslijkst geweld te- 
gen het fchip, en' de onbefchrijilijk hooggaand? 

zee 



1 



VANKADIX NAAR K A Ps. TH A G E N A. 



41 



zee Veroorzaakte ons fchrik en ijzing. Dit hield zo IV./Afjp, 
g-eftaadio; tot den twee en tvvintigften aan , toen de op- ~T~~T" 
klaarende hemel onze neergellagcn gemoederen weder 
een weinig opbeurde. Daar vertoonden zich ook 
kleine yuurvlammetjes, hier en daar in de lucht flik- 
kerende, als zekere voorbooden der aandaande op- 
klaaring des hemels. Zij volgde ook den drie en twin- 
ïigften t-ot onzen grootden troost. Doch den vier en 
twlntigften des avonds ilond die zelve florraachtige 
tegenwind weder op, herzettende de zee in voorige 
woede. Den vijf en twintigflen verer^^erde het bijkans 
clkcn oogenblik. De duistere en dikke wolken dee- 
•den een' geftaadigen piasregen neerilorten , en omtrent - 
-middernacht werd de beroering der zee zo groot, dat 
wij ons reeds voor veriooren hielden. De onzigtbaa^ 
Te hemel fchoot uit zijne flikdonkere wolken van alle 
kanten vreeslijke blikfemflraalcn , en deed de ijslijkfte 
donderflagen hooren. De flormende wind huilde en 
loeide met geweldige kracht. Hier opende de zee 
zich als tot den afgrond , daar verhefte zij zich in he- 
melhooge golven , die , geduurig op het fchip neerftor- 
tende , hetzelve niet zelden overdekten. Alle de zei^ 
\q.\\ , een half alleen uitgezonderd , werden gereefd. 
Wegens het geweld der beroerde zee , wederftond 
het roer de krachten der ftuurlieden , en wilde zich 
niet langer van de eene naar de andere zijde laaten 
wenden. In ons vertrek bragten wij, onder geducht 
ftilzwijgen, den tijd al biddende door, gelijk de gee- 
nen , die den dood verwachten. Omtrent twee uur 
des nachts begonden de v/oedende baaren der zee ee- 
liigzins te verminderen. Aan de fpitfen der masten 



C 



ver-^ 



^i 



42 



R E I Z E NAAR PERU. 



I75Q, 



IV. AFD. vertoonden zich vimrige dampen , naar brandende 
fakkels gelijkende , door de Spaanfche zeelieden fari' 
telmo genaamd. Deeze vimrige dampen klimmfen uit 
zee op, en verheffen zich tot de toppen der (lengen, 
daar zij van den eenen op den anderen fpringen , en 
na eene korte wijle in de lucht verdwijnen. Zo lang 
zij aan de fpitfen der masten gehecht blijven , zijn ze 
een teken , dat de florm zich haast zal leggen. Maar 
daalen zij neerwaard, en zetten zich op het verdel?:^ 
dan wordt de ftorni doorgaans fterker, en het fchip 
geraakt in gevaar, om in ftukken gcflageh te worden 
of te, zinken. Dev/ijl nu deeze lichtende zeefakkels 
zich in 't bovenfte der masten ophielden , en na yerr 
loop van eenigen tijd aldaar verdweenen , hefte de ka- 
pitein, vol vreugde en troost, het gezang: Gegroet 
zijt gij Koningin enz. aan , w^ik het overige fcheeps- 
volk driemaal ten einde toe vrolijk zong. Terftond 
hierop zond hij iemand in ons vertrek met de heuglij- 
ke verzekering, dat wij niets meer te vreezen hadden, 
Den zeven en tvv^intigften naderden de drie fchepen 
elkander, verhaalende hunnen doorgeftaanen angst, wer 
gens den gevaarlijken (lorm, waarin zij echter niet 
yan elkander geraakt waren. Den dertigflen blies een 
zeer gunftige wind in onze zeilen, en tegens vier uur 
des avonds gaf het Engelfche fchip door een fein te 
feennen, dat het reeds de kanarische eilan- 
den zag. Nadat onze twee andere fchepen ze ins* 
geiijks ontdekt hadden, deeden zij het zelve, Umtrent 
zonnenondergang waren wij 'er zo nabij , dat wij ze , 
wegens de heldere kicht, met ons bloote oog konden 
zïm* Den volgenden dag met ijet opgaan der zonne 

be- 



u 



1750. 



VAN KAïyiX NAAR KAitTHAGENA. 43 

bevonden wij ons dicht bij het eerfte deezer eilanden , IV. afd. 
die reeds genoeg .hekend zijn. 

: E>en eerflen van Slagtmaand kwamen wij en het 
Engelfche ooriogfchip voor Teneriflii ten anker; maar 
het Spaanfche el Soberbio zette zijne vaart naar Vera 
Gruz in 't koningrijk Mexiko 'VOort. De kapitein nam 
met acht fchooten aficheid van ons , welken eerst de 
Engelschman, en daarna wij, met even zo veelen 
beantwoordden. 

liet eiland teneriffa is een van de gewigtig- 
flender Kanarifche' eilanden. Het is in graanen, fui- 
kcr en wijn zeer vruchtbaar. De wijn is wel goed 
én fterk , maar zeer zoet , en meer voor de vrouwen ,, 
dan voor de mannen gefchikt. Ook is het eiland bij- 
zonder wei bevolkt. Zijnen vermaarden berg pik o, 
twee duizend twee honderd drie en tachtig landmeeters 
reeden hoog, ziet men op zee bij helder weer bijna 
Vestig nuren verre. Op het eiland liggen twee groote 
Heden laguna en o rata va. De laatfte heeft 
eéfie goede haven, die door eene ilerke citadelle be- 
ichermd wordt. Daar wordt de grootfte handel ge- 
dreevcn. De Engelfchen houden 'er eenen konful en 
verfcheidene falaoors. Laguna is de verblijfplaats 
des Spaanfchen bevelhebbers over alle de Kanarifche 
eilanden. Zij is wel gebouwd, en heeft twee paro- 
chiekerken , twee nonnenkloosters , en vier monniken 
kloosters. In de omliggende landflreek groeit de al- 
lerbeste foort der ' vermaarde malvezij, liet eiland 
Iieeft ook nog eenige andere kleine ftedeii, waarvan 
de bekendde santa cruz is. In de fchoone ha- 
yen deezer ftad, v/ierpen wij het anker uit, gingen 

aan 



';i 



m 



44 



ïl E I Z E 'N A A R PER r. 



'^'1 



ï/50. 



ÏV. AFD. aan land , en reisden drie dagen op het eiland rond. 
Daags na onze aankomst liep ook het Spaanfche 
oorlogfchip Epiridion hier binnen. Het was eenen 
dag na ons uit de haven van Kadix gezeild , en bragt 
den aartsbisfchop van Lima naar Peru. Wij begaven 
ons terftond in eeiie boot , om hem van onze hoog- 
aciitingte verzekeren , en werden zeer beleefd van hem 
ontvangen. Ook lag in deeze haven een Westindisch 
fchip , la Limenia genaamd , met geld en koopman- 
fchappen van Lima naar Kadix ftevenende. Vijf dagen 
te vooren was het op de kust van Afrika door twee 
Marokkaanfche zeeroovers aangetast. De Spanjaar-^ 
den weerden zich zeer dapper ; en toen zij ten laatfte' 
geene ijzeren kogels meer hadden, laadden zij hun 
gefchut met Spaanfche daalders. Het fterk en aan- 
houdend fchieten werd door twee Portugeefche oor- 
logfchepen, die op de Marokkaanfche zeeroovers 
kruisten , gehoord. Zij kwamen het Spaanfche fchip 
inet allen fpoed te hulp ; maar , toen de Marokkaanen 
dit vernamen, lieten zij het aangegreepen fchip vaa- 
ren , en zetten alle zeilen bij , om naar de Afrikaan-» 
fche kust te ontkomen. Het geredde Peruaanfche 
fchip zocht deeze haven van TenerilFa op, ten einde 
zijne geleeden fchaade te herflellen. 

Den vijfden van Slagtmaand, des namiddags ten 
vier uur, ligtten wij het anker, en bereikten den vol- 
■genden namiddag de drie laatfte Kanarifche eilanden , 

GOMERA, HIERO of FERRO CU PALMA. 

Den zevenden verlooren wij de Kanarifche eilanden 
^iit het gezigt. Den volgenden dag liepen wij de golf 
©E LAS DAMAS , of dc Vicuwenzce , iu. Zij 

wordt 



Van kadix naar karthagena. 



45 



i75o« 



wordt zo genaraiid, omdat men 'er nooit ftorm te IV. afb. 

vreezen liceft. Daar waait beftendig een gunftige ' 

oostenwind, die de fchepen in hunne vaart naar 
WesLindie treflijk bevordert. Doch de terugvaart 
uit Indie naar Europa kan niet over deeze zee geno- 
ifien worden, dewijl 'er geen ander, dan «alleen de 
oostenwind waait, die den terugreizenden volkomen 
tegen is. Hierom moeten zij van Karthagena hunnen 
weg door de gevaarlijke ftraat van Bahama naar de 
Havana neemen , om in de golf de las yeguas, 
^of in de Merdenzee te komen, en aidaar een' gunsti- 
gen wind naar Europa te zoeken. 

Den twaalfden traden wij in den keerkring der 
kreeft, welks ongemeen lastige Jiitte wij genoegzaam 
ondervonden , bijzonder van negen uur des voormid- 
dags tot vier uur des namiddags ; vooral wanneer ons 
eene llilte overviel , of gztw frisfche koelte zich ver- 
hief. Hier kondigde het Scheepsvolk onder trompet- 
tengefchal het bevel van hunnen koning Neptunus af, 
welk zij aan de groote mast ophingen. Het was eene 
vrolijke vertooning. Om een uur des middags ver- 
kleedden zich alle de matroozen als krijgsknechten , 
en trokken van het voorfle deel des fchips , in de 
beste krijgsorde , met trommelen en pijpen , met fnap- 
haanen op de fchouders, en fabels aan de zijden , 
uaar het achterend, daar de troon van hunnen zeeko- 
ning Neptunus reeds opgerecht flond, dien zij in de 
gedaante eener halvemaan omringden. Hierop liet 
zich de zeekoning , die boven in de mast in de fchild- 
wachtshut verborgen lag, langs een touw neer, en 
werd terftond door zijne krijgsknechten op den troon 
geplaatst. Eerst werd de kapitein met zijne drie 
' ' ' ftuur- 



/(' 



46 



R E I Z E NAAR PER V, 



IV. AFD, 



^75°' 



rruuriiecieii voor bet gericht geroepen, dien hij ïn 
• toorn met deeze woorden aanfprak : „ Vermetel 
5, mensch , wie heeft u verlof gegeeven , om tot in 
5, het binnenfce van mijn rijk intedringen , en mij in 
5, mijne rustte ftooren ? Vfeet gij niet, dat nie- 
„ mand zich buiten mijn weeren en wil onderwinden 
5, mag, tot in deeze ftreeken te vaaren." De kapi- 
tein ontfchuldigde zich met de zijnen , zo goed als hij 
kon. Dan , hij kreeg echter een fterk verwijt van den 
zeekoning , gelijk ook alle de anderen , die vervolgens 
voor hem geroepen werden. Ten laatfte leide hij al- 
len zekere ftraf op. De kapitein en andere weigegoe- 
de fchéeplingen^ moesten zonder uitftel , ieder drie kan- 
nen wijn , of het geld daarvoor ; die van den middel- 
fland twee ; en zij , die niet veel hadden , eene maat wijn 
geeven. Kon nu iemand deeze ftraf niet betaalen, 
die werd terftond, aan een touw wel vastgebonden ^ 
driemaal in de zee gedompeld. 

■Den achttienden zagen wij de zogenaamde "joladores ^ 
of vliegende visfchen ^ , in menigte rondom ons 
fchip, waai-van 'er fommigen op het dek vielen. Want 
zo dra hunne vleugels in de lucht droog worden, 
vallen zij weder in zee neer. Zij zijn niet grootér 
dan een haring. Haare vlerken zijn gelijk die der 
vleermuizen. De visfchen zijn zeer goed om te eeten. 

Den derden van Wintermaand vierden wij door het 
zingen van een hoogampt het feest van onzen Indiaan- 

fchen 

ï> Exocoetiis voHtans l i n n. Hinindo rondelet. Mil- 

VUS SALVIANI, BELLONII, &C. WI LL O U GH BE 11 /?/)?. 

pifcium^ p. 283. tab. S. 6. De visch vlugt voör de Do- 
raden, M. 



.1 



tfi^iüPi 



V A N KA D ! X K A A El K'A R T II A G E ^^ A. 



47 



klitn apostel , S. Xaverius , waarbij alle de krijgs- iv. Afu, 

knechten met fnaphaanen optrokken , en driemaal in 

beste orde vuur gaven. ^75^- 

Den vierden omringde ons cene gantfche heirfchaar 
zo van vliegende als zwemmende visfchen. Den vol- 
genden dag hadden V\^ij(l:erken wind met veel regen. Om 
ons fchip drceven veele kruiden in zee, waaruit wij 
konden voorfpellen , dat wij niet ver van het vaste 
land waren. Den zevenden nam de wind zo zeer 
toe , dat wij niet meer dan twee zeilen konden ge- 
bruiken. Zeezwijnen omringden hét fchip hv groote 
menigte. Omtrent negen uur des morgens betrok de 
lucht met eene zwarte en dikke wolk, die veele 
piasregens over ons neergoot. 

Niet ver van ons vormde zij zich van boven tot in 
de zee in de gedaante eener zuil , die flangswijze ge- 
vlochten , en met een' wei-velwind gepaard was. De 
Spanjaarden noemen dergelijke waterzuilen of water- 
hoozen bomba del mar. De dikke ^n zwarte wolk , die 
met regen gelijk als zwanger ging , opende zich met eene 
verfchriklijke fcheur , waarna de flangswijze gekronkel- 
de zuil tot in het water neerzonk , daar zij wegens 
het geweld des wervelwinds , dien zij veroorzaakte , 
eene wijde en groote opening maakte, uit welke 
zij , gelijk een Typhonfche waterzuil c , ongelooflijk 

veei 

c BuFFON üdt tweederleie foorten van waterhoozen, 
waarvan de eene uit langwerpigronde en door hevigen wind 
flerk fainengeperste wolken; en de andere, de Typhon ge- 
naamd , in den grond der zee ontftaat , welke hij ami een 
onderaardsch vuur toefchrijft. In de vermischte beyirdo 
gen zur phyfikalifchen erdbefckreibung, tom. i. bladz. 
: IJ &c. wordt van deeze waterlioo:2ên gehandeld, M, 



4S 



R E I ^ E NAAR P E R Ui 



iV. AFD, 



1/50. 



' A 



veel water onder een ijslijk fuizcn en bruifchen tot in 
de wolken optrok. Hoe groot het geweld van zodaa-* 
nige waterzuilen zij , kan men daaruit afleiden , de- 
wijl de zee, ónder het grootfte geraas, een' ontzag- 
lijken draaikolk vormt , die vreeslijk woedt , raast en 
zich in de hoogte verheft. Indien het fchip door Her- 
ken wind naar zodaanige waterzuil mogt gedrceven 
worden , is 'er geen beter middel voorhanden , om het 
gevaar te ontwijken , dan dat 'er fchielijk eenige Huk- 
ken kanon , met icherp gclaaden , tegen dezelve afge- 
fchooten worden, opdat de fteunfels, of, om beter 
te zeggen , de verceniging der waterhoos met de wolk 
door de kogels afgefneeden worde. Terftond valt al 
het water, gelijk een wolkbreuk, weder in zeeneer, 
eer het fchip daarin komt. Deeze waterzuil vertoon- 
de zich ter rechter zijde van ons fchip , en was zo 
ver van ons , als een kanonkogel reiken kan. Zi] 
duurde niet langer, dan een half kwartier uur, waar- 
na de donkere wolk wegdreef , en de waterzuil voor 
onze oogen verdween. 

Den achttien van Wintermaand lieten 'er zich ver- 
fcheidene vreemde vogels in onze masten zien , waar- 
van fommigen door het fcheepsvolk gevangen werden* 
Den negenden tegens den middag kreegen wij de an- 
TiLLES of Vooreilandcn in 't gezigt, zeilende des 
avonds omtrent vijf uur gelukkig door de enge liraat 
tusfchen de eilanden dominique en marti- 

NIQUE. 

Den dertienden van Wintermaand ontdekten wij 
des morgens ten zeven uur de twee eilanden cura- 
CAO en ORUüA. Den vijftienden zagen wij van 
verre in een' Ideinen zeeboezem aan de kust der wilde 
Indiaanen een fchip , naar allen fchijn een' zeeroover. 

Want 



.1 



VAN ïvADI.t NAAR KAKTilAGEkA. 



45? 



'?5ö- 



iVant in dccze wateren gebeurt het niet zelden, dar IV. /fd, 
wilde Indiaanen zich met zeeroovende Enropeërs ver- 
eenigen, om Spaanfche fehepen te pionderen. De ka- 
I)itein gaf terftond bevel , om al het gelchut fcherp te 
laaden, en alle de fnaphaanen en fabels onder het 
fcheepsvolk uittedeelen , ten einde in geval van nood 
tegenweer te doen. Doch nader bijkomende, zagen 
wij, dat het zeerooversfchip op eene zandbank vast-* 
geraakt, en ten eenemaal Icedig was. 

Dien zelven dag , des ochtends ten negen unr , lie-* 
pen wij de groote rivier , door de Spanjaarden r i o 
GRANDE genaamd, in. Het Water, welk zich et- 
lijkc uuren ver met het zeewater niet vermengt , was 
zeer troebel , en zo diep , dat wij vijf- of zesmaal het 
dieplood uitwierpen, en nogthans geen' grond kon- 
den peilen, fchoon wij naauwlijks een' musketten- 
fchoot van het vaste land waren. Deeze groote ri- 
vier in TERRA FIRMA, of het koningrijk santa 
FE, ook NIEUW GRANADA gehceteft , eene pro- 
vincie in Zuid -Amerika, ontftaat uit twee rivieren, 
naamlijk de kauka of S. martha, en de S* 
magdalena; waarvan de eerfte in de provincie 
]-opaian , en de andere in Nieuw Granada ontfpringt. 
Een uur daarna hadden vv^ij een onbelemmerd gezigt 
over het geheele vaste land van dit koningrijk , welks 
kust naauwlijks twintig of dertig fchreeden van ons 
afwas. Zijne oppervlakte is bijkans met de zee gelijk. 
Deeze fchoone en groote vlakte ftrekt zich drie of vier 
uuren uit, eer de ho^ge Amerikaanfche bergen hun 
begin neemen. Hierom moet het fcheepsvolk, bij- 
zonder des nachts, zorgvuldig acht geeven, opdat 
het fchip wegens de laagheid des oevers niet in ge- 
vaar van te Itranden geraakte, 

D Oii^ 



M 



R E I 2 E NAAR. P Ë Pv Ü. 

Omtrent elf uur ontdekten wij de bergen van Ktir^ 
thagena , en des namiddags ten twee uur waren wij 
reeds tegenover den berg, door de Spanjaarden el 
::^IONTE DE LA PO PA genaamd, op welken eeri 
Augufrijnerkiooster, benevens eene fraaie en groote 
kerk, ftaat. In de kerk wordt een groot Mariabeeld 
Vereerd, hebbende bijzonder de fcheepslieden een 
groot vertrouwen tot dat beeld. Hier hefte voor het 
Icheepsaltaar een .priester het Salve regina aan, welk 
cle anderen , onder het losfen van veertien frukken ka- 
ten einde toe zongen. Daarna begon de pries- 
ter het Te Deum , welk choorswijze door de anderen 
voleind werd. Hier omarmden wij ons allen op het 
fchip, en wenschten eikanderniet vreugdetraanen ge- 
luk wegens onze behouden en gelukkig volbragte rei- 
ze. Ten vieriiur waren wij tot aan den ingang der 
buitenhaven ^o, door de Spanjaarden Boca chica of' de 
Kleine mond genaamd, gekomen, daar ons fchip we- 
gens het laage water liggen bleef, tot dat de zee b'j 
den gewoonen vloed weder opliep. Twee zeer fherke.. 
fchanfen , aan weerskanten des ingangS-jop fchiereilan- 
den gebouwd , befchermen dien tegen overrompeling. 
Die ter linker zijde noemen de Spanjaarden el Castilh 
de la tierra homba^ de andere ter rechter zijde el Cas- 
tillo ds la Paz. Van daar heeft men nog eenen af- 
itand van drie uuren van de fiad, dewijl de buitenha- 
%'en etiijke mijlen in den omtrek groot is. 



^° Men vindt eene nanuwkeurige en zeer uitvoerige 
knr.rc van de Haven of de Baai van Karthagena in het werk 
van D, A. DE ULLOA, I. Deel, tegenover bladz. 27. 

VIJF^ 



JCÖÏ^T EN VERBLIJF TE KARTIlAGENAi ^f 



VIJFDE AFDEELiNGo 

AANKOxMSt EN VERBLIJF IN KARTHAGENA. 

Den zestienden van Wintermaand werden wij door v. Avm 

veele hecren uit de fbd en van dé omliggende Ichier- — -^' 

eilanden bezocht. Op de zandbanken der fchiereilan- ^^^"^^ 
den , gelijk ook aan den zeêboezera , is alles vol zee^ ■ 
fchildpadden. Zij worden door de Negers en Indiaas 
nen met ccne lange ftang gevangen, welke zij dé 
•fchildpad onder den buik fchuiven, en ze daarmede 
omkeeren. Daarbij moeteii dccze lieden zich welin 
acht nemen, dat de fchildpad- iiict met haaren bck^ 
naar dien van een'^ grooten gier eenigzins zwcemen- 
de, eenen van hunne vingeren vatte; want anders 
bijt zij dien in een_ oogenblik af. Zij zijn zo groot ^ 
als eene middelmaatige eironde tafel. Het vleesdi o-e- 
lijkt naar rundvleesch , en is zeer goed te eeten, bi^ 
zonder wanneer het in de bovenfchaal der fchildpad 
2clve op kooien toebereid Wordt. 

men zelvm dag des middags omtrent twaalf uur 
zond de overfle der Jefuiten zijnen hofmeester uit de 
ftad met eene grootc boot, om ons uit het fchip in de 
11-ad te haaien. Dit vaartuig beilond uit een' enkelen 
tiitgeholden grooten boom, van boven met Indiaansch 
riet bij wijze van een dak gedekt, om ons tegen de 
^onneüraalen te befchutten. Men noemt ze honquen. 
Nadat wij van onzen kapitein en andere reisgenooteit 
affcheid hadden genomen, kwamen wij tegens den 
avond, omtrent vier uur, op het fchiereiland aan de 
D a OYêt- 



1/50. 



.1. 



■i 



5^ R E I Z E N A A 11 P E 11 Ui 

Y. AFD. overzijde der haven. Wij kusten van blijdfcbap den 
aardbodem, en verkwikten ons met Avandelen, proe- 
vende tefFens de eerde Indiaanfcbe vruchten. Bene- 
vens vccle meloenen, fandülas ^ die wij reeds ïii 
Spanje tot genoegen gegeetcn hadden, werden ons 
ook platanos en papaias voorgediend. 

De platanosboomen worden op aklcers geplant, die 

groote hooge bedden hebben, met diepe groeven, 

om er fomtijds water te kunnen inlaaten , vorderende 

de 'boom, als hif overvloed van goede vruchten zal 

voortbrengen , veel vochtigheid. Zij worden bij reien 

in nette orde dicht aan elkander geplant, en geeven, 

gelijk een dik woud , eene ongemeen koele fchaduw 

om te wandelen. De boom groeit niet hooger, dan 

een middelmaatigc pruimboom, en kan met beide 

de handen omvat worden. Hij is zo fappig en weck, 

dat hij met een mes gemaklijk door kan gefneeden 

worden. De bladen groeien boven in 't midden des 

ilams rondom; de meesten zijn twee of drie ellen 

lang, en eene halve breed; zodat een man zich met 

twee derzelven van vooren en van achter bedekken 

kan. De takken fchieten tusfchen de groote bladen 

uit, en zijn ook zo fappig en week, als de Itam. 

Van het midden tot de uiterde punt der takken brengt 

hij zijne vruchten voort, naar groote druiventrosfen 

gelijkende, maar met dit onderfcheid, dat in plaats 

der bezien de vruchten des platanosbooms naar eene 

worst van eene fpati lang en twee duim dik gelijken, 

in 't eerst groen, daarna wasgeel zijn. Rijp zijnde, 

breekt men ze af, en trekt er dé fchil van boven tot 

onderen met de vingeren af, gelijk men van eene 

raap 'kan doen. Het inwendige of haar vleesch 

zweemï 



--tm^mmm 




KOMST EN VERBLIJF TE KAUTHAGENA. 

zweemt naar harde geele boter, en heeft den aange- V. afd. 
aiaamflen gcurigden fpecerijfmaak. 

De papaiasboom groeit in de gedaante eens groor 
ten oranjebooms op. Een weinig hooger, dan hec 
midden des llaras, fcbiet hij zijne takken uit, die 
'er in fraaie orde rondom ftaan. De bladen gelijken 
naar onze wilde kastanjeboomen zeer veel. De vruch- 
ten komen boven uit den ftam voort, daar de tak- 
ken beginnen. Ieder boom geeft niet meer dan vijf 
of zes , die op gemelde plaats , als een krans , rond- 
om den ftam hangen. De vrucht zweemt naar ee- 
ne groote, langachtige, geele meloen-, zijnde haar 
vleesch ook aan dat der meloenen gelijk, maar veel 
weeker en aangenaamer van fmaak. 

Op hetzelve fchiereiiand onthaalde men ons, in 
eene hut, van Spaansch riet gevlochten, op eene 
avondmaaltijd zeer heerlijk. Het Engelsch bier, ons 
voorgezet, was ons Duitfchers zeer aangenaam, en 
wij gaven 'er de voorkeur boven deu Spaanfchen 
wijn aan. Het fchiereiland wordt meercndeels door 
negers bewoond, die allen flaaven zijn. Zij bebou- 
wen de akkers en tuinen , en wegens de groote zon- 
nehitteloopenzij allen naakt, hebbende niets om huii 
ligchaam dan eene korte fchort, die zly om de lende- 
nen binden. \Vij gingen ten twee uur des nachts bij 
helderen maanfchijn weder in de boot , om onze reize 
naarde ft-ad voorttezetten, en kwamen des morgens 
ten vier uur bij het kasteel S. sebastiaan aan, 
daar Wij den dag afwachtten. Dit en het tegenover 
gelegen kasteel op het andere fchiereiland befchermcii 
de binnenhaven, daar de fchepen liggen. 
Den zeventienden van Wintermaand, werden wij 

des. 



51- 



R E I Z E NAAR PEE. Ü, 



t 



_AFD. 3es ochtends vroeg, bij het openen der ftadspoorteii ^ 

door de onzen zeer beleefd cii viïendlijk ontvangen, 

'^°' 'Wij mankten kort daarna bij den ftadhouder en den 
bisichop onze opvvachthig , v/elke beiden ons ook den 
volgenden dag in onze vi^ooaing een bezoek gaven, 
Den zes en twintigden kwam eerst ons Ichip aan , cii 
werd nog- dien zelven dag docr het Spaanfche ichip 
Epiridion, den aartsbisfchop van Lima aan boord 
hebbende, gevolgd. De gemelde kerkvoogd werd 
den derden van Louwmaand des jaars 1751 in de 
- ^ domkerk van Karthagena tot aartsbisfchop ingewijd , 
welke ftaatlijke plechtigheid v^nj ook bijwoonden. 

K A p. T 11 A G E N A ^ ^ is de hoofdftad der audiencia 
4e Santa Fè , of des koningrijks Nieuw Granada. Zij 
is op een fchiereiland gefticht, welk door eene land- 
tong met het vaste land vereenigd is. Zo wel de 
voorfrad, als de ftad zelve, zijn met verfcheidcne 
zeearmen omgeeven , ook met hooge en dikke m.uu- 
ren en fterke bolwerken omringd. De vooyllad is 
door eene brug aan het vaste land gehegt , daar het 
kasteel S. lazarus op eene hoogte ftaac, dekkende 
iiiet alleen de voorllad, maar ook de flad zelve. De 
fcad heeft rechte en breede ftraaten. De huizen zijn 
deels van fteen, deels van hout opgebouwd. De ven- 

fter& 



i^ Een fraaie groudtekening van de önd Kanhagena, 
en haare omliggende landftreek is in het werk van d. a. 
lïE ULLOA te vinden L Deel, tegenover bladz. 21. Ook 
is de berchrijving , welke èen daar van dit Karihagena san- 
treft, veel breedvoeriger èm deeze van den heer baijeuj 
des men dat treilijk werk met veel vrucht met dit verge- 



■ü 



KOMST EN VERBLIJF TE KARTHAGENA 

fiers zijn niet met glasfchijven , maar met dooifchij- 
nend lijwaad voorzien. Zij kannen ook niet wel 
door ijzeren traliën worden verzekerd , dewijl de zout- 
achtige zeelucht al wat van ijzer is , in korten tijd op- 
vreet , en ten eenemaal onbruikbaar maakt. Wegens 
de vochtige zeelucht zijn de huizen van buiten met 
donkere verf gefchilderd. Behalve de domkerk zijn 
hier twee parochiekerken , een Jefuitenkollegie , vier 
mans-, en twee nonnenkloosters'. Het S.' Lazarus- 
huis, voor melaatfchen en lieden met de Spaanfche 
ziekte befmet, ftaat buiten de ftad. De andere arme 
kranken worden in het gasthuis der bermhartige broe- 
ders bezorgd. 

Onder alle de havens van Amerika wordt dceze 
meest bezocht. De invTOoners drijven ecnen zeer 
voordeeligen handel, bijzonder in paerlen, die van 
het eiland Margareta en andere nabijgelegene eilanden 
naar Karthagena gebragt , daar bereid en doorboord 
worden. De hitte is in dit landfchap, daar 't het 
gantfche jaar door zomer is , en de boomen jiooit zon- 
der groene bladen zijn, 'zeer groot, doch wordt 
ibmtijds door een frisfche zeelucht gemaatÏL^d. De 
lucht is 'er bijkans altijd vochtig warm , zodat de 
iigchaamen der menfchen genoegzaam den gelieeleii 
dag door met zweet bedekt zijn. Hierom is 
niet te verwonderen , dat het volk 'er ganisch bleek 
uitziet. In huis gaan de mansperfoonen zonder rok oi' 
veste in het bloote hembd met broek en kousfcn 
Wanneer zij uitgaan, beftaat hunne kleeding in zeer 
dun en ligt ftof. Het vrouwlijk geflaclit van goede 
afkomst is in huis eerbaar, doch wegens de zw&^i^ 
re hitte met zeer dunne en doorfchijnende rioiFen 



V. AFD. 




5Ö 



R. E I Z E NAAR PERU. 



U50. 



■i ^- 



V. AFü. geWeed ; weshtüvc zij in haare vertrekken cAtr^d 
witte fijne lijwaatcii gordijnen voor de venfters han- 
gen, waardoor zij zich lleeds in eene foort van fche- 
mering bevinden. Worden zij over dag door heercn 
bezocht 5 dan fiaan zij over haar bovenlijf een witte 
fluier, en blijven op haare kusfens zitten, zonder zich 
opterechten, of van de cene plaats naar de andere te 
bcgeeven. In de kerk draagen zij ov^er haare dinme 
kleeding een' zwarten fijnen taften mantel. Haare 
vingers gliniteren van de menigte brillanten ringen. 
Haare halfen zijn niet kostbaare fnoeren fijne en groo- 
te pacrien , of met rijke edelgelleenten , in goud ge- 
vat, verfierd. Niet minder kostbaar zijn haare voor- 
treflijke oor- en armlieraadcn. Het overige van haa- 
ren opfchik hangen zij op hooge feestdagen haare 
zwarte flaavinnen om, waarvan haar altijd vier of zes 
op de flraat als kamerjiiflers volgen, die zeer fchoon 
ïils zwarte godinnen in flaatzij achter haar gaan. Zo 
wel mannen als vrouwen, van hoogen en laagen Haat, 
rooken hier te land, v/egens de vochtige lucht, ta- 
bak, om de gezondheid te bew^aren, doch niet uit 
tabakspijpen ; maar zij neemen de tijnfle tabiiksbla-: 
den , winden ze rond in , maaken 'er een dun v/orstje 
van , een' vinger lang en dik , welk van binnen eene 
Ideine opening heeft; dit fieeken zij van vooren aan' 
en neemen het andere end in den mond , rookende dus 
den tabak zo lang zij willen , en blusfchende het ta- 
baksworstje uit naar heur welbehaagcn. De tabak 
heeft een aangenaamcn retik. 

De misfen worden 's morgens vroeg ten vijf uur 
begonnen, en door alle llandsperfconen bijgewoond. 
Wanneer men t^n doezen tijde van boven in de kerk 

neer- 



l 



KOMST !EN VERBLIJF TÈ KARTHAGENA. 



i7 



^7S<^* 



neerziet, glinftereii de edelgefteenten , welken de da- V. afd. 
mes in liaarc ooren , aan haare vingers en om haaren 
hak draagcn, zo zeer, dat men meenenzou, alsof 
de gchcele kerk met louter vuurvonken gevuld was. 
De priesters , welke op zon- en feestdagen het amps 
een weinig laater moeten zingen , hebben het grootfte 
ongemak, dewijl zij van hitte en geduurig zweeten 
over het geheele ligchaain bij het altaar bijkans be- 
zwijken zouden. Ten elf uur des voofmiddags wordt 
rojbliy misUlla^ of eene fles Spaanfehen wijn met be- 
fchuit, of met eenige andere foort van drank, op de 
tafel gezet, wara-van een ieder naar zijn genoegen gC' 
bruikt, om de maag wegens de groote hitte te ver- 
üerken ; 't wcjk de inwooners hazer las once noemen. 
Kort daarna wordt de tafel tot het middageeten aan- 
gerecht. Bijkans den geheelen namiddag wordt we- 
gens 'de groote hitte met waterdrinken gefleeten,. 
waartoe men alleen regenwater gebruikt, welk in de. 
regenbakken bewaard wordt , want alle de putten 
hebben zoutachtig water. 

■ Het onderfcheid der kleuren in het aangezigt hier 
te land ontilaat uit de vermenging van het bloed. 
13c blanken, als zij uit Europa herwaard komen, 
. worden mapetofies , de \Touwen mapetonas genaamd. 
Maar zijn zij van blanken in Indie gebooren, dan hee- 
ten zij criollos en criollas. Wanneer zich een blanke 
met een zwarte vermengt , dan komen de kinderen 
donkerbruin ter waereld , en men noemt ze mulatos 
en mulatas. Trouwt een zwarte of mulat met ee- 
n^ Indiaanfche vrouw, die meer wit, dan bruin is, 
dan worden de kinderen /fl??2^0i' oï famhas genaamd. 
En teelt een blanke met eene ïndiaanfclic vrouw 
D 5 ^^"^' 



am 



V. AFD. kinderen 



R E 1 2 E NAAR PERU» 



i75o. 



dan heet men ze , al komen zij ook zeef 
blank ter waereld, mestizQs en mestizast, en de go 
zigtskleur van deeze is de gezondile en leevendig- 
üe. Uit de meilizcn komen de ter eer ones ^ uit dee- 
zen de quarteroms ^ uit deezen de quinteroiies, en 
eindelijk uit deeze laatflen de pucimelos en puchuelas 
voort 5 die reeds onder het Spaanfche bloed gerekend 
worden. De zwarten en de bruinen beldeeden alle 
de bedieningen , oefFenen de handwerken , en nee- 
men den akkerbouw waar. De kinderen , hier te 
land geböoren wordende , kunnen reeds met vier of 
vijf maanden loopen en fpreeken; en 't is dus niet tö 
verwonderen , wanneer zij met hun zesde of zeven- 
de jaar reeds ten heihgen avondmaal toe worden 
gelaaten. 

De omliggende bergen , bosfchen en akkers zijn 
met een' aitijdduurenden zomerrok bekleed ; want de 
boomen verliezen nooit hunne groene bladen. De 
Wandellaanen zijn des avonds ongemeen aangenaam^ 
doch vreemdelingen moeten niet alleen gaan, dewijl 
ïn de -bosfchen veele wilde appelboomen , manzanillas 
genaamd, groeien. Zij geeven wel de verkwiklijkde 
lommer; maar, wanneer iemand flechts een vierde 
van een uur onder zodaanigen boom rust, begint hij 
allengs over zijn geheele ligchaam zo zeer optezwel- 
len, dat 'er geen middel meer te vinden is, om de 
zwelling te verdrijven. De menigte van vogelen, met 
de heerlijkfte kleuren pronkende, is hier zeer groot.' 
Papegaaien, waarvan 'er verfcheidene foorten zijn, 
worden door de vrouwen in het fpreeken wel afge" 
recht, en duur verkocht, 

ZES* 



émHH 



mmm 



EEIZE VAN KAaTHAGENA NAAR PANAï^ïA, '^9 



ZESDE AFDEELÏNG. 



i752< 



AEIZE VAN KARTHAGENA OVER PORTOBEÏ.* 
LO NAAR PANAMA. 

Nadat wij ons eene geheelc maand in Karthagena op VI. afd. 
hadden gehouden, gingen wy den negentienden van 
Louwmaand 1751 weder te fcheep, en den volgenden 
dag vroeg met eenen zo gunftigen wind onder zeil , dat 
wij binnen vier en twintig uuren bijden mond der haven 
van Portobello aankwamen. Dewijl wij aldaar onver- 
wacht door ecti' ftormwind overvallen, en in zee terug'^ 
gedreeven werden , bevonden wij ons den volgenden 
dag nagenoeg weder op de hoogte van Karthagena , daar 
wij vier dagen met de onftuimige baaren der zee te 
ftrijdcn hadden. Onze kapitein, een Hollander, be-^ 
ducht, dat de florm heviger zoude worden, vlugtte 
bij tijds in den zeeboezem van darien, daar 
wij tusfchen drie eilanden tegen de deiningen der zee 
een veilige fchuilplaats vonden. 

Deezc drie eilanden maaken een' vierhoek; want een 
^erzelven is met een ander door eene witte en vrij 
harde zandbank vereenigd , blijvende 'er aan de eene 
zijde zo veel ruimte over , dat een fchip daardoor zei-» 
Icn 5 en tusfchen dezeiven het anker uitwerpen kan. 
Wij gingen allen op deeze kleine eilanden. Zij zijri 
wel onbcvv^oond, doch vol citroenboomen. De ci- 
troenen zijn niet grooter dan een klein hoenderei; 
doch zij doen denzelven dienst als de grooten. Rond- 
om aan den oever ftaan veele kokosboomen , die zo 
groot worden als onze wiiligeboomen aan de beeken. 
Paar de fiam eindigt, is een dikke knop 5 waaruit de 



I, -1 



I 



i';^ 



'6o 



REIZE NAAR PEIIU. 



lil 



l J,t 



I751. 



YÏ.AFD. takken, ïils een boscli, tér lengte van drie of vier el- 
len voortfpruiten. Uit de takken, zeer week en fap- 
pig, komen de bladeren voort, twee dnim breed en 
drie of vier fpannen lang. De kokosnooten groeieri| 
onder de takken , ook uit denzelven knop , hcbbeBde 
van buiten eene groene dikke bast, zodat zij naar ee- 
jie groene kalebas gelijken. Deeze wordt met een 
flerk mes , of eene kleine bijl van de kokosnoot afgc- 
fchilt. De noot zelve, die zich in 't midden bevindt, 
beeft eene harde bruinachtige fcliil, en de grootte van 
een groot ganzenei. Boven aan zijn 'er drie gaatjes 
in, met een dun huidje toegegroeid. Dit huitje opent 
-men met het fpits van een mes ; en zo drinkt m,en het 
kokoswater uit de noot. liet heeft den fmaak en de 
kleur van amandelmelk, daarna wordt de noot van 
boven opengemaakt, en het vleesch, van binnen aan 
de fchil vastkleevende , en naar het wit van een hard- 
gekookt ei gelijkende, daaruit genom.en. Het heeft 
den fmaak eener amandel. De bultende bruine ko- 
kosfchaalen worden net bearbeid , gepolijst en bereid 
tot de fchoonile kopjes, waaruit men hier te land de 
chokolaad drinkt. 

Behalve decze drie eilanden is deeze zceboezeni 
van Darien met meer dan drie honderd andere kleinen 
als bezaaid, die onbewoond, doch met veele citroen- 
en kokosboomen verfierd zijn. Langs den oever dee- 
zti' eilanden zijn aan de boomcn veele kleine bootjes 
vastgebonden, welken de wilde Indiaanen van het vas- 
te land van Darien , die 'er fömtijds opkomen , tot 
hunnen vischvangst gebruiken. Deeze golf van Darren 
wordt door de Indiaanen uraba geheeten, naar dë 
groote rivier darien of uraba , die zich aldaar in 

de 



«P 



1751' 



REIZE VAN KARTKAGÊNA NAAR PANA^^^. ^l 

-de zee ontlast, en zo wel aan de golf, als aan het Vï. afd. 
omliggend vaste land den naam geeft. Het landfchap 
DARiEN wordt door zeer wreede Indiaanen, die den 
Spaanfchen naam noch weeten , noch kennen willen , 
bewoond ; weshalve wi] ons ook niet onderwonden , 
om hunne haven inteloopen , hoewel de koning van 
Spanje ■ hun jaarlijks veel geld betaalt , opdat zij den 
Spanjaarden , die 'er in nood het anker uitwerpen , in 
liefde en vriendfchap de noodige leevensmiddelen 
zouden verkoopen. 

Geduurende deeze drie dagen, welken wij tusfchen 
dceze eilanden doorbragten, vulden wij ons fchip met 
citroenen en kokosnooten. Het water, op de witte 
zandbanken naauwlijks anderhalve fpan diep , is vol 
visfchen , rayas d genaamd. Wij vingen 'er in dien tijd 
meer dan drie honderd van. De visch is rond , gelijk 
een tafelbord , maar niet dikker dan bot of blij. De 
ftaart is omtrent drie fpannen lang. In 't midden 
groeit 'er een pijl, ter lengte eener halve fpan , en zo 
hard als een balein, uit. Met deezen pijl flaat de 
visch , wanneer 'er op getreeden wordt, in den voet, 
die terftond opzwelt , en het geheele ligchaam worde 
doodlijk vergiftigd. Een gereed hulpmiddel is het , 
wanneer een pijl van deeze visfchen terftond met vuur 
verbrand wordt, en de gewonde den reuk daarvan 
door den neus in het hoofd ophaalt; gelijk de kapi- 
tein en andere geloofwaardige lieden , die het of zelven 
gebruikt, of door anderen in dergelijke oraftandighe- 
den gebruikt gezien hadden , ons verzekerden. Deeze 

vis- 



d Pastinaca tnarïna prima 
paitinaca link. De pijlüaari. 



RONüELETii. Raia 
M. 



fó 



R E I 2 E N A A H PERU. 



■{ ' 



i75i' 



Vl, ATTt. visfclien liggen op het witte zand in het water onbé'» 
weeglijk flil , niet wcgzwemraende , al wordt 'er oois 
met den voet op hen getreeden; en dewijl zij boven 
op den rug donkerbruin zijn , worden zij in het water 
op het witte zand reeds van verre gezien. Zij wor- 
den op deeze wijze gevangen: men foijdt op de eilan^ 
den van fterk hout dikke ftokken , en maakt die van 
onderen fpits. De een fteekt daarmede den visch op 
den rug , en drukt hem in 't water (lijf aan den grond , 
terwijl cndertusfchen een ander met eene kleine bijl den 
Haart afhakt. Zij zijn veeL beter te eeten , dan de 
blijen* 

Den zeven en twintigften van Louwmaand , nadat de 
woede der zee bedaard was, en een gunftige v/ind be- 
gon te v/aaien , iigtten wij het anker , en kwamen om-* 
trent vier uur des avonds voor de tweedcmaal aan den 
mond der haven van Portobello 12 , daar twee hooge 
rotfen als twee zuilen uit de zee uitlleeken* Bij den 
ingang ontdekten wij van verre een groot Engelsch 
oorlogfchip , welk 'er met verbooden waaren ten an- 
ker lag. De Engelfchen , houdende ons fchip voor 
een Spaansch wachtfchip , (hoedaanigen in deeze wate- 
ren fteeds kruisfen, om vreemde fchepen, ongeoor- 
loofden handel drijvende, weg te necmen) deedeil 
terftond een kanonichoot , om te verneemen, of wij 
vrienden of vijanden waren. Doch, dewijl wij geen 
gefchut hadden , om den Engelschman te beantwoor* 

den , 

12 Een nette kaart van de haven of baai vau Pcr^ 
lobello, en eene grondtekening der flad zelve, vindt 
men in het werk vaa d. a, de ülloa, I. Deel, te- 
genover bladz. 85, 



l! 



L 



IIEIZE VAN KxlRTHAGENA NAAR PANAMA. 



^3 



751* 



den, liet onze kapitein in allen- fpoed zijne kleine boot vi. afd 
uitzetten , waamiede hij fommigen van zijn volk aan 
boord van het Engelsch oorlogfchip zond j ten blijke, 
dat wij vrienden Waren. Zij bluschten daarop hun- 
ne lonten uit^ v/elken zij al in gereedheid hadden, 
om hunne ftukken kanon, fcherp gelaaden, tegeii ons 
los te branden. Wij liepen zonder gevaar binnen, en 
wierpen dicht bij het Engelsch oorlogfchip het anker 
uit, daar wij met een heerlijk muziek van dwarsflui- 
ten en waldhoorns zeer hoflijk ontvangen werden. 

Den negen en twintigften werden wij door den Spaan- 
fchen bevelhebber der haven, des morgens ten acht 
uur, in kleine booten naar de ftad porto r.ELLo 
gebragt. Hij ontving ons in het huis , bijzonder voor 
ons toebereid , met alle beleefdheid. De flad ligt aan 
eene rivier tusfchen hooge bergen , dk met eene aan* 
genaame rei boomen de haven omringen. De huizeu 
zijn van hout gebouwd, en hebben van buiten we^ 
gens den menigvuldigen regen eene zeer donkere kleun 
Het grootfte gedeelte der flad beftaat uit eene lange 
ftraat, maar die door negentien dwarsftraaten door- 
fneeden wordt. Zij heeft twee groote vierkante mark* 
ten , d^ar de kooplieden van Europa en van Amerika 
ten tijde der jaarmarkten met hunne goederen ftaan* 
De parochiekerk is als een kanunnikenffift, en worde 
door waereldlijke priesters, die allen, als mulatos en 
fambos , bruin van aangezigt zijn , bediend. Hier i$ 
ook een klooster der vaders i^ la meced de los captïvo^ 
en een gasthuis der bermhartige broederen voor de zie- 
ken. Doch beide deeze kloosters zijn tegenwooixlig 
zo arm , dat de kloosterlingen hunnen kost gemeenlijk 
in de Had op moeten zoeken. De voorfrad, alleen 

door 



.' '\\ 



>■) 



64 



R.EIZE NAAR PERU. 



I' 



VI. AFD. door huisgezinnen van zwarten , die hunne vrijheid en 
" " eigene goederen bezitten, bewoond, en deswcgens 

^^^^' Guinea genoemd wordt ^ maakt de ftad zelve groot 
en aanzienhjk. 

De haven maakt eene hceriijke vertooning. Zij is 
door de natuur met zo eene menigte der fchoonfte 
hooge boomen, met zo eenen ove^^-vlocd der edelfte 
^ vruchten , met zo veele bergen , die de weiriekendfie 
bloemen en kruiden voortbrengen , zo rijklijk bedeeld , 
dat zij billijk den naam Porto bello , of fchoone ha- 
ven, verdient. Bij den ingang is een fterk kasteel 
TpDOFiERROis genaamd. Verder zijn nog twee an- 
dere, van welken het kasteel GLORIA boven, en dat 
-van s. HiERONYMUs beneden de flad ligt. 

In de ftad voert een Spaansch bevelhebber , onder 
den tijtel van generaal luitenant, het opperbevel. Eer- 
tijds werd aldaar een jaarmarkt gehouden , die men 
wegens de groote menigte zilver en goud , op dien 
tijd te koop geveild, voor de rijkfte op den aardbo- 
dem fchatte. 

Bij Portobello ligt een zeer hooge berg, door de 
inwooners monte capiro geheeten. Deeze dient 
hun in lleê eens barometers , die hun de weersveran- 
dcring voorzegt. De kruin des bergs is bijkans al- 
tijd met eene wolk bedekt. Wanneer hij zijne fpits 
Hechts een minuut lang boven de wolk vertoont, 
kondigt hij mooi weer aan. INlaar znkken de wol- 
ken tot het midden des bergs neer, zulks is een voor- 
teken, dat 'er in 't kort een dondcrbui zal opkomen. 
De luchtsgefteltenis dcezcr laudilreck is zeer onge- 
zond., 

S3 Todo Fierro betekent zo veel als het yzerkastfJ'L. 



:iiëta 



^smmÊseaüÊimÊÊÊÊm 



rvwÉüBMBPim 



REIZE VAN KARTHAGENA NAAR PANAMA. ' 6$ 

j^ond. Vooral loopeii de zwangere vrouwen bij haa- VL Arö. 

re verlosfing hier groot gevaar; om welke reden zich ' 

de rijkere tegens dien tijd gemeenlijk naar Panama ^^^^\ 
laaten brengen. De zon is 'er het geheele jaar door 
zeer heet , de lucht altijd warm en vochtig, de ora* 
liggende bergen en bosfchen zo dicht begroeid , dat 
de reizigers niet zelden op hunnen weg geftremd wor- 
den. Ook krielen bergen en bosfchaadjen van voge- 
len , aapen, boschduivels, tijgers en wilde zwijnen. 
Den derden van Sprokkeimaand zeilden wij met 
hetzelve fchip van Portobello naar de rivier chagr e, 
en wierpen den volgenden dag in den mond der ri- 
vier, aan den voet van het kasteel chagre 14, het 
anker uit. Het is zeer fterk , ftaande op eene fteile 
rofS, aan de eene zijde door de rivier, aan de andere 
door de zee omringd , en aan de derde zijde met het 
vaste land vereenigd, daar ook dicht bij het kasteel 
een groot dorp van gelijken naam is , in welk de be- 
velhebber van het flot woont. Hier begint de land- 
engte van Panama, die tachtig Spaanfche mijlen of 
uuren lang is , en tusfchen de Noord- en Ziiidzeeën 
Zuid- en Noord-Am erika aaneenhecht. De rivier Cha- 
gre maakt 'er de grensfcheiding van uit. Zij is zo 
groot als de Main , heeft haaren oorfprong nabij Pa- 
nama , en valt bij het kasteel Chagre in de Noordzee. 
Langs deeze rivier worden de koopmanfchappen vaiï 
de eene zee naar de andere gcbragt in groote booten , 
ckatas genaamd , Hechts uit eenen enkelen diklien uit- 
geholden boom gemaakt. 

Dert 

^4 D. A. DE ULLOA nocmt dit kasteel san lören» 
zo DE CHAGRE, op de aangehaalde plasw, bladz, 101, 
E 



i 



6& 



ïl E ï Z E KAAR ï> E R l/o 



n 



1751. 



VI. AFO. Den vijfden zetten wij onze reize in zo eene grootff 
boot de rivier opwatird voort. De boot had een dek van 
Indiaansch riet, om ons zo wel tegen de zonneftraa- 
len, als tegen den plasrcgen te befchermen. Zi| 
werd door twaalf naakte zwarten , die flechts een lap- 
je witlijwaat om hunne middel hadden, geroeid, be- 
halve nog een' anderen, die aan 't, roer zat. Aan bei- 
de oevers zijn veele krokodillen, door de Indiaanen 
Caymmtes gebeeten ; waarom deeze rivier ook wel 
Ri(j DE LAGARTos genoemd wordt. Bij helderen 
zonnefchijn gaan zij uit de rivier op den oever, en 
verbergen hunne eieren in het zand , om door de zon 
iiitgebroeid te worden. Zij zijn een weinig meer dan 
drie ellen lang , en bijkans zo dik als een os. Over 
eene rivier , daar krokodillen in zijn , van den eenen 
oever naar den anderen te zwemmen , of 'er door te 
waaden, gefchiedt met het uiterfte leevensgevaar ; 
en nogthans doen de wilde Indiaanen , zelfs de groot- 
ffce gevaaren niet achtende, zulks dikwijls. En vaart 
men op zulke rivieren , dan moet men zich wel wachten ^ 
om geene hand of arm uit de boot in het water te 
fteeken : want het is altijd te vreezen , dat 'er zich zo- 
daanig een dier onder het water nabij de boot bevin- 
den , naar de hand of den arm fnappen , en dien door 
eenen beet in een oogenblik afbijten mogt. 

De Indiaanen vangen de krokodillen op deeze wij- 
ze: Zij neemen een ftuk hout, dat fterk en bijkans 
eene el lang is, welk zij aan beide enden zeer fpits 
maaken , beflaande daarenboven nog de beide punten 
met ijzer. In 't midden binden zij 'er een lang en 
Iterk touw aan , welks end zij aan eenen boom op den 
©ever wel vast maaken. Het fpitfe hout vatten zij 

in 't 



. êi jjaPti i. 



1 



%-ElZE VAN KARTHAGENA KAAR PANAMA. 

lil 't midden met de hand aan , en knielen met den ee- VL atj^ 

Hen voet dicht aan de rivier. Wanneer de krokodil * 

onder het water den mensch op den oever ziet, komt 
zij met wijdopgefperde kaaken ras op hem af. 
De onverfchrokken Indiaan ileekt 'er dan behendig 
het hout in, en terwijl de krokodil den arm of de 
hand af wil bijten , fpiest hij zich onder en boven in 
het fcherpe hout. De Indiaan trekt gezwind den arm 
te rug , en loopt naar den boom , daar het touw aan 
vast is gebonden. Doch de krokodil, gevoelende 
zich zwaar gewond, gaat in de rivier, en laat zich 
tot op den grond neer, tot dat zij door pijn afgemat., 
flikt, waarna het water haar in de hoogte heft. Dan 
tt*ekt de Indiaan het dier aan den oever, daar hij het 
met eene bijl den kop afhakt, welken hij in de aarde 
graaft en laat verrotten, om 'er naderhand de tanden, 
als een heerlijk middel tegen vergift , uit te kunnen 
neemen. Doch den romp houwt hij in flukken , wel- 
ke hem te huis tot fpijs dienen. 

De rivier Chagre is aan beide zijden met dikke bos- 
fchenbezoomd. In die bosfchên groeien ontelbaare boo- 
men van het fchoonfte en kostbaarfte hout, en onder- 
die ook veele mariabalfemboomen. Op veek pkatfen 
langs den ftroom is dit bosch een endweegs uitge- 
roeid , en daar hebben de zwarten zo wei, als de In. 
diaanen , hunne tuinen en akkers met eene menigte 
platanos- en papayasboomen aangelegd. Zij teelen 
'er ook veele meloenen, fandillas, Indiaansch koorn 
of maiz, welk hetzelve met onze Turkfche tanvis, 
en rijst. De ananasfen , hier pinas genaamd , groeien' 
m overvloed in de bosfchaadjen. Men drukt 'er me- 
nigmaal flechts het vocht uit, d^ goed en aangenaam 
E ^ om 



iK 




REIZE NAAK. PERU. 

VI. AFD. om te drinken, maar zeer verkoelende is; waarom 
men 'er een weinig kaneel op ilrooit, om de maag- 
niet te verkouden, en in eene koude koorts te verval- 
len. De omliggende groene bergen en bosfchen ,, door 
onderfcheidene fraaie vogelen en dieren bewoond , de 
lommerrijke boomen , waarvan veelen hunne groene 
takken en bladen tot in den ftroom laaten neerhan- 
gen, de aangenaame reuk der bloemen en welriekende 
kruiden, vermaaken zo wel het gezigt, als den reuk 
der voorbijvaarenden ongemeen zeer. De uitmunten- 
de kleuren der vogelen, de menigte der aapen, waar- 
yan veelen m.et hunne jongen op den rug va:È den ee- 
iien tak op den anderen fpringen , en de kluchtigfte 
postuuren, welken zij in de boomen maaken, verkor- 
ten den reizenden ongemeen den weg. 

Nadat wij den gantfchen dag onder zo veele aange- 
naame Ichouwtoneelen der natuur zeer vermaakMjk ge- 
reisd hadden, kwamen wij tegens den avond bij het 
kasteel atun aan. Deeze fterkte, door de natuiiï 
zelve vast, ligt op eene hoogte, daar aan de eene 
zijde de Chagre, en aan de andere,de rivier atun 
, voorbijflroomt, welke beneden aan den voet der hoog- 
te, waarop het kasteel ftaat, zich vereenigen; zodat 
door dit eene kasteel beide de rivieren tegen vijanden 
beveiligd worden. In het flot is eene bezetting van 
etlijke Spaanfche krijgsknechten , welke zich geduu- 
rende de drie maanden, die zij aldaar liggen, van de 
vruchten , die zij in de bosfchen famelen , en van 
het vleesch der dieren en vogelen, welken zij vangen 
of fchieten, moeten geneeren. Wij vernachtten in het 
kasteel, en (liepen allen in de hoofdwacht. 

Den volgenden dag, bij het aanbreeken van dera 

d^ 



Ji^^ 



iÜ 



HfilZÊ VAN KARTHAGÈNA NAAR PANAMA. 6^ 

^dagerant zetten wij , de rivier hooger opvaarende , on- VL afb, 
ze reize verder voort. Des avonds kwamen wij bij ' " 
een Indiaansch dorp aan, daar het krielde van mug- 
gen , die ons door hun lastig zingen en fteeken bijna 
geen oogenblik lieten flaapen. Wij hielden twee da- 
gen achter een onze nachtrust onder den blooten he- 
mel, daar wij eens door eenen piasregen door nat 
werden. Wanneer wij des middags op den oever on- 
zen maaltijd deeden , hielden onze zwarte bootsgezel- 
len zich bezig , om in de gaten des oevers iguanas 15 
te vangen. Deeze land- en waterdieren zijn mtt den ' 

ftaart ruim eene el lang , en hebben , gelijk de hage- 
disfen, vier korte pooten. Hun lijf is rond en zo dik 
als een arm. Hun vleesch is ongemeen goed te eeten , 
en heeft den fmaak van jonge hoenders, bijzonder 
wanneer het aan het fpit gebraaden is. 

Den elfden van Sprokkelmaand, toen de ftroom 
zeer ondiep begon te worden, en de boot niet verder 
voortgeroeid kon worden , gingen wij omtrent zon- 
nenondergang aan land , en vervolgens een vierde van 
een uur ver te voet tot aan het dorp cruzes , daar 
wij door den priester en overfte van het dorp in een 

groot 
ï5 Eene omflandïge befchrijving van dit dier levert ons 
de geleerde en natuurkundige ir. a. ds ulloa, in zijn 
uieergepreezen werk, f. Deel, bladz. 114 en 115. Vol- 
gens die befchrij ving behoort het, naar het fchijnt , tot 
het geOacht der Pangoh-ns en Armadillo's , ook inboorlin- 
gen van Amerika ; omdat het van het hoofd tot den flaart 
met eene fchelp en fchubben bedekt is; doch hij meldt 
niet, of het ook, gelijk die, het vermogen heeft, om 
zich, gelijk een tuinegel, in een te rollen, en met zijne 
fchelp en fchubben tegen zijne aanvallers te beveiligen. 



K.EIZE NAAR I'EÏLU, 

groot huis op Indiaanfche vruchten , eeten en drinken ^ 
zeer liefderijk in allen overvloed onthaald werden. 
Den dertienden des morgens ten acht uur zetten wij 
ons op de muilezels , die voor ons bijeen waren ge- 
bragt, en reeden dus te land naar Panama, nog acht 
uur van daar gelegen. Het middagmaal hielden wij 
twee uur gaans van de ftad op eene landhoeve. Te- 
gens den avond werden wij door veele heeren uit de 
ftad met koetfen afgehaald , en in het Jefuiten-kollegie 
gebragt , daar in de kerk het Te deum , onder een 
heerlijk muziek , en den toevloed van veel volk uit de 
ftad 5 gezongen werd. 



ZEVENDE AFDEELING. 

REIZE VAN PANAMA NAAR TRUXILLO. 

VII.AFD. De ftad PANAMA ligt op de landengte van deezen 
naam op de noorder breedte van acht graadcn , zeven 
en vijftig minuuten , en acht en veertig en een halve fe- 
konde. Zij heeft eenen voorzitter en zes rechters , 
die de verfchillen onder de kooplieden befiisfen. Ook 
is hier een bisfchop. De ftad is wel niet groot, maar 
zeer aangenaam aan den voet eens bergs gelegen. De 
muuren en bolwerken zijn regelmaatig , en ter verde- 
diging der ftad met veel grof gefchut bezet. De ftraa- 
ten zijn breed en recht , en de huizen ruim , twee 
verdiepingen hoog , van hout gebouwd. De voorftad , 
ongemeen wel bevolkt, is nagenoeg zo groot als de 
ftad zelve. De haven in de Stille of Zuidzee wordt 
door etlijke kleine eilanden, de paerlen-eilan- 
ï) E N genaamd , omringd. De inwooiiers zijn meest- 
al 



mm 



^^^^ 



REIZE VAN PANAMA NAAll TRUXILLO. 



Til rijke kooplieden. De lucht is hier zeer dik en on-VlI.A^6J 
gezond, doch niet zo vochtig, als te Karthagena , en 
vermindert eenigzins de , zonneftraalen wegens de 
hoogte, daar de ftad op gebouwd is, bijzonder wan- 
neer 'er een zeewind waait. Akkers en tuinen zijn hier 
zeer vruchtbaar, en genieten eenen geduurigen zomer- 
In Panama werden wij, wegens gebrek aan fche- 
pen , zes weeken opgehouden , tot dat wij eindelijk: 
den zestienden van Lentemaand over de Stille zee of 
Mar del zur onze reize naar het koningrijk Peru 
voortzetten. 

Den eerflen van Grasmaand kwamen wij onder de 
evennachtslinie. Den derden ontdekten wij de bei-geii 
van Quito, en werden tefFens door eene ftiltè over- 
vallen, welke drie dagen duurde. Het landfchap 
QUITO is eene provincie van Peru, aan Popayan 
grenzende. De Spanjaarden hebben daar veele volk- 
plantingen , die in Europeefche zo wel , als Indiaan- 
fche vruchten overvloeien. Hier wordt ook het mees- 
te goud in het koningrijk Peru gevonden. Haare 
hoofdflad van gelijken naam is groot, fraai en naar 
de nieuwe wijze gebouwd. Hoe wel zij recht onder 
de linie ligt , is 'er de lucht nogthans zeer gemrtatigd , 
die den iiiwooneren eene beftendige lente en aange- 
naamen zomer veroorzaakt. Zij heeft eenen bisfchop 
en eene univerfiteit. Haare lakenfabriek is de ver- 
maardfte in geheel Amerika. De lakenen zouden daar 
nog fijner dan in Spanje gemaakt kunnen worden; 
maar, opdat de koophandel met Spanje in dat ftiik 
geen fchaade lijde, mogen 'er, op 's konings bevel, 
geene andere, dan gemeene lakenen, ten behoeve 
^m het gemeene volk, vervaardigd Worden. 

E 4 Den 




E N A A R P E R U. 

Den zevenden zeilden wij met een gunftigen wind 
Jangs het zilvereiland, welk klein, kaal en 
onbewoond is. Des nachts gevoelden wij op zee ee- 
ne aardbeeving. Op eenmaal begon het water zich te 
verheffen , en het gantfche fchip werd heen en weer 
geilingerd. Dit duurde flechts eene halve minuut. 

Van den negenden tot den twaalfden vorderden wij 
wegens gebrek aan wind zeer luttel. Om mid deler» 
wijl een tijdverdrijf te hebben , beval de kapitein ee- 
nen grooten haai , tibiiron , welke zich etlijke dagen 
lang fteeds bij ons fchip op had gehouden , te van- 
gen. De fcheepslieden maakten terftond een groot 
ftrik, van een lang en fterk touw. Door dit ftrik lie- 
ten zij een ander lang touw loopen, aan welks end 
een groot ftuk vleesch vastgebonden was. Daarna lie- 
ten zij het een en ander in zee zakken. Zo ras de 
haai het vleesch , welk boven op het water dreef, ge- 
waar werd, kwam hij fchielijk aanzwemmen, om 
het te grijpen. Dan , een bootsgezel trok allengs het 
touw met het vleesch te rug , en lokte den visch zo 
lang, tot dat hij hem met den kop en de vinnen in 
het ftrik had , welk terftond door anderen , op het 
fchip toe werd getrokken, waardoor de haai gevangen 
bleef. Dewijl de visch grooter, langer en dikker, 
dan eene welgemeste koe was, en zich fchriklyk ver- 
weerde , moesten alle de fcheepslieden de handen aan 
't werk flaan , om hem op het fchip te haaien. On- 
ze kapitein gaf bevel, om aan die plaats, daar hy neer 
zou gelaaten worden, alles weg te ruimen. Toen dit 
groote zeedier met de touwen tusfchen de twee mas^ 
ten op het fchip neer was gelaaten , floeg het met zy- 
pen ftaart aan eene kelderfles, die uit onvoorzigtigheid 



mm 



REÏZE VAN PANAMA NAAR. TRÜXILLO. 

onder de bank ftaaii gebleeven , van fterk eikenhout viI.afd, 
gemaakt, ook met dubbele ijzeren banden rondom 
beOagen was, zo geweldig, dat dezelve met alle de 
flesfen, waarin rofoli was, wel in honderd (lukken 
vloog. Lang genoeg daar gelegen hebbende , vingen 
de fcheepsHeden met een ander ftrik ook den flaart, 
en bonden dus den visch zeer voorzigtig en zo zeker 
aan den mast , dat hy zich niet meer roeren noch be- 
wegen kon. Daarna floegen zij met eene bijl zijnen 
kop in ftukken. Toen zij den buik van het zeedier 
openden, vonden zij 'er twaalf leevende jongen in, 
waaivan ieder meer dan vijftien of zestien ponden 
zwaar was. Deeze jonge haaien , door de Spanjaar- 
den cazonzillos genoemd, en zeer goed om te eeten, 
werden ras door onzen kok gedood, fchoongemaakt, 
en vervolgens tot een fmaaklyk gerecht voor ons toebe- 
reid. De groote tiburon werd in Zee gegooid ^^\ 
Den dertienden van Grasmaand wierpen wij bij het 

voor- 



1*5 D. A. DE ULLOA hcefc ook op zijne reize in de 
Zuidzee deeze zeedieren in menigte aangetroffen, tlij 
noemt ze in 't Spaansch iaburones ^ 't welk men in de 
IMederdiiitrche overzetting door zeehonden heeft vertaald. 
Hij verhaalt nopens een deezer zeedieren eene ongemeen 
vreemde en bijkans ongelooflijke zaak; te weeren: dat 
een derzelven , welk men den buik geopend , en 'er al 
het ingewand , zelfs het hsrt en de long uitgehaald had , 
in dien ftaat v/eder in zee geworpen zijnde, nog wel een 
vierde van een uur om en bij het fchip bleef zwemmen , 
tot dat men het eindelijk uit het gezigc verloor. Het hart 
van dat zeedier beweegde zich ook nog meer dan een 
vierde van een uur aan boord. Zie d. a. de ulloa op 
de aangehaalde plaats , II. Deel , bladz. 291, 

E5 - ^ 




r* 



StEIZE NAAR PEEU, 



VIï.AFD. voorgebergte van S. Helena het anker Uit , en zoïiden on- 

'^ ' ze kleine boot met eenige bootsgezellen aan land , om 

^75^* jeevensmiddelen te koopen. Van het ürand naderden 
drie Indiaanen , op drie groote boomen , als een vlot 
famengehecht , ons fchip. Van deeze gelegenheid om 
aan land te gaan , bedienden zich twee van de onzen , 
ten einde den overften der Jefuiten , dien zij in Duirsch- 
land zeer wel gekend hadden , in de ftad Guayaquil, 
niet ver van daar gelegen , een bezoek te geeven. Zij 
kwamen 'er ook nog dien zelven dag gelukkig aan, 
en hielden zich etlijke dagen op bij hunnen landge- 
noot , die hun alle eer en liefde bewees. 

Na het volbragte bezoek , gingen zij aan boord van 
een ander fchip, om ons te Payta in te haaien. Dan, 
tegenwind en ftilte gaven hun aanleiding , om voor de 
tweede maal aan land te gaan , en te voet naar het 
vlek Kolan te reizen. De bootsknechten , die hen m 
een kleine boot van het fchip aan land hadden gezet , 
beduidden hun wel den rechten weg derwaard; doch, 
iia verloop van eenige uuren misten zij dien , zodat zij 
drie dagen in de wildernis zonder fpijs en drank om- 
zworven , en onder den blooten hemel op het zand 
hunne nachtrust moesten neemen. Den volgenden 
dag, zijnde de vierde hunner rampfpoedige reize, 
werd een van hun zo zwak en mat , dat hij , genoeg- 
zaam geenen voet meer in het zand kunnende verzet- 
ten, zich achter eenen zandheuvel neerleide. Hij 
bond eenen witten zakdoek aan een' ftok, opdat zijn 
makker, die leevensmiddelen ging zoeken, hem we- 
der vinden mogt. In zodaanigen toefland verliet hij 
zijnen reisgenoot , en iiep , .vol angst en droefheid , 
etlijke uuren lang in de wildernis rond, tot dat hij 

ein- 



BIl é ttr^ 



mm 



x:^-. 



REIZE VAN PANAIVIA NAAR TRUXILLO. 

eindelijk van verre drie Indiaanen te paard ontdekte. VII. afd. 
Deezen riep hij luidkeels toe, en bad hen om Gods 
wil, om toch tot hem te naderen. Toen deeze be- 
merkten, dat hij waarfchijnlijk verdwaald was, ree- 
den zij terflond op hem aan. Zo ras zij zagen , dat 
hij een priester was , Ileegen zij terftond van hunne 
paarden af; en naauwlijks verllonden zij , dat hij met 
zijnen reisgenoot van den weg naar Kolan af was ge- 
dwaald, en reeds federt drie dagen in deeze wildernis 
zonder fpijs en drank omzworf, of zij begonden reeds 
traanen te ftorten, en hem met vruchten te laaven. 
Twee van hun gingen op (taande voet heen , om den 
anderen vermoeiden reiziger optezoeken , dien zij ook 
door middel van het opgeftoken teken in de wildernis 
vonden. Zij zetten hem te paard , en bragten hem bij 
zijnen vriend , hem insgelijks met ooft verkwikkende. 
Daarna gingen zij te voec, terwijl de twee priesters 
zich te paard moesten zetten. Op die wijze bragten 
zij hem zeer liefderijk naar kolan, daar zij hun 
fpijs en drank in overvloed toedienden, geleidende 
hen den volgenden dag naar payta, van waar hen 
de bevelhebber naar Piura bij ons liet brengen. 

Na deezen uitftap keer ik tot onze fcheepvaart te 
rug. Den zestienden van Grasmaand ligtten wij het 
anker, en wegens tegenwinden bragten wij van den 
zeventienden tot den twee en twintigften met groote 
moeite door , om de kaap van S. Helena te boven te 
komen. Den drie en twintigften hadden wij eenen gun- 
ftigen wind , die ons gelukkig deed vorderen , zodat 
wij dien dag den vermaarden ftroom guayaquil, 
aan welks oever de flad van gelijken naam ligt , be- 
reikten. Zij is niet zeer groot; doch de inwooners 

zijn 



7S 



REIZE NAAR PER.U. 



I751. 



YIT.AFD. zijn wegens bunnen handel in cacao , leer , talk , fal- 
faparilla en wollen ftofFen, welke waaren door de 
buitenlanders aldaar duur ingekocht, en vervoerd wor- 
den, zeer weivaarende. Langs den ftroom worden 
de fchoonfte boomen geveld, waarvan men jaarlijks 
zeer veelen tot den fcheeps- en huisbouw langs de 
kusten van Peru gebruikt. De oorlogs- en koopvaar- 
dijfchepen , die op de Zuidzee dienst doen , worden 
hier vervaardigd. De zeeboezem van Guayaquil 
llrekt zich van c a b o de s a n t a h e l e n a af tot 
ïitin CABO BLANCO uit. De laatfte kaap voeren 
wij den dertigften van Grasmaand om. 

Hoewel wij bijkans nog onder de linie verkeerden , 
en op den middag de zonneftraalen vlak boven ons 
hoofd hadden, werden wij echter zodaanige koude 
gewaar , dat wij ons in deeze dagen met onze winter- 
kleeden dekken moesten. Van den eerflen tot den 
vierden van Bloeimaand hadden wij geduurig tegen- 
wind ; tot dat wij eindelijk niet zonder groote moeite 
en arbeid in de gewenschte haven van payta aan- 
kwamen , daar wij , het anker uitgeworpen hebbende , 
aan land gingen, om onze reize te land tot Lima 
voorttezetten. Wij allen werden in des bevelhebbers 
paleis liefderijk ingenomen, en 'er drie dagen lang 
zeer prachtig onthaald. De ftad i^ayta is door de 
Spanjaarden gefticht, en beftaat flechts uit tachtig 
huizen, waarvan de meesten zeer flecht zijn. Zij 
heeft behalve de parochiekerk nog eenige andere ka 
pellen, en een klooster van de vaders der verlosfing 
der gevangenen. Haare baai is ruim, en wordt door 



eene Ideine fchans gedekt. 



Hier worden »ille de waa- 
ren, 






REIZE VAN PANARIA NAAR TllUXILLO. 

ren, die naar Guatimala en Me.xiko gaan, aan land VILafö. 
gebragt. ' 

Den zevenden van Bloeimaand des ochtends ten 
vier uur zetten wij onze reis op muilezels voort , om 
den volgenden dag in piura, achttien uuren gaans 
van Payta gelegen , aantekomen. Deeze ftad ligt in 
cene groote vlakte op eenen zandgrond, daar niets 
aangekweekt kan worden. Ondertusfchen worden de 
inwooners daaglijks uit de omliggende dorpen met 
vruchten en andere noodwendigheden des leevens in 
allen overvloed voorzien. Zij is niet zeer groot, 
maar heeft fraaie breede, rechte en lange ftraaten. 
De huizen zijn van binnen zeer kostbaar opgefchikt. 
Van de inwooneren zijn de meesten rijke kooplieden. 
De vrouwen zijn , gelijk in andere plaatfen door ge- 
heel Peru , uitneemend fchoon. De ftad heeft flechts 
eene parochiekerk; en de priester, die ze bedient, 
jaarlijks negen of tien duizend Spaanfche daalders in- 
tekomen. De parochien, welke jaarlijks twee of drie 
duizend daalders aan inkomften hebben , worden hier 
te land voor gering gehouden ; fchoon ieder Spaanfche 
daalder zo veel als een conventionsthaler bedraagt. 
De gemelde vaders der verlosfing der gevangenen bezit- 
ten even buiten de ftad een klooster; maar zo wel de 
kerk , als het klooster zien 'er Hecht uit ; integendeel 
zijn het klooster en de kerk der Bethlehemiters ,. die 
allen leekebroeders zijn , en welken de zorg over het 
gasthuis der zieken toevertrouwd is, zeer fraai in- 
gericht. 

De markt, daar de Indiaanfche vrouwen daaglijk^ 
liaare groenten 5 vruchten en andere waaren verkoo- 

pen* 




E N A A R P E Pv iJé 

midden in de ftad. Hier ftaat ook het ko»* 
ninglijk rechthuis, daar de bevelhebber in woont. 
De koningüjke thefaurier, in wiens huis wij ons ver- 
blijf hadden , woont bijzonder. Wij rustten hier van 
onze reize uit, en werden deftig onthaald. 'Er wa- 
ren altijd dertig ^f veertig menfchen aan de tafel ; en 
daaglijks kwam veel volk van de ftad voor de zaal, 
daar wij het middagmaal hielden , om de Europeefche 
geestlijken te zien» 

Ik ging dikwijls hi een klein boschje van katoenboo- 
men , niet ver buiten -de ftad aan de rivier gelegen , 
wandelen. De katoenboom is een heestergewas , en 
draagt veele nooten , welke hier te land zo groot als 
hoendereieren zijn. Wanneer zij rijp zijn, openen 
zij zich in twee of meer deelen , en bieden het katoen , 
weikin 't midden zit, den eersd<:omenden aan. De 
wol der meeste nooten is fneeuwwit; doch fommigeii 
brengen bruine wol voort , uit welke de Peruaanfche 
vrouwen de fraaifbé hals- en neusdoeken vervaardigen. 

Den vijf en twintigften van BI oeimaand beklommen 
wij weder onze muilezels, de rcize naar sechura 
voortzettende. Deeze plaats is een groot dorp, al- 
leen uit Indiaaufche huisgezinnen beftaande. Zij fpree- 
ken eene bijzondere taal , welke nergens anders in het 
geheele koningrijk Peru gefprooken wordt. Doch zij 
fpreeken ook allen goed Spaansch , zodat de priester- 
van het dorp niet genoodzaakt is, ook hunne bijzon^ 
dere taal , die zeer zwaar uittefpreeken is , te leeren ir. 
Zij hebben in hun dorp , met eigen handen , eene groo- 
ts 

^ ^T D. A. DE ULLOA geeft hier eene nadere befchrif- 
ving van in het meergenoemde werk, II. Deel, bladz. 13, 



REIZE VAN PANAMA NAAR TRUXILLO. 



79 



te en nette kerk van gebakken fleenen gebouwtl in vir,APi>. 

een' zo goeden (maak, dat zij zelfs aan eene ftad tot 

fieraad zou verftrekken kunnen , hebbende de kerk be- ^^^i» 
halve het ruim of den middeltrans , die fraai gewelfd 
is 5 nog twee andere galderijen , welker gewelven op 
nette pijlaars rusten. Zo wel bij den verdekten in- 
gang , als aan beide zijden heeft zij drie groote wei- 
bearbeide deuren, die met prachtige portaalen pron-^ 
ken. In 't midden is een koepel , en bij den voor- 
naaiiien ingang zijn twee fraaie hooge torens, die door 
Europeefche bouwmeesters niet beter konden opge- 
haald zijn. De beleefde dorppriester zond ons terftond 
na onze aankomst in onze verblijfplaats veel tarwen- 
brood, twaalf hoenders, twee lammeren, benevens 
cene menigte eieren en vruchten ; voor welk gefchenk 
wij hem in perfoon onze dankbaarheid gingen betuigen. 
Den negen en twintigften aanvaardden wij des avonds 
ten zes uur de reize door de wildernis van 
3 E c H u R A. Zij is de vermaardfte , grootfte , be- 
zwaarlijkfle en gevaarlijkfte , welke de reizigers op de 
geheele kust van Peru aantreffen, hebbende veertig 
uuren gaans in de lengte, en meer dan honderd iii 
den omtrek. Alles is zand , en de wind , hier fteeds 
vrij ilerk blaazende, vormt aan alle zijden niets dan 
bergen en dalen van zandbanken, in welken men, 
aan 't dwaalen geraakende, gelijk in Duitschland bij 
gelegenheid van zwaaren jagtfneeuw, teffens met het 
muilezel leevend begraaven kan worden, zonder hulp 
of redding te vinden. In deeze zo wijduitgeftrekte 
wildernis ziet men gras nochboomen, maar hier en 
daar eeni ge kleine doornftruiken , welker dorre takjes 
den reizeiKlen tot brandftof moeten dienen. Rivie- 
ren. 






i' - 



% 




E NAAR PERU» 

VII.AFD. rcii , beekjes of bronnen zijn 'er nergens aantetreifen* 
Reizigers moeten zich vooraf van de noodige mondbe- 
hoeften , water en voeder , voor zich en voor hunne 
muilezels voorzien , en dat alles op bijzondere ezels , 
die men in de naastliggende dorpen tegen betaaling 
van zekeren prijs huurt, met zich voeren. Noch vo-. 
gelen , noch andere dieren zijn in de geheele uitge- 
llrektheid deezer woestijn te verneemen , uitgezonderd 
slleen aan die plaatfen , daar men fomtijds het zee* 
ftrand merklijk naderende, etlijke zeevogels, zich 
van visfchen geneerende , ontwaar wordt. De geduu- 
rige fterke wind , het zand fteeds gaande houdende , 
maakt de gebaande wegen terftond weder vol, zodat 
men niet weet, wervvaard men trekken ijioet. Om 
deeze reden roepen en fchreeuwen de Indiaanen , die 
de reizigers verzeilen , en de wegen uit ervarenheid 
zeer wel kennen, bellendig, en bijzonder des nachts , 
of zij allen bij elkander zijn , en niemand van het reis- 
gezelfchap ontbreeke ? Zo wel de wind , die het zand 
in het aangezigt en in de oogen waait, als de heete 
zonnedraalen , die recht boven het hoofd fchijnen , 
maaken de reize ten hoogfte bezwaarlijk en lastig. De 
nachtrust neemt men gekleed , etlijke uuren lang , op 
het zachte zand ; en dikwijls wenschte ik en anderen ^ 
dat ons de rust op onze zandbedden nog eenige uuren 
langer vergund mogt worden ^ maar te vergeefs. Ment 
moest reeds ten middernacht de reize voortzetten. 

Deezen zo moeilijken togt hebben wij in twee nach- 
ten en eenen geheelen dag volbragt, hebbende in al 
dien tijd naauwlijks zes of zeven uuren gerust. Den 
derden dag , bij het aanbreeken van den dageraat , ont- 
dekten wij eindelijk weder groene bosfchaadjen , ea 

va- 



ilEIZE VAN PANAMA NAAR TRUXILLO. 



8x 



^75h 



valeieii, met gravS en vruchten rijklijk voorzien, Om-VII.AFD 
trent zeven uur ontmoetten ons verfcheidene Indiaanen 
te paard, komende van die plaats, wei-waard wij 
reisden^ door den priester, nopens onze aankomst 
■reeds onderrecht, afgezonden,, om ons te geleiden. 
Tcgens acht uur kwamen wij in het vlek morrope 
aan, daar ons .een Jefuit, die over eene landhocve, 
twaalf uuren ver gelegen , het opzigt had , op des 
provmciaals bevel zeer ftaatlijk onthaalde. Onder het 
ceten werd door eenen Indiaan de harp gellagen , welk 
muziektuig hier te kind zö aangenaam gefpeeld wordt , 
dat ik mij niet «rmner , iets dergelijks in Duitschland. 
ooit gehoord te hebbeo. 

Dien zciven dag omtrent vijf uur zetten wij onze 
reize naar lambayeque voort, welk marktvlek j, 
flechts twee uuren gaans van Morrope . gelegen , 
door Spanjaarden en Indiaanen bewoond wordt. Hier 
werden wij door den priester twee dagen lang zeet 
■prachtig , gelijk in de ftad Piura , met alle liefde en 
vriendlijkheid bejegend. Niet verre van dit. vlek lig- 
gen hooge bergen i, de Tijrolfche bergen wijd over- 
treffende. In deeze landdreeken houden zich veele 
wilde zwijnen op , die boven aan den rug eene navel- 
vormige opene klier hebben ^. Hun vleesch is onge- 
meen goed te eeten. 

Na 

e Veele reizigers hebben dit gat boven in het kruis, 
waaruiteen ftinkeiid etterachtig vocht loopt, verkeerdlijk 
voor een'' navel aangezien. , Het is, het fus ta]acu linn. 
fuz ecaiidatus , folUculmn ich-orofum in clorfo gerens. b r i s s. 
qitadr.yj. Het. biramverken , of. .boter, het eiterzwijn. 
Het is^ aan Amerika alleen eigen , en de eenigfte foort van 
zwijnen aldaar. De Indiaanen noemen hi^x paquiras, waar- 
F van- 



KI 



«a 



Ce I 2; e N a a r Peru. 



; I 



V\ 



1751- 



VII.AFD. Na verloop van twee dagen reisden wij van hier 
naar het vlek int o n s e f u , daar wij voor de tweede- 
maal door dènzelven Jefiiit in des. priesters huis ont- 
haald werden. Den volgenden dag traden wij in de 
tweede Peruaanfche wildernis , die , ook .wel vol zand- 
bergen , maar niet meer dan veertien" imren lang , en 
in den omtrek naaiiwli)ks veertig amren groot is. 
Hier en op andere phatlën zagen wij veelc oude Indi- 
aanfche graffteden , liggende 'er alles vol bekkeneelen 
en doodsbeendcren. Wij zagen ook dikwijls op de 
bergen hooge muuren , welke zich niet zelden vijf of 
zes uuren in de lengte iiitftrekten , achter welken de 
ïndiaanen zich tegen hunne vijanden befchermden. 
Men, ziet nog merktekens dêr zwaare oorlogen , eer- 
tijds door de ïndiaanen tegen elkander -gevoerd , op de 
wegen en vlakten, die hier en daar met veele doods.- 
hoofden en beenderen, fomtijdseeïi 'halfuur gaans 
Ver 5 als bezaaid waren. 

Den nacht onder den blooten hemel op het zand 
doorgebragt hebbende, bereikten wij den volgenden 
dag het dorp s. petrus, over welks Indiaanfchc 

. : ■ be- 



.vandajin de naam pecary.^ door Engelfclie zeelieden daar- 
aan gegeeven, voonge(i3rooten is. , lu hei Amerikaansch 
,heet het quatihtla coynail. Het is een doodvijand van 
den jaguar of Amerikaanfchen luipaard. De grootfte hon- 
den vreezen* hét aan té vallen. Wanneer het gewond is, 
ftorrat het woedend op den jaager los.' Het leeft van wor- 
telen, vruchten, padden, flangen van allerleie foort, die 
'het met de voorpooten vasthoudt, en behendig den buik 
opfcheurt. Bijaldien hei vïeesch eetbaar zal zijn, dan moet 
de ftinkende ruggeklier terftond worden uUgefneeden , zo 
ras het dier gedood Is. Zie pewnwnt's y^«. of.quadr. 
'p. 72. M. 



llEtóE VAN PANAMA NAAR tRÜXILLO* 



bewooiiers de Aiiguftijncn^ in wiens klooster wij viI.afd. 

overnaclitteii , in geestlijke zaaken de bezorging heb- * 

ben. Van daar floegen wij vroegtijdig op weg, en ^^^^' 
kwamen in een ander Indiaansch dorp , payan ge- 
naamd. Hier vonden wij een oud Indiaansch flot , 
waaruit wij met verwondering zagen , dat de oude 
inwooners van dit koningrijk ook goede vestingen 
'^yisteii aanteleggen. Den anderen dag kwamen wi) te 
CHiKLiN aan. DcezQ pJaats is een land- of ridder- 
goed van een' rijken ïndiaanfchen graaf van Spaansch 
bloed , die ons , in gezclfchap van den pater reclor 
Van Truxillo, een vierde van een uur buiten de plaats 
met groote hoflijkheid ontving , en twee dagen in zij- 
ne wooning graaflijk onthaalde. 

Hier en op andere plaatfen , daar wij doorreisden , 
is alles vol wilde duiven» 'Er zijn yier bijzondere 
foorten van. Eenigen zijn zo groot , als onze ringclr 
duiven, en Worden torcasfas gehceïQn» De anderen 
zijn in kleur en grootte aan onze wilde , duiven volko^ 
men gelijk, wordende door de Indiaanen gtigiiUes gc^ 
naamd. De derde foort heeft op de vleugel^ drie on- 
gemeen fmai vergulde veeren. ., De laatfien : zijn niet 
gropter,. dan _ onze lecuwrikken, en hebben zo wel 
op den rug s als op de vleugels en dm ftaaft, dien 
zij 9 gelijk onze kwikftaarten -geftaadig beweegen , 
veele zwarte en grijze (lippen. De heilanden zijn vol 
gieren van onderfcheidene foorten , waarvan ik fommi- 
gen niet ver van' mij heb zien zitten , zo groot als een 
kalkoenfche haan. Ik acht hei; pnnoodig, de, groote 
menigte zeer fraaie' vogelen dcezer gewesten, waarvan 
geen een naar ons Europcesch-pluimgedierte gelijkt', 
te befchrijven. ^AUecnjijk-wil ik van. drie zeer kleinen -, 
Fa wel« 



si*'? 



i i: 



i 



' k E ï Z E NAAR P É II Ü; 



r 



VII AFD. welke mij hier bij iiitneemenheid wel beliaagdèri 5 

• — \ -kortlijk melding doen. 

''^ ' De eeneiboït, in 't Spafinscli piitilla genaamd, is 
20 groot j als eene vink. Deeze zingt niet. De vee- 
ren over liet gebeele lijf zijn donkerkarmozijn ïood. 
De vleugelen en het ftaartje benevens eeïi vlek op het 
kopje des vogels zijn gitzwart. De andere vogel heet 
gilgero 5 en is niet grooter dan een cijsken. Hij is 
geheel zwart, doch het ftaartje en de twee vleugelen 
Eijn geel. Zijn gezang is ongemeen aangenaam , en 
veel fijner, dan dat der kanarievogelkens; Wanneer 
men ze te hnis in een korf wil houden , zingen zij 
niet, maar treuren, en fterven in korten tijd. Het 
derde vogelken quindo , in het Spaansch picaflor , of 
bloemenlleeker , is het allerfchootifte. Het is kleiner 
dan een boomkruipertje. Zijne groene veeren hebben 
helderblaauwe ftipjes, met goudkleur vermengd. Al 
zijn voedfel beilaat alleen in het fap der bloemen, 
welk het , van de eene bloem op de andere vliegen-, 
de, met zijn bekje, teder, langachtig en dun, al 
vliegende, en met zijne vleugelkens geftaadig waaien- 
de, uit dezelve zuigt. Het nestje, welk het maakt, 
om zijne jongen uittebroeden , is zeer klein , en van 
het fijnile gras kunftig gemaakt. De eiertjes zijn naauw- 
lijks zo groot, als eene kleine envete. 



ACHTSTE AF DE E L I N G. 

REIZE VAN TRUXILLO NAAR LIMA. 



Deii zevenden van Zomermaand kwamen wij des 
avonds ten zes uur in de {la4 truxtllo aan» Wij 

rust- 



RJilZE VAN TRUXILLO NAAR LIMA, 



riistten hier zeven dagen uit van onze reize in het Je- 
luitenkoUegie , welk niet groot , maar fraai , en met 
cenen grooten, tuin vol vruchten en bloemen voorzien 
is. De ll;a,d is middelmaatig van grootte, liggende 
op de zuider breedte v&n acht graaden, zes minuieix 
en drie fekonden, in de provincie Quito in Zuid-Ame- 
lika. De omliggende landftreek van het vermaarde 
dal CHiMO is zeer aangenaam en vruchtbaar. De 
haven van Truxillo,de beste in het geheele gewest ,13 
een uur gaans van de ftad aan een Indiaansch dorp 
gelegen ,, en wordt door de kooplieden, veel bezocht.. 
Zij heeft eenen bisfchop, onder, den aartsbisichop 
van Lima ftaande. Truxillo gelijkt ten aanzien der 
Ih-aaten zo wel en gebouwen, als der leevenswijze 
volkomen naar Lima; weshalve zij ook het kleink 
Liw A genaamd wordt.. Geduurende mijn verblijf iii 
d.eeze ftad nuttigde ik de beste ïndia.anfchc vruchten. 
Om nu van de, meloenen, fandiiiea, en andere vruch-» 
ten, die ook ia Spanje en DuitscUland gevonden wor- 
den , en vv^aarvan ik reeds bij Karthagcna en Chagre, 
iets gemeld heb , niets te herhaalcn, wil ik hier de bij», 
rondere vruchten , welke in dit Peruaanfche koning 
rijk alleen, en nergens anders voorcgeteeld worden 3, 
Ivprtlijk befchrijveuo, 

De eerfte viaicht is. de chirimoya , welke men billijk 
de koningin van alle vruchten der aarde noemt. liaa-» 
re grootte is onderfcheiden : foramigen zijn zo groot 
als een kleine appel, anderen wat grooter, en dq 
grootften als een kinderhoofd. De buhenfte fchil 
biijFt altijd groen, al is de vrucht ook rijp. Zij heeft 
van buiten ronde m etlijke bultjes , die week en glad 
^ijn. Dccze vruQJ.t groeit ondej: aan den. ilecl, rond, 
Fr 



vriL 

AFD. 



wmm 



ü 



Heize naar per u. 



VIII. 

AYD. 

2751. 



gelijk een Jippcl , maar vervolgens eirond fpits iiitloo« 
pende. Wanneer men ze eeten wil , wordt zij , ge* 
lijk een groote appel of peer, met een mes in 't mid- 
den doorgefnecden ; en is zij van de grootere foort ^ 
dan deelt men ze in zo veele (lukken , als men wil. 
Inwendig gelijkt zij naar fneeiiwwitte verfchc boter. 
Zij heeft eenige zv/arte pitten, gelijk onze zwarte 
boonen, welke weder aan die plaatfen in den grond 
worden gedoken, daar men meer boomen voort wil 
planten. Zij is zeer verkoelende, weshalve men ze 
gemeenlijk des morgens vroeg en des avonds gebruikt , 
eer men chokolaad drinkt , waardoor haar verkoelend 
vocht eenigzins gcraaatigd wordt. De fmaak is zo 
ongemeen aangenaam, als of hij door eene groote ver- 
fcheidcnheid der beste fpecerijen veroorzaakt wierd. 
Het bloeifel is wit, met een weinig rood veraiengd, 
ook fterker en verkvv^iklijker van reuk, dan de bloes- 
iems van citroen- en oranjeboomen. De waschvrou- 
wcn leggen in de hemden etlijke van deezebloesfems, 
welker ajiiigenaame reuk de gcheele week door be- 
fpeurd wordt. De boom is dicht van takken , en groeit 
niet hoogcr , dan onze groote pruimenboomen , maar 
geeft meer lommer, dan deezQ. 

De tweede vrucht is de polta , in 't Spaansch agu^ 
acate , welker ftam zeer hoog groeit , en onzen lioo- 
gen en grooten peereboomen gelijk is. Het ooft 
heeft de gedaante eener middelmaatige peer, geene 
fchil , maar fiechts eene groene bast , naur week en 
groengeverfd leer gelijkende ; waarom het niet ge- 
fchild vvrordt, maar met een fijn en fchcrp mesje ver- 
deeld moet worden. liet vleesch heeft in 't midden 
een groote en Iterke pit , in de gedaante van een hart. 

Wan- 



ÏIEIZE VAN TRUXILLO NAAR LIMA 

Wanneer men het eeten wil, moet 'er vooraf een wei- 
nig zout op gcftrooid worden ; want anders zou het 
ooft walgnchtig zijn. De vrucht is zeer gezond en 
voedzaam , hoewel zij den Europeeren doorgaans in 
't eerst niet wel fmaakt ; maar wanneer zij haare deugd- 
zaamheid etlijke maal geproefd licbben , laaten zij alle 
andere vruchten ftaan , en houden zich alleenlijk aan 
de polta. Men bereidt ook hier te land uit het vleesch 
deezer vrucht falade, met zout, azijn en boomolie, 
welke ongemeen goed , gezond en aangenaam van 
fmaak is. 

De derde foort van fruit is de granadilla. Zij is 
eirond, en de fchil als een gefpikkeld ei , die ook 
van boven, gelijk een week gekookt ei 
wordt, om 'er het inwendige , welk zeer goed te eetcii 
is, uitteflnrpen. Het fap is met veele kleine korrelt- 
jes, gelijk erweten 5 vermengd, die teiTens met het 
fap met de tanden vermorfeld worden. Dceze vrucht 
is ongemeen hartllerkend , zodat zij ook den zieken 
met nut toe wordt gediend. Zij groeit niet aan ccnen 
boom ^ manr aan een ftruik die zich, gelijk het klim- 
op , om de .indere boomen (lingert , en tot den top 
,toe opgroeit. 

De vierde en laatde foort is de ananas , in Ameri- 
ka "pina gehecten. Zii heeft nagenoeg de gedaante van 
een denappel, doch wecke en fappige fchubben. Zij 
is zo groot als een meloen , en heeft van boven een' 
top van kleine blaadjes, die eerst vermilioen, vuur- 
kleurig, en daarna blceker wordt. Dceze kruin v/ordt 
van de vrucht afgebroken , en weder geplant. Haar 
fmaak zweemt veel naar dien van aardbezien ^ met on 
derfcheidene fpecerijen vermengd , 
F4 







'i 
.'f 



VIII. 



^^ 



R E I Z E N A A R PERU. 



lerlieflijkflen reuk van zich. De fleel , waarop de- ana- 
nas groeit, heeft lange breede bladen , die vol fteekels 
zijn. De Amerikaanen bereiden uit dcezQ vrucht ee- 
nen drank , die de leevensgecsten vcxllerkt en het hart 
■vervrolijkt, 't welk ik in mljzelven meermanlen on- 
dervonden heb. Ondertusfchen moet men zich wel 
in acht neem en, om 'er niet te veel van te drinken; 
dewijl deeze most zeer verkoelende is;, bijgevolg de 
maag ligtlijk daardoor kan verkoud , en dus ecne kou- 
de koorts veroorzaakt worden. 

Den vijftienden van Zomermaand kwamen wij door 
twee ïndiaanfche dorpen moche en biku aan de 
rivier santa. Deezen ftroom trokken wij door op 
hooge paarden , met zeer lange beenen , chiinhodores f 
genaamd , en in deeze lanudrcek tot dit einde bij- 
zonder afgerecht. Een Indiaan reed vooruit , om ons 
den weg door de rivier aantewijzen , en wij volgden 
hem, de een achter den anderen. Onze goederen 
werden op een vlot , niet uit famengevoegde boomcn , 
maar uit veele groote kauwoerden, aan fterke banden 3 
gelijk de roozenkranfen , dicht aan elkander gereegen, 
beilaande, overgezet. Dit kauwoerdenviot trekken 
de Indiaanen al zwemmende met banden om den hals 
over de rivier. Zo v/el aanbelde zijden, als achter 
zwemmen ook nog andere {ndia.inen, om het vloi; 
over den füroom te helpen voortfchuiven. Op zodaa- 
Tiig vlot moeten menfcheii en goederen oyer de rivier 
worden gezet in die maaiideu, in welken z^ door 

f DU woord flarat waarfchijnlijk van bet Portu-eefcha 
chmhéo af, welk zo veel als rodm , dat is , een klep- 
per, betekent. M. 



lI 



JIEIZE VAN TRUXILLO NAAR LBIA. 



veel water opgezwollen , het land wijd en zijd over- 
üroomt. 

Aan de overzijde van het veer is het Indiaanfche 
dorp SANTA, daar wij in des priesters huis door 
£enen Jefait , die l)Ct opzigt over eene landhoeve , 
cenige mijlen van daar gelegen, had, twee dagen 
treliijk verzorgd werden. -De Indiaanen vermaakten 
ons raiddelerwijl met eene vischvangst langs het 
ftrand der zee. Zij hadden een -lang net, welk zij in 
kleine bootjes, van riet gemaakt, ruim veertig Ichree- 
den ver in zee bragten , uitwierpen , tot op den grond 
toe lieten zinken , en vei-volgens allengs weder met 
veele kleine en groote visfchen op het ilrand trokken , 
van welken zij de besten voor ons uitzochten. 

Van daar reisden wij in het vrolijk dal guaca- 
TAMBOVoort, daar ons twee andere Jefi-iiten ont- 
vingen , en verzorgden. Nadat wij dit bekoorlijk dal 
verlaaten hadden, trokken wij door de drie groote 
dorpen / GUARMEY, casma, en culeeras, 
en kwamen bij de rivier barranca aan, di£ wij 
op onze muilezels doonvaadden, zijnde de ftroom in 
deezGii tijd niet zeer hoog. Anders is deeze rivier 
gevaarlijker over te trekken , dan de Santa ; want de 
bodera is vol gladde ileenen , op weiken muilezels en 
'paarden geduurig uitglijden, zodat de ruiter hgtlijk 
in den {boom, die ongemeen fnel vlietend is, 
Horten , zonder hoop van gered te worden , doordien 
de ZQ& 'er gantsch nabij is , in welke de rivier zich 
met groot gedryis ontlast. Bijkans een vierde van een 
uur gaans van ae Earranca ligt een zeer fraai, groot 
en aangenaam Indiaansch dorp van geiijken naam, 
F 5 ^'<^^^ 



it 



I 

il 



'0 



f Ê 



rz'lj: ïl A A ^ ? t R t^ 



(/ 



VUL daar wij door deii priester zeer beleefd en flaatlijlc 

AFD. -wierden ontvangen. 

IJ5J. Den volgenden dag ten negen uur bereikten wij het 
tiitm linten d marktvlek guaura, meer door Spaan- 
fclie dan ïndiaanlche ivivi ooners bevolkt. Een acht- 
fte van een uur van die plaats ligt eene groote meierij 
der Jefuitcn , daar ons de opziener zo hoflijk als lief- 
derijk bejegende. Op d^QZQ hoeve, die zich meer 
dan drie of vier uuren in den omtrek uitftrckt, wordt 
zeer veel fuikerriet aangekweekt. Het v/erk in de tui- 
nen en op de akkers wordt door Negers van beider- 
lei geilacht, uit Afrika hei-waard gebragt en gekocht, 
daaglijks verricht. Zij zijn meer dan zes honderd 
llcrk, en woonen dicht bij het huis in een bijzonder 
nieuwgebouwd dorp , met een' hoogen muur omgee- 
ven , welks deuren des avonds ten acht uur , wanneet 
zij alle bij een zijn, geflooten worden, opdat 'er nie- 
mand van bij nachttijd weg zou loopen. Veele van 
hun zijn getrouwd, en hunne kinderen blijven ook 
llaaven. De getrouv>^den woonen in bijzondere hui- 
zen 5 en van 'de ongetrouwden drie of vier te famen 
in een huis; doch zo, dat de v/ooningen der mans- 
perlbonen van die der ongetrouwde flaavinnen door 
eene (Iraat van elkander afgezonderd zijn. Over bei- 
den zijn bijzondere reeds bejaarde zwarten van bei- 
derlei fexe gefteid , die 'er het opzigt over hebben , 
ten einde 'er gecn^ Vv-anorde of ergernis ontftaa ; om 
welke voortekonien ongetrouwde flaaven met onge- 
trouwde ilaavinnen, indien zij willen, door hunne 
heerfcbap echtlijk verbonden v\'orden. Men behan- 
delt ze 5 20 in eeten en drinken , als in kletding , zeer 

lief- 



REIZE VAN THUXILLO NAAR tmïAi 



liefderijk ; en een of meer van hun krank wordende , 
wendt men alle middelen aan, om ze wel te verzor- 
gen , ten einde zij hunne voorige gezondheid weder ' 
erlangen ; want het verlies van eenen flaaf komt den 
eigenaar op meer dnn vier honderd Spaanfche daal- 
ders te flaan; tx)t walken prijs weder een ander ge- 
kocht moet worden. In geestlijke dingen is eenen 
priester de zorg over hen aanbevolen. Hij onderrecht 
hen alle zon- en feestdagen in de Christlijke leer, en 
dient hi^n ook het jaar door de heilige bondzegels toe. 
Op dqf' werkdagen moeten zij des ochtends ten vijf 
11 ur opftaan, en zich gekleed hebbende, vergaderen 
zij in de kerk der meierij , om hun morgengebed te 
doen, daar ook de mis voor hun geleezen wordt. 
Daarna wordt hun door den opziener der hoeve hun 
werk aangewcezen. Des middags komen zij te huis , 
eeiiige uuren lang aldaar uitrustende. Naderhand 
gaan zij weder aan hun v\^erk tot zes uur des avonds , 
wanneer zij in de kerk den roozenkrans bidden. , Uit 
de kerk komende, krijgen zij hun avondceten , en be-^ 
geeven zich in hunne huizen ter rust. De kinderen , 
zo jongens als meisjes , die op de akkers nog niet 
werken kunnen , worden te huis in naaien , breiden , 
koeken en andere dergelijke bezigheden onderwee* 
zen , tot dat zij , meer krachten verkreegen hebben^ 
'de , zwaarder w^erk moeten verrichten. 

Ket iuikerriet , op de plantaadjen in het koningrijk 
Peru io mciiigtc groeiende, wordt, gelijk de llaa- en 
koolplantjes, van de zijfcheüten van 't riet aangeteeld. 
Men plantze op hooge bedden , aan weerskanten 
vooren hebbende, om fomtijds bevochtigd te kunnen 
worden ; dewijl zij tot hunnen wasdom en yoikomen- 
• ■ '^ held 



viir. 

AFD. 



ft 



^' E ï Z E N A A R P E 



Ü. 



r \% 



Vïlï. held veel water >an nooden hebben. Zij wordeiV 
^^■'^' jaarlijks geplant , om jaarlijks op de akkers der land-- 

\7r^ hoeve rijp fiükerriet te hebben. Wanneer het drie 
jaarcn gedaan heeft , wordt het gehakt , en op de. 
(liikermolen gebragt,daar 'er hetfap uitgeperst wordt., 
Het lütpersfen van het fap gefchiedt op dQ volgende 
wijze: 

De fuik€fmole,n heeft twee dikke gegooten metaaleti 
rollen, zeer dicht aan; elkander (taande, en meer of 
min drie ellen lang. Deeze worden , de eenc links , 
en de andere rechts, door een molenrad omgedree. 
ven, of, bij gebrek van loopend water, door twee os- 
fen of paarden in een kring rond gedraaid. Wanncei: 
decze twee koperen rollen in beweeging zijn gebragt, 
wordt het fuikerriet door etlijke negers van tijd tot tijd 
daartusfchen gewrongen , het riet door de kracht dier 
rollen met geweld verpletterd , en tefi'ens de leedigQ 
bolder daarvan aan de andere zijde weder uitgewor- 
pen^erwijl het fap, gelijk een overvloedige most 'er 
«lit^^eade , in eene zeer groote kom daaronder op 
wordt gevangen. Van daar wordt dit vocht, door 
middel eener goot , in den eerden en grooteren kopc^ 
ïcn ketel geleid , een weinig warm gemaakt , en on- 
gezooden gefchuimd. Daarna giet men het weder 
-in eenen kleineren , en dan weder in eenen nog klei^ 
neren ketel , onder welken een fterk vuur , gelijk on7 
der eenen brouwketel, g(?(i;ookt wordt, tot dat het in 

*^ denzelven dik gezooden , gezuiverd , geheel uitgekookï 
en tot volkomenheid gebragt is. Hierop wordt het 
koükicl, nog warm, in de fuikeiTormen gegooten, 
in welken het koud en teffens hard wordt. Zo lang 
liet vocht iu de ketels nog ziedt en opborrelt , moet 

meu 



RËÏZE VAN TRUXfLLO NAAR LïlSlX. 

men een waakzaam oog houden, dat niet iemand uit 
boosheid een zuutren oranjeappel of citroen in den ke- 
tel vuitdrnkke ; want, indien 'er Hechts een weinig 
van dit zuure fap in het fufkervocht valt^ kan het 
Tiimmer dik worden gezooden , maar blijft' als een 
dunne most. ■ ^ - - 

Ten befl'uite deezer ftof zal^k nog kortlijlc verklaa-' 
ren, 'hoe de fuiker, van natuur bruin,' door herhaald 
huiveren fneeuivwit wordt. Men maakt Van' #eek 
pöttèbakkers leem of klei een ronde koek , meer oF 
ili'in-eeii vinger- dik. -Deeze legt men op de omgeltor* 
té fuiken'orm, welker fpitfe end beneden -eene kleine' 
opening heeft, die van buiten toegemaakt is, tot dac 
cle fuiker Ivoud e-n hard is geworden. Daarna w^ordü 
het gaatje geopend, en - het fpitfe end der vorni op 
een vat of pot gezet, in welken het- bruine vocht , 
eene foort van ftroop 'öf honig, die niet fEijf gewor-' 
den is, uit de fuikervorm neerdruipt. En opdat dée- 
ze ftroop des te beter weder druipend gemaakt, eo. 
van den fuiker volkomen afgefclieiden worde, 
men op het weeke pottebakkers leem , als een platte, 
koek op de vorm gelegd en dicht geflreeken'^ zuiver' 
versch putwater. Dit zinkt door het zachte leem. ,^ 
bevochtigt langzaam den fuiker. 
hard geworden , en voert langzaamerhand uit' den 
hard geworden fuiker de overgebleeven weeke bruine' 
ftroop weg , welke door de fpits van het geopende 
gaatje in het ondergezette vat druipt. Dit herhaak 
men zo dikwijls en zo lang , tot dat uit de opening, 
der vorm geen ftroop meer vloeit. Daarna neenit 
men de leemkoek weg , keert de vorm weder om , 
trekt ze boven bij de fpits van den fuiker af , zodat 

het 



5?^ 



3R. E ï -2 E NAAR P. E H !?• 



VUL 

AFD. 



het iwitte fuikerbrood alleen op de tafel ftaan blijft, 

_^ En dit heet, door gedaadig zuiveren den fuiker yaii 

175 1.' natuur bruin, fneeuwwit maaken* De fifiiker , wel- 
ke hard;en.eene paerlenkleur heeft,, is de , beste, de- 
wijl men met weinig daarvan de chokolaad , thee en 
andere zaaken zoet kan maaken. Op de-Kanarifche 
eilanden ,. in Holland , Frankrijk en Engeland , maakt 
tntn ;dc ■ fuikerbrooden flechts van drie of vijf po.nd;- 
maar ia ï^eru integendeel maakt men. ze ^ van vijftig 
tot zestig pond; zodat men met zo een fuikerbrood 
zekerlijk een halfjaar huis kan houden.. Van deezeii 
fuiker wordt niets, naar Europa gebragt; hij wordt, al^. 
leen :An Anierika verteerd. 

Zq wei, in deeze landflreeken , als op andere plaatfen 
van het koningrijk Peru , groeit, ook veel rijst , door de 
§paujaar4én arroz genaamd. Zij komt, hier te land alleen 
op zulke pla;atfen:voort , die warm en moerasfig zijn. 
De halm ,, daar de air op groeit, is eene el lang. De 
beste moet- zuiver, wit en grof zijn, ook gt^eneii 
fchimmelachtigen reuk hebben.. Dit graan wordt 
hier -door de inwooners zeer veel in de keuken tot 
voedfel gebruikt, fchooa het hun ook legQu den- 
buikloop ,en bijzonder den ropden loop tot een .artze- 
nijmiddel dient. ,. ' ' 

Van Guaura reisden wij naar GUACA5 eene aan» 
genaame, meierij van- ons genootfchap , daar ons de 
overlle der Jefuiten van Peru met alla -liefde en vriend- 
iijkheid ontving. , Hij kwam ons met do.- zjjnen te 
paard een uur gaans verre te gemoet, om mis met al- 
le gcestlijke ihiatfij in de meierij intcleiden.. Een 
achtfte eener uur van daar was de Vv^eg aan , we,erskan- 
ten met veele triumphboogeii p van fraaie groene bla- 
den, 



■ 



REÏZE VAN TRVXILLO NAAR LIMA. 



m 



den en bloemen gevlochten, bezet; oob waiTcn- de 
ftraaten daarmede beftrooid. De boomen, tuslche;ti_ 
de triumphboogen geplaatst , gaven ons de aange- 
naam ftc lommer tegen de heetc zonneftraalen. liier 
ftonden de jonge flaaven , de meisjes ter rechter , de 
jongens ter flinkerhand , in nieuwe gelijkvormige 
klecding , waarvan' fomrtiig'en öns -niet fraaie; Spaan» 
fche verfen verwelkomden. Daar zag men in gelijke 
orde en opfchik de volwasfene ïlaaven van beiderlei 
geilacht, die met klingende inuzrektnigen en asnge» 
naame gezangen ons gehoor en gemoed vervrotijkten. 
Terftond bij de intreedein de meierij werden" wij in 
.de kerk geleid ,- daar de Ambrofiaanfche. lofzang tot 
dankzegging, wegens onze gelukkig volbragte reize, 
■door de zwarten van beiderleie fexe onder heeriijl^ 
^muziek gezongen werd.- • . , ,. -., 

Den vijfden van Hooimaand floegen wij vroegtijdig 
op weg, om in de koelte aan eene herberg, eenzaam 
•Sian den wegitaande, te komen, daar ons de, kaf- 
meester der Jeluiten van Lima met de m.aaltijd op- 
wachtte. Na de tafel kwamen ons uit de ftad ver- 
fcheidene. onzer ordebroederen , met andere geeste- 
lijke-en waereldlijke heeren te paard te gemoet,, d^e 
ons tot in de fiad verzelden , in welke wij des namid- 
dags ten vier uur fris en gezond onze intreede dee- 
den. Ik ben niet in ftaat , om met woorden genoeg- 
zaam uittedrükken , hoe blij, hoe liefderijk vWj aldaat 
door de onzen ontvangen werden. Aan wecrskanteii 
'ftortte men vreugdetraanen. Nadat wij van f»nzg zo 
lange reize een weinig uit hadden gerust, maalite.ïi 
wij têrilond den volgenden dag, naar landsgebnükr^ 
'en gelijk de pligt van ons vorderde , onze opwach- 
"■ - ting 



VUL 

AFD. 
1751. 






"t)S R E I Z È N A A R r E R U* 

ting bi] den onderkoning en den: aartsbisil:hop , wel^ 
ke beiden ons aliergimftigst ontvingen, en zich meer 
dïin een half uur lang in een aangenaam gefprek met 
'óns onderhielden. 



! ' 



l 



II 



IX. 

AFD. 



J75I. ES, 



N E G E N D E A F D E E L I N a 

BESCHRIJVING «ÜÖW LIMA; 'ü-aU de GEESTLIJ- 
KE en WAERELDLIJKE REGEERING deS 

landsj van de sp.aansche inwoone- 
■ • ren, htmne zeden en kleed in g. ' 

De- Spanjaarden' noemen deèze hoofdftad van het ge^ 
geheele koningrijk Peru la c i u d a d d é l o s r e y- 
^ dat is, de Ibd der koningen, maar de Ame- 
rikaanen lima, deels naar de rivier LiatA of Rfr 
M Ae , 't welk zo veel als praatachtig heet ; deels van 
eenen kleinen afgod van deezen naam, eertijds door 
de Indiaanen aldaar vereerd, en als. eene . godfpraak 
"om raad gevraagd; deels wegens het fterkgeruisdu 
welk' de fnëlvlieteftde ftroom over - de. menigvuldige 
groote fteenén zonder ophouden- maakt^ en. welken 
hij of met zich voortrolt of tegen welken hij met 
groot geraas aaoiloöt. Deeze rivier vloeit door de 
-ftad , en- verdeeltzc in twee deelen , -die- door eene 
•zeer groote « breede en van gehouwen fteenen opge- 
bouwde brug famenhangen ; op welke bijkans alle 
avonden omtrent zonnenondergang veele dames met 
liaare fraaie ligte halve koetfen een half of .een vierde 
'van een uur dc;n koetfier ftil doen houden, om 'er de 
'köt^lé en ■aangenaamc avondrucht te. genieten. De ri- 
vier levert overvloed ym de beste kreeften op. Wan- 
neer 



k 



ISESCiniIJVING VAN LIMAó 

ttecr op de bergen van Peru , daar zij haaren oorfprong IX. /ro* 
heeft, veel regen valt, zwelt zij zeer hoog op, 
overftroomcnde haare oevers wijd en breed , en zulks 
menigmaal niet zonder groote fchaade en gevaar. 

Lima ligt op de zuider breedte van twaalf graa- 
den, twee minuuten en een en dertig fekonden. Zij 
is de voornaam (Ie en rijkfte koopftad in Zuid -Ameri- 
ka. Hoewel zij bijkans aan alle zijden met muureii 
omringd is , hebben deezCn echter niet veel tot haarë 
verdediging te beduiden , dewijl zij door eenig@ 
fcherpgelaaden kanonfchooten ligtlijk ter aarde gewor- 
pen kunnen wordeui In lengte, breedte en grootte 
wijkt zij voor de grootfte fteden in Europa bijkans 
niet. Zo wel de kerken, als de huizen, waarvan de 
meeste door de fchriklijke aardbeeving van den aclit 
en twintigften van Wijnmaanddes jaars 1746 of groot- 
lijks befchaadigd, of geheel ingellort waren, zija 
thans allen fraaier en prachtiger herbouwd. De hui- 
zen zijn Hechts eene verdieping hoog , doch ruim iii 
den omtrek, van binnen met rijk en kostbaar huis^ ' 
raad prachtig opgefierd, en van buiten zo net en kun-^ 
ftig gefchilderd , dat zij op eene aangenaam e wijze in 
de oogen vallen. Zij hebben geene fchuinfche , maar 
allen fraaie platte daken , daar zich de bewooners bij 
zonnenondergang gemeenlijk op begeeven, om ver- 
fche avondlucht te genieten. 

De kerken hebben den voorrang, boven alle ge* 
bouwen der ftad, in pracht en kostbaarheid. Veelcii 
derzelven zijn ongemeen deftig en heerlijk, met veele 
groote en zeer welluidende klokken op höare hooge 
torens voorzien, die niet, gelijk in Duitschland en 
elders, door middel van touwen bewoogen, maar 
G bo" 



i; 



98 



R E I Z E NAAR PERU. 



i ;i 



IX. /».i-D. boven, op de wijze van een klokkenrpel, aaiigefla» 

' '"" gen worden. Wonder aangenaam is het te liooren , 

^^^'* wanneer zij allen op de voornaamfte feestdagen, in 
alle de kerken der ftad, des middags en des avonds 
na der engelen groete gefpeeld worden. Naar mijnen 
dmik is de Jefuitenkerk van S. Xaverius de prachtigfte 
van allen. Bij haaren ingang pronkt zij met twee fraaie 
torens. Zij is ook met veele rijke kerküeraadjen opge- 
fchikt. Hierop volgt de domkerk, die, hoewel groo- 
ter , echter in veele ftukkcn minder dan de voorige is. 
Ons genootfchap had, behalve de kweekfchool 
van S. Maarten , nog vier andere geestlijke huizen in 
^ de ftad. Het eerde is het profeshuis, den naam van 
de gezegende maagd moeder der verlaatenen , defam- 
parados , draagende , dicht aan de rivier Rimak en de 
brug over dezelve gelegen. Het geheele gebouw be- 
üaat uit groote en dikke boomen , van binnen kruis- 
wijze over elkander liggende , en door ijzeren kram- 
men aan elkander gehecht , om de zwaare aardbee- 
vingen, waaraan de ftad zo zeer onderhevig is, te- 
gen te (laan. De kerk bij dit huis is wel klein , doe»! 
van binnen zeer netjes verfierd. Boven zijn de ge- 
welven der kerk, allen van tigchel-, of gebakkenftee- 
nen gemetfeld, met een dik, harden wit kalkmeng- 
fel op de Italiaanfche wijze overtoogen , effen ge- 
maakt , en met een traliewerk omgeeven ; daar de on- 
zen des avonds verfche lucht fcheppen. 

Het tweede is het huis des derden proefjaars , in 
de voorftad ftaande, en el cercado genaamd. Daar is 
een heerlijke tuin bij. De kerk is eene parochiekerk , 
daar de onzen de talrijke Indiaanen, in de voorilad 
woonendCj met geestlijke dingen verzorgdeu. 

Het 



l 



fmmmmmimm 



ËESCÏililjVlNG VAN tiMA* 

Het derde was het huis des eerden proefjaars. Het IX. aèd. 

ftaat dicht aan den ftadsmuur, en is zo groot, met ^ 

cene zo fierlijke huiskapel , en eenen zo' aangenaa» 
men, frjlaien en grooten tuin voorzien , dat ik in Eu- 
ropa geert netter en ruimer gezien heb. De tuin 
ftrektzich wijd uit, heeft èenen grooten omtrek, is 
in de fchoonfle orde met vcele cbirimoya-, polta-, 
granadilla- en andere vi'uchtbaare boomen beplant, 
met de wekiekendfte bloemen en kruiden bezet, en 
wordt door een koel aangenaam beekje, welk 'er 
door vliet , bevochtigd en vruchtbaar gemaakt. 
Overal ftaan onder de lommerrijke boomen kleine ka- 
pellen , den nieuwhngen tot godsdicnstoeffening zeer 
dienftig. Ook zijn in den tuin verfcheidene flinger- 
laantjes en doolhoven , door kundig geplante groene 
haagen gemaakt , en des te aangenaamer om te be- 
wandelen , hoe meer zij , door overeenhaugende tak- 
ken en dik loof tegen de heete zonneftraalen gedekt» 
eene verkwiklijke lommer- geeven. Langs de muureu 
zijn deels wijnftokken, deels verfcheidene kostbaare 
ooftboomen geleid, welke het geheele jaar door 
groen zijn , en beurtling bloeien en vruchten draagen. 
Het vierde huis is het groote kollegie van S. Pau- 
lus. Meer dan honderd Jefuiten woonden daarin, In 
hetzelve werden de kleinere en grootere fchoolen ge- 
houden. Daarenboven hadden wij in 't midden der 
ftad nog een ander groot hof, de la chacarilla , mee 
eene treflijke huiskapel, daar het jaar door op beftem- 
de tijden burgers en kooplieden de geestlijke oeffenin« 
gen van den heiligen Ignatius deeden. 

Lima heeft ook eene voornaame hoogefchoöl, dö 

laeroemdfte in geheel Zuid - Amerika 3 en op den voet 

G 3 vm 




ïiDO 



ÜEIZE NAAR PERÜ. 



J:X. AFD. van die van Salaraanka ingericht. Zij heeft uit on- 
'"777" (itricheidene orden de beste leeraars, en wordt rijk- 



lijk ondcrlioiidcn , zodat alle geestlijke en waereldlij- 
ke weetenfchappen hier jaarlijks in het groote en 
prachtige akadcmie - gebouw met bijzonderen roem 
vim geleerdheid verhandeld worden. In de omlig- 
gende landftreeken der ftad zijn veele landgoederen , 
histhuizen , tuinen en hoeven , daar de bewooners 
veele graancn , vruchten , iuikerriet , en andere Ame- 
rikaanfche gewasfen teelen. Alle deeze plantaadjen 
worden door middel van veele kleine griften, uit de 
beeken, aan den voet van het gebergte ontftaande, 
derwaard geleid, op zekere tijden bevochtigd , dewijl 
het hier het geheele jaar door niet regent. 

Ik gaa nu tot de befchrijving der geestlijke en wae- 
reldlijke regeering in Lima over. 
- In het geestlijke voert de aartsbisfchop hier het op- 
perbefticr. Onder hem ftaan verfcheidene bisfchop- 
pen van Peru en Chili. Doch hedendaags is zijn 
geestlijk rechtsgebied merklijk ingekort door het 
nieuwe aartsbisdom , te Plata of Chuquifaka opge- 
Tccht , waaraan veele bisfchoppen van Peru en Para- 
guaij, eertijds onder dat van Lima ftaande, onder- 
worpen zijn. De voorzitter der inquifitie woont ook 
in Lima, aan wiens vierfchaar, uit verfcheidene 
raadsheeren zo van orde- als waereldlijke geestlijken 
beftaande , geheel Zuid - Amerika in geloofszaaken 
ondergefchikt is. Dit eertijds door de Roomschka- 
iholijke kerk ingevoerde gericht, kon zo wel mij, 
als aan andere vernuftige mannen , hier te land niec 
ïiieer behangen. Sints etlijke jaaren zijn 'er veele 
aiusbruiken ingeiloopen , die noch van God, noch 

: Tin 



BESCHRIJVING VAN LIMA. 

van redelijke menfcbeii gebillijlvt kunnen worden. ÏX. 
Daarenboven is de hovaardij deezer opperrechteren zo 
hoog gereezen , dat zij zich niet flechts boven de bis- 
ichoppen , maar zelfs ook boven de aartsbislclioppun 
verheffen , en op geenerhande wijze aan hunne heil» 
zaame wetten en verordeningen onderwerpen willen , 
niettegenftaande zulks tegen alle kerklijke tuclit en 
kerkkenordening aanloopt. 

De waereldlijke regeering is in handen des onder- 
konings, wiens last door veele raadsheeren onder- 
fteund wordt. Hoe hoog deeze lieden hier gcichat 
en aangezien willen worden, kan hij alleen bezeilen, 
die de ongewoone eerbewijzingen , welken deeze ie- 
dele en hoogdraavende menfchen van het genieeiic 
volk begeeren, zelf gezien heeft. Aan dit hooge 
gerechtshof te Linia zijn alle de overige waereldlijke 
gerichten van geheel Zuid - Amerika ondervv-orpen. 
Deeze zuigen gemeenhjk door hunne dwingelandij en. 
onverzaadlijke geldgierigheid den armen Indiaanen 
het bloed uit de aderen. Hier komen nog de Indiaan- 
fche. .overheden , caziques o^maykos gena^amd , bij , dvi 
naar het kwaade voorbeeld der Spanjaarden zich niet 
gelukkig achten, wanneer zij niet het geringe over- 
ichot van peimingen uit de beurs der arme Indiaanen 
uitpersfen. 't Is derlialve geenzins te verwonderen ,. 
dat het getal der Indiaanen jaarlijks , ja bijkans daag- 
lijks 5 afneemt , gaande in groote menigte tat de nog- 
Qnbekeerde Indiaanen weder over. 

Niet minder onverdraaglijk is ook de booslicid ca 

gierigheid van veele priestcren, die ander de gedaante 

van herders als grijpende wolven niet de Spaanfcho 

m Indiaanfche recliters als om flrijd ievcrcn , om 

G. :; den 



■IS 



T 



2ö£ 



HEIZE NAAR PER l:% 



3751. 



IX. AFD. den beklaagenswaardigen Indiaaneii zelfs de huid af- 
teftroopeii ; doordien zij , zondev zich aan de wetten 
en de zogenaamde jura ftoU of kerkrechten te hou* 
den, de arme Indiaanen onbermhartig fcheeren, en 
hun ten laatfte zelfs het huisraad tot hunne onrecht* 
vaardige betaahng uit het huis laaten fleepen.x En 
waartoe zulke onbermhartige kerkendienaars dit geld 
der armen, welk om wraak roept, aanwenden, is 
duidlijk te zien, wanneer men hunne kostbaare klee- 
derpracht, hunnen overvloed in eeten en drinken, 
hun geftaadig dobbelen en kaartfpeelen , en hunne 
bijzitten , met welken zij verfcheidene bastaarden tee- 
len, die in het koningrijk Peru openlijk roemen 
van zulke ongeestlijke vaders afteftammen , in over'^ 
weegiug neemt. Hieruit is ligtlijk optemaaken , hoe 
zeer de armhartige nicuwbekeerden geestlijk voedfel 
van nooden hebben. Want wat voor een onderwijs 
in geloofszaaken en zeden kunnen toch deeze be^. 
drukten van zodaanige herders hoopen, die als on- 
kuifche en gieiigaarts godlijke en menschlijke vsretten 
oveitreeden? Ik moet echter ook bekennen, dat 'er 
veele goede, vroome, medelijdende geestlijke herders 
teffèns gevonden worden , die , met christlijken iever 
begaafd, jegens deeze armen hartlijk medelijden voe- 
den , en hen met geestlijke fpijs zorgvuldig voorzien. 
Betreffende de zeden der inwooneren van Lima eij 
van het geheele koningrijk Peru; kan ik wel niet 
ontkennen, dat 'er veele welopgevoede lieden van 
beiderlei gefiacht , afftamlingen van vroome ouderen, 
groote proeven van deugd en vroomheid laaten blij^ 
ken ; ook dat 'er eene bijzondere onfchuld des leevens 
ondei" de nieuwbekeerde Indiaanen uitblinkt, voor- 
naam- 



W^ 



BESCHRIJVING VAN LIMA. 

naamlijk bij hen , die van de gemeenfchap met de IX. afd. 
.Spanjaarden een weinig afgezonderd lecven: maar 
hoe vroomer en dcugdzaamer deeze zijn , des te boo- 
zer en uitgelaatener zijn veele anderen ; zodat ili niet 
fcliroonie, de hoofdlbd Lima, en andere fteden en 
dorpen van dit rijk, met Sodom en Gomorrha te ver- 
gelijken. Want 'er is bijkans geene foort van zon- 
den tegen het zesde gebod 18 ^ aan welken dit booze 
en ontuchtige volk niet overgegeeven is ; wairom ook 
de verfoeilijke en fchandelijke Spaanfche ziekte overal 
hier te land heerscht. Zelfs is 'er reeds de tedere 
jeugd doorgaans ten uiterfte ontaard en verdorven. 
Doch ook hierover behoeft men zich niet te vei-won- 
deren, wanneer men de verregaande en fteedsaan- 
houdende ergernisfen aanmerkt , die tot alle boosheid 
gelegenheid geeven. Veele fchaamtelooze menfcheii 
ontzien zich hier te land niet, in hunne ontucht te 
roemen ; dewijl die zonde noch door de geestlijke , 
noch door de waereldlijke overheid behoorlijk be- 
ftra'ft , maar flechts. als eene zwakheid der verdorvene 
menschlijke natuur aangezien wordt. 

Men moet bekennen , dat de kinderen , jongens en 
meisjes , uit Spaansch bloed gefprooten , een zeer in- 
neemend bevallig gelaat, en verwonderenswaardige 
natuurgaaven hebben. Ook bezitten de jonge Indiaa- 
nen veel aartigheid en goede eigenfchappen , waar- 
door zij lof en liefde verdienen. De mannen, van 

Spaansch 

^^ Zekerlijk bedoelt de heer ba tier hier het gebod! 
Gij zult niet echtbreeken , welk volgens de onderfcheiding 
der geboden, in de Roomfche kerk gebruikiijk, het zesde j 
maar volgens onze verdeeling, het zevende is. 

G4 



lo4 



RETZS NAAR. PE R't'. 



2751- 



IX. AFD. Spaansch bloed afftammende , zijn den Eiii'opeefcherï 
Spanjaarden in gezigtstrekken , in fpraak en kleedij 
volkomen gelijkvormig; doch de meesten fpreeken 
ook, wegens hunnen beftendigen omgang met de In^ 
diaanen , de gewoone landtaal. 

Men reist hier te paard, of op muilezels, en draagt 
dan over zijne kleederen een' vierhoekigen mantel , 
poncho genaamd. Deeze is kostbaar, en met zijden 
bloemen en andere fieraaden prachtig gedikt. In 'e 
midden heeft hij eene opening gelijk een misgewaad , 
daar men het hoofd door ileekt. De mantel hangt 
rondom langs het ligehaam neer, en befchermt de 
idccderen der reizenden zo wel tegen het ftof, als 
tegen hagel en piasregen. Ook bedienen 'er zich de 
geestlijken van op hunne reizen, doch van donkere 
of violetblaauwe kleur; gelijk ook de dames, wan-r 
ïicer zij op haare dwarszadels rijden. Deeze zadels 
zijn Van rood , groen of blaauw fluweel , rijk met 
goud of zilver geflikt. Aan de rechterzijde , daar zij 
te paard of op het muilezel ftijgen , heeft het eeii 
klein voetbankje , aan twee fterke leeren riemen han? 
gende , waarop zij haare voeten zetten. Ook is het 
zadel, aan beide zijden met twee kleine leuningen 
voorzien , gelijk die van eenen leuning- of armftoel , 
vvcek en insgelijks met fluweel overtrokken. Op dee-c 
zen rusten de beide armen. Achter is een fterke lee.^ 
ren riem , eene hand breed , en met fluweel overtoo-» 
gen, welke, aan de beide leuningen vastgemaakt, 
de rijdende dame , dwars op het muilezel of paard 
zittende , bewaart , om niet achterover te vallen. 
Met de flinkerhand beftiert zij het paard of muilezel; 
en in de j-echtcr houdt zij de zweep. Veele dames 

zijri 



JS E SC II II I.ILV I N G V A N L I MA. 



ïo5r 



751 



feïjn zo üout , dat zij met de hceren om 't hardst rijden. IX. afd. 
. De dames van Spaanfche afl^omst te Lima, die 
ongemeen fchoon zijn , hebben ecu' gantsch anderen 
öplGhik in de kleeding, dan de Europeefche. Haare 
kleine fchoencn r hebben f]echts eeiie enlvele dnnne, 
zöol zonder hiel , zijn niet fpits , maar rond , en het 
bovenfte daarvan is van fijn rood, gro^n, blaauw,, 
geel of zwart Spannsch leer , welk, gelijk de Ideine 
beeldjes van heiligen , doorgeflagen is , opdat de 
kleur der fraaie zijden kousfen 'er door blinke. De 
ichoengespen zijn bij voornaame en rijke d?.mes met 
diamanten bezet, De fijne zijden kousfen binden zij 
bij de knie, met een kostbaar lini:, drie vingeren 
breed , welks beide uiterfte enden onder aan met goud 
of zilver geflikt, en met zilveren of gouden kwastjes 
voorzien zijn, die bijkans tot aan de enkels neerhan- 
gen. Over het onderlijf draagen zij een klein roks^ 
ken , gelijk onze loopers , welk van vooren open 5 
bijkans eene fpan lang over?engeflagen is , en met 
eenen zilveren of gouden haak op de heup vastge» 
maakt wordt. Dit roksken , faldellin, is of van flu-_ 
weel, of van zeer rijk (lof gemaakt, met gouden of 
zilveren kanten rondom bezet, en van onderen met 
een geplooid fraai lint bezoomd. Van vooren hangen 
zij over dat roksken een klein boezelaaitje van wit en 
net gebloemd gaas, kunffig en fraai gevouwd, waar^ 
door het rijke en prachtige rol>sken uitfchijnt. 

Wanneer zij naar de kerk g?ian , doen zij een' ande- 
ren van zwart taft , damast of fluweel gemaakten rok , 
manto, daarover aan, die rondom aartig gevouwd, 
en van onder met de fijnlle zwarte kanten bezet is. 
Peeze is aan alle jijden toegenuaid^ eii heeft van bo- 
G I vei3 



: i!i 



If 



w 



!•, ,i^ 



1 :' 



'töi 



^SI2E NAAil PERU, 



ÏX. 



J75I 



AFD. ven èene opening , door welke zij dien over het hoofd 
■ aandoen, maakende dien aan beide heupen met lin- 
ten vast. Deeze bovenrok is van vooren naauwlijks 
twee vingeren langer , dan het kleine prachtige onder- 
roksken , maar van achter heeft hij bij de meeste 
voornaame dames eenen breeden en langen Heep , die 
of door eene kleine zwarte, net gekleede flaavin na- 
gedraagen, of door haarzelven prachtig nagefleept 
wordt. Over de beide korte rokken , komt iets Van 
het fijne overhembd , fustan, heen, en is meer dan 
eene fpan lang met de fijnfte en kostbaarfte Brabant- 
fehe kanten belegd , zodat men echter nog door de- 
zelve de zijden koiisfen en de kuiten kan zien door- 
fchijnen. Boven bij de heupen, daar de twee rokjes 
toegebonden zijn, draagen zij een' fluweelen fluier, 
drie vingeren breed , welke van de beide heupen af 
tot voor aan de gouden gesp, daar hij mede toege- 
gespt is , met doorgeflagen goud en diamanten bezet 
is. Het bovenlijf, van de rokjes af tot aan den hals 
toe, bedekken zij met een wit borstrokje van het 
fijnfte bombazijn gemaakt, net om het lijf pasfende, 
en met veele kleine blinkende knoopjes toegeknoopt. 
Op beide de voorpandjes zijn langs heen roode lintjes 
flangswijze genaaid, welke met reien van de fijnfte 
Hollandfehe kanten belegd zijn. De knoopsgaat^s 
zijn van goud of zilver fraai geftikt , 't welk het wit 
borstrokje van vooren zeer fraai ten voorfchijn doet 
komen. Hierover doen zij een klein kamizooltje of 
vest aan , van hetzelze. rijke flof als het onderroksken 
gemaakt ; welk , gelijk het gemelde onderroksken on- 
gemeen fraai met goud of zilver bezoomd , en ver- 
fierd, van vooren open hangt, op dat het onderfle 

wit- 



I n 



■ 



wmm 



BESCHRIJVING VAN LIMA. 



ÏOf 



17 SU 



witte -borstrokje niet bedekt worde. Deeze vest heeft IX. afd, 
twee wijde mouwen, die tot aan den elleboog rei- 
kende , boven open , en met drie ftrikken , van kost- 
baare zijden linten gemaakt, bij de fchouders, in 't 
midden , en boven den elboog toegebonden wordeit. 
Van onder zijn zij aan beide zijden bij den elboog 
met een zakje beüooten , in welk zij aan de rechter- 
zijde den neusdoek, en aan de (linkerzijde veele 
blaadjes van welriekende bloemkens hebben, van 
welken zij deheeren, die haar bezoeken, eenigen in 
de hand geeven, om 'er aan te ruiken, en wanneer 
zodaanig een heer reeds meer dan een goed vriend is» 
werpen zij hem ook etlijke in, het aangezigt. Doof 
de wijde mouwen van het kamizool tje , zijnde het 
witte borstrokje zonder mouwen , trekken zij de fijn^ 
hembdsmouwen uit , die open en , gelijk de mouwen. 
van een wit choorkleed , zeer wijd zijn. Deeze vou^. 
wen zij zeer aartig te famen , en fteeken ze op de 
fchouders onder het ftrik van fraai zijden hnt met et- 
lijke fpèlden vast; maar het onderde end, met fijne 
Hollandfche kanten bezet, hangt onder den arm to€ 
op de heup neer, zodat de helft der beide armen 
bloot blijft ; welke blootheid zij door kostbaare arm- 
ficraaden , die of uit gouden armringen , eenen vin- 
'geii,.dik, en twee duim breed, met de zuiverfte dia- 
manten bezet 5 of uit fnoeren groote en fijne paarlen 
beftaan, eenigziiis verminderen, 

Aan bijkans alle haare vingers draagen zij gouden 
ringen, waarvan de meesten met brillanten, en an- 
d<ere kostUjke edelgefleenten ingeval zijn. Om den hals 
hebben zij of fijne paerlenfnoeren , of een fraai zi}" 
ém lint 5 raet goud geftila, en met diamanten rijk 

be« 



tm 



ft«r2JE NAAR. PERtf. 



f 



r 



if 



i?5r' 



iX.AFD. bezet, waaraan van vooren een gouden kruis mtt 
■ brillanten neerhangt. Niet minder prachtig zijn haa- 
, re oorringen. Het hair draagen zij zeer lang. Onder 
is het in veele ftrengen met roode linten zeer aartig 
gevlochten, en famengebonden. 

Wanneer zij bezoeken hebben , of uit wandelen 
gaan, hangen zij over de kleederen van het boven- 
lijf een' witten, met bloemkens fraai gev/erkten 
flnier, of een manteltje, welks eene end zij over den 
flinker fchouder werpen , opdat ook van vooren de 
borst bedekt blijve. Wanneer zij eene wandeling doen, 
draagen zij eenen fraaien witten hoed, die rond, van 
fijn kastoor, en aan ae flinkerzijde met een' gouden 
óf zilveren knoop en lis opgezet is. De rijke gouden 
of zilveren hoedeband, drie vingeren breed, hangt 
aan de rechterzijde achterwaards met zijn kwastje van. 
den rand. neer. Wanneer zij zich ter kerk, of anders 
naar een voornaam huis , om 'er een bezoek te doen , 
begeeven, leggen zij den witten fluier af, en winden 
het bovenlijf in een ander klem manteltje , rebozo ge^ 
ftaamd , welk een weinig over haare heupen neerhangt. 
Dit is uit purperrood of violetblaauw fluweel, of ook 
wel uit fijn violetblaauw wollen ftof , bayetta de Cas-, 
tilla geheeten , gemaakt. Het manteltje is van onder 
rondom met zwart fluweel, ter bree-dte van twee 
handbreed, netjes bezoomd. Zij flaan insgelijks het 
eene end daarvan over den flinker fchouder tot op. 
den rug, 

= In de kerk plaatfen zij zich nooit op de bank; maar 
eene zwarte flaavin, of eene Indiaanfche kamenier- 
draagt onder haaren arm een klein, fraai, gebloemd 
tapijtje, welk zi] in de kerk op den grond uitfpreidt, 
■ — en 



m/m 



■m 



SESCllR-IjVït^G VAN LIMAi 



109 



1751. 



en waarop de dames neerknielen. Onder de predika- IX. afd. 
tic gaan zij met kruiswijze ovcreengeflagen beenen, 
gelijk de turkfche vrouwen , op het tapijtje zitten. 
Ook te huis zitten zij nooit op ftoelen, gelijk de 
mansperfoonen ; maar zij hebben in de kamers langs 
den muur een zoldertje van planken gemaakt, welk 
zij el estrado noemen. In de breedte heeft het omtrent 
twee en een half el, en m delengte neemt het dik- 
wijls den geheelen muur in. Van de vloer der kamer 
is het gemeenhjk eene fpan hoog verheven. Het is 
fteeds met een groot en fraaigebloemd tapijt bedekt, 
op welken langs den muur veele fiuweelen of damas- 
ten kusfens in nette orde liggen, op welken de dames 
2ich plaatfen. Op eetenstijden zetten de heeren zich 
op ftoelen aan de tafel; maar de dames blijven op 
haar estrades zitten , daar men haar verfcheidene kleine 
tafeltjes met fpijs v(öorzet. Haaren grootften fieraad 
en fchoonheid ftellen zij in een' kleinen voet; om 
welke reden de moeders de voetjes haarer tedere fprui- 
ten fterk bewinden , opdat zij niet al te groot zouden 
groeien. In het danfen beweegen zij de voeten zeer 
kunftig, ras en aartig; zodat het eeiij vermaak is, 
haar te zien danfen. 



H''' 



TïEN^ 



110 



REI2E NAAR ^ERÜ^ 



X. 



nüw 



ïrsi 



TIENDE AFDEELING, 

Vervolg van lima; vait de indiaanschb 

iNwooNERS dier ftad'y van de pbruaanen 

in *t algemeen , hunne gewoonten, ze- 

DEN) LEEVENSWIJZE, KLEE- 
DING, enz. 

AFD.De Indiaanen van Zuid -Amerika van beiderlei ge*- 
flacht zijn van de Spanjaarden zo wel in taal en ze- 
den , als in gezigtstrekken en kleeding ondeifcheiden. 
Sommigen fpreeken de taal Quitfchua s , welke de al- 
gemeene landtaal des koningrijks is ; anderen bedienen 
zich vandetaal^3/mflra, die de gemeene landtaal in het 
bisdom Paz is ; hoewel men ook in andere provinciën 
van dit rijk nog zeer veele bijzondere taaien fpreelvt. 
De Peruaanen zijn, volgens aangebooren aart, 
zeer kleinmoedig en vertfaagd ; aan den drank groot- 
lijks overgegeeven , en aan het valsch zweeren zo ge- 
wend, dat de rechters hun geenen eed durven op- 
leggen. Hunne neiging tot allerhande afgoderij en 
duivelfche bijgeloovigheid is ongemeen fterk. Hier- 
om moeten de zielzorgers fteeds een waakzaam oog 
houden , en naarvorfchen , op welke bergen , holen 
en dalen de nieuwbekeerden dikwijls bij een pleegen 
te komen. Zij hebben nog kleine gouden en zilve- 



ren gegooten afgodsbeelden 



in holen verborgen, 
wer- 



1 : 



i Van de taal Qiiitfchna heeft de Jefuit ii o l q u i n ee* 
ïie uitvoerige fpraakkunst en woordenboek in löo/ te 
lima uiigegeeven. M. 



i. 



VERVOLG VAN LIMA. 

werwaard zij zich in ftilte begeeven , om van den dui- x. afd. 
vel hulp en raad te zoeken. Ook is de bijgeloovigheid 
hunner oude koningen , incas , nog niet uitgeroeid , 
doordien zij der zonne godhjke eer bewijzen. Van 
andere ontelbaare bijgeloovigheden , waaraan zij over* 
gegeeven zijn , wil ik Hechts eilijke tot een voorbeeld 
bijbrengen. 

Wanneer de maan verduifterd wordt, geraaken zij 
in duizend angften, flaan honden en katten, roeren 
de trommel, fchreeuwen ontzaglijk, leggen overal 
onder den blooten hemel vuur aan, waardoor zij de 
zieke en koudelijdende maan te hulp willen komen. 
Bij gelegenheid van het opkomen eener zwaare don- 
derbui, waarbij zij hagel en ftortregen over hunne 
veldvrugten verwachten, trekken de mannen hunne 
broeken , en de vrouwen haare rokken uit , waaiende 
'er op de akkere en bergen mede rond , om de wol- 
ken te verdeelen , en ras wegtedrijven. Wanneer de 
vrouwen in langen tijd van haare mannen geene fla- 
gen hebben gekreegen , meenen zij vastlijk , dat de 
man naar eene andere gaat, en haar niet meer lief 
heeft; weshalve zij hem om flagen bidden; en, wan- 
neer de man weigert, zulks te doen, houden zij niet 
op met hem te twisten, en hem te lasteren, tot dat 
hij eindelijk uit ongeduld en toorn eenen ftok aan- 
grijpt , en de vrouw tegen zijnen wil den rug daar- 
mede fmeert. 

Op zekere tijden geeven zij aan den aardbodem 
fpij^ en drank, opdat hij van honger en dorst niet 
vergaa, maar goede vruchten voortbrenge. Uit het 
vogelgefchreeuw voorfpellen zij toekomende dingen. 
Zij geneezen menfchen en beesten met duizenderleie 

bij- 



Ül 



mm 



m 



■Il 



M 



iU 



R E i Z È ]^ A A ïl PERU. 



1751 



AFD. bijgelöoviglieden , gelijk de herders en oude wijven 
""* in Duitschland pleegen te doen. Blixem en donder 5 
die op de gebergten van Peru zeer zwaar , en op ze-* 
kere jaargetijden bijna daaglijksch zijn , worden naar 
hunneil dunk door S. Jakob veroorzaakt, beuzelende 
zij van hem, dat hij in de lucht, en in de wolken 
fnel heen en weer rijde, en vol toorn nu hier, dan 
daar dé donderpijlen neerwerpe. Zij zijn met deezc 
bijgeloovige meening zo zeer ingenomen , dat , wan- 
neer 'er bij toeval door den blixem brand in een huis 
ontflaat, men hen door Hagen aan moet drijven, om 
water tot losfching bijtedraagen : want zij zeggen^ 
dat de heilige Jakob zich vertoornt over hen , die 
zich onderwinden, den brand te losfchen; dewijl hij 
het vuur van den hemel geworpen heeft ^ om de^ 
buurmans boosheid te ftraffen. Hiervan moet ik 
zelf een getuige zijn. Toen in een dorp^ daar ik 
was, etlijke huizen door eene blixemftraal in brand 
werden gedoken , en eene Indiaanfche vrouw 'er wa- 
ter in goot , doch zich bij ongeluk brandde , gaven 
de nabuurige vrouwen haar, toen zij te bed lag, in 
plaats van troost, allerhande fchimpnaamen , zeg- 
gende : ^, ai ! hoe billijk beloont u de heilige Jakob 
„ wegens uwe vermetelheid, dat gij, onbezonnen 
3, wijf j u onderwonden hebt , met hem ecnen flrijd 
„ aantevangen. " 

Den dooden geeven zij fpijs en drank mede , en al 
wat tot eene groote reize van nooden is; 't welk zij 
onder het doodkleed zorgvuldig verbergen. Want 
zij zijn bevi'eesd voor de zv. aare en gevoelige kas- 
tijdingen, welken hunne zielzorgers hun wegens dit- 
belachlyk misbruik aan. Ig aten doen 5 wanrieer goede 

vêr« 



VERVOLG VAN LIMA. 



113 



ï75«' 



VTïrmaaningcii niets willen helpen. Ook voorzien zy X* afd. 
den dooden nog van nnalden en garen , om op reizc 
zijne kleederen te kannen verilellen, en met de nauld 
de doornen uit zijnen voet te kunnen gmaven ; want 
■zij verbeelden zich, dat de overleedenen over cenen 
nieuwen en met veele doornen begroeiden berg moe- 
ten reizen. Zij dooden ook den hond , die hem ia 
leeven de getrouwfte was , om den overleedenen op 
de reize tegen de moordenaars te befchermen. Op 
zekere dagen des jaars fluipen zij heimlijk naar het 
graf, en gieten 'er Amerikaansch bier op, om den 
dooden zijnen dorst te lesfchen ; doch dit doen zij zo 
behendig, dat men meenen zou, alsof zjr 'er wijwa- 
ter op fprengden , indien raen niet uit den reuk het 
bier bemerkte. Na verloop van een jaar houden zij 
kostbaare maaltijden , Waarbij zij op de gezondheid 
des overleedenen dapper ronddrinken, dat hij zijiiG 
reize naar de eeuwigheid gelukkig volbrengen moge. 
De Indiaanen lie,2;en zonder fchaamte: weshalve 



om te biechten , alleen om den biechtvader te bedrie^ 
gen, en, dewijl zij gemeenlijk zonder voorafgaand 
geweetensonderzoek komen , moet men hen met alle 
mooglijke zagtmoedigheid en vleiende woorden be- 
hoedzaam uitvorsfchen , opdat zij niet uit vreeze 
hunne zonden verzwijgen. Het getal, welk zij bij 
de eerfte foort van zonden opgeeven , geeven zij door- 
gaans bij alle andere volgende foorten op *, die zij 
biechten. Hierom moet een verftandig biechtvader <> 
wanneer hij de neiging van hem , die biecht , eenigzins 
kent , zich zelf een gevoeglijk getal voorftelien* 

H Zij 



ÏI4 



IIEIZE NAAR PER.U. 



1-75 ï- 



X. AFD. Zij wooneii zeer gaarn op heuvelen , daar zij hniiric 
fchaapeii weiden , opdat zij overal rond kunnen zien , 
indien 'er iemand mogt weezen , die hun vee fchaade 
iiiogt willen toebrengen; doch men heeft de meeden 
deezcr nieuwbekeerden in de dorpen gebragt , ten 
einde hun door den omgang met de goede en vroome 
Indiaanen allengs van hunne bijgeloovigheden te ver- 
loslen. Zij woonen in Hechte hutten, van fleen en 
leem gebouwd, en met lang dor gras, chillua door 
hen genaamd, gedekt, óm zich tegen koude en regen 
te beveiligen. In den muur raaaken zij een klein gat, 
door welk een weinig licht in de hut in kan vallen. 
De deur , die over dag open blijft , beflaat uit eene 
koe-of osfenhuid , en is gemeenlijk zoolaag en naauw, 
dat men zich bij het ingaan bukken en draaijen moet. 
Hun bijzonder huisraad beftaat uit wol van vcr- 
fcheidene dieren des lands , v/aarvan zij kleederen en 
andere dingen , v/elken zij tot het gebruik van noodeii 
hebben , vervaardigen. Zij hebben veeicrhande aar-, 
dcnvv'crk, dat uit potaarde gemaakt, en goed bearbeid 
is; zij gebruiken het tot kooken, en om 'er hunnen 
drank in te bewaaren. Ook ontbreekt het hun niet 
aan verfcheidene werktuigen, tot de weefkunst be- 
treklijk; zelfs mangelt het hun niet aan zilvergaed, 
welk zij voor de oogen der Spanjaarden zorgvuldig 
verbergen, opdat het hun door hen niet ontnomen 
worde. Geheel anders is het met de adelijke Indiaa- 
nen gefleld, die in groote dorpen en op aangenaame 
iandhoeven v^^oonen. Deeze hebben zeer ruime en 
_gemaklijke huizen , die met veele kostbaare huisüe- 
raadeu opgefehila zijn, 

Hoe- 



■P"* 



VEPvVOLG VAN LIMA^ 



tiS 



y/si. 



IToewel de Indiaanen goud en zilver hoogfcbatten , X. Atü, 

. Mlen zij echter hunnen voornaamflen rijkdom in ' * 

groote kudden vee, die meerendeels uit Amerikaan- 
fche fchaapen beftaan. Doch zij hebben ook veele 
Europeefche osfen, koeien, zwijnen , paarden, ezels 
en fchaapen. \^an de Araerikaanfche fchaapen heb- 
benzij tweederleie foorten. De eerde noemen zij llama 
of carua. Dit fchaap is zo groot als een ezel , en ge- 
lijkt wegens zijnen langen hals en hoogen rug vccl 
Haar een klein kameel. Het is zeer bekwaam om last 
te draagen. Doch de wol is alleen goed, om 'er touw- 
werk en zakken van te maaken. De tweede foort 
noemen zij alpaka. Zij is bijna zo groot , als de eer- 
fle foort, maar onbekwaam om last te draagen. Zij 
heeft eenc goede, fijne en lange wol, die ''van het 
lijf fchier tot op de aarde twee en een halve fpan lang 
neerhangt. De Ideur deezer fchaapen is verfcheiden! 
Etlijke zijn over 't geheele lijf grijs , eenige gitzwart , 
andere donkerbruin , fommige fneeuwwlt , welke 
laatften de Indiaanen zeer hoog fchatten, Ó.Qwljl hun- 
ne wol zeer fraai kan geverfd worden. Zo wel dee- 
ze , als de andere Amerikaanfche fchaapen befchermeii 
zich tegen de menfchen door hunne Hinkende kwyi, 
die zij verre uitv^erpen. De honden weeten zij met 
hunne voorpooten afrchouden, llaande daarmede zo 
geweldig, dat ook de grimmigiten, wanneer zij eenen 
flag gekreegen hebben, jammerlijk fchreeuwen, den 
moed verliezen , en wegloopen. Het vleesch deezer 
fchaapen wordt van Indiaanen en Spanjaarden ge- 
geeten. 
Dg kocijcn , hier te land in overvloed , kosten zes 
H 2 of 



116 



REIZE NAAR. PERU. 



^751. 



:/ f 



X. AYü. of zeven Spaanfche dadders ; doch zij geeven niet het 
"geheelc jaar door melk, maar alleen wanneer zij kal- 
veren hebben. De kalveren ecten zij nooit , zeggen- 
de : het zou eeuwig fchaade zijn , zulke kleine dieren 
te dooden. De waarde der osfen is naar hunne jaaren 
bepaald; want zo veele jaaren als zij oud zijn, zo 
veele daalders kosten zij. Het Europeefche fchaap 
wordt voor eenen gulden verkocht , en onder de beste 
fpijzen gerekend. De Amerikaanfche fchaapen , die 
tot lastdraagen gebruikt kunnen worden, koopt men 
voor twee ipaaiifche daalders , de anderen voor één 
en één half, en de jongen om te eeten , voor één 
gulden. 

De fpijzen worden nit gebrek van boter, met ver- 
kensreufel, welk de Indiaanfche vrouwen, gelijk wij 
in Duitschland , zeer fijn uitfmelten , toebereid. Om 
deeze reden zijn de zwijnen hier duur , kostende 
meer dan een os, of koe. De gemeene Tndiaancn 
hebben hun vee zo lief, dat zij 'er zeer zelden een 
van dooden; want doorgaans nuttigen zij alleen die, 
welke aan een ziekte fterven. Wanneer zij derhalve 
uit honger een van hun vee moeten ilachtcn , zetten 
zij het al weenende liet mes op de keel , en de om- 
üaande wijven beklaagen met fcbreien en huilen het 
dier, met den dood worftelende. 

Het voornaamfte voedfel der Indiaanen bedaat in 
aardappelen , die zij choquenaka noemen. Tot het 
aankweeken van dit nuttig gewas worden de meefte 
velden op de Peruaanfche gebergten bebouwd , dewijl 
zij tot s:eeu ander voortbrengfcl dienllig zijn» In Zo- 
mermaand , waanneer het hier te land bijkans alle 
* nach- 



,^^ 



ifM« 



VERVOLG VAN LIMA. II7 

nachten vriest, llrooijen zij deezc aardappelen op de X. afix 
vlakte uit, en laatcn ze bevriezen; naderhand om- 
trent negen uur , wanneer de zon ze weder ontdooid 
heeft, treeilen zij 'er met bloote voeten al het liip 
uit, en laaten ze in de lucht droog worden. Nadat 
zij dit tien of twaalf dagen herhaald hebben, en de 
aardappels droog, dor en zonder fip zeer hard ge- 
worden zijn, brengen zij ze in zakken naar hmme 
fchuuren , daar zij ze twee of drie jaaren kunnen 
honden, zonder te bederven. Wanneer zij nu deeze 
dorre aardappelen willen toebereiden , verpletteren zij 
ze tusfchen twee (kenen , leggen ze driemaal in versch 
water, drukken ze telkens wel uit, en neemen 'er 
op die wijze alle bitterheid uit weg. Daarna bedienen 
zij zich van goed vleeschnat , en laaten de aardappe- 
len tot een' dikken brij kooken , daar zij fijngefneeden 
vlcesch of kaas onder mengen. Deeze fpijs der In- 
diaancn is zeer voedzaam, gezond en fmaakhjk, bij- 
zonder wanneer onder deezen aardappelenbrij jonge 
hoenders of patrijzen , in kleine ftukskens gefneeden 5 
gemengd zijn. 

De akkers , op welken de Indiaanen het eene jaai: 
aardappelen geteeld hebben , bezaaijen zij het volgen- 
de jaar met een ander zaad, quinoa genaamd, en 
naar onze gierst zeer veel gelijkende , hoewel hec 
echter een ander gewas is, in Europa niet bekend.. 
De halm is gemeenlyk zo dik, als het onderiie van. 
een (chacht, en groeit nagenoeg eene el hoog. Aan 
zijnen top brengt hij eene menigt- bladenrijke uit- 
fpniirlels of takjes voort , die vol kleine korreltjes, 
zijn. Wanneer zij op de akkers rijp zijn geworden 
H 3 wor,^ 



ïi8 



REIZE NAAR PER U. 



■;-i 



l\ 



il 



, r 



r '! 



ï75f. 



X. AFD. worden de halmen gelijk aan onze hennep, uit deii 
grond getrokken , en door de Indiaanfche vrouwen 
met bloote voeten op groote uitgefpreide kleederen 
onder vrolijke gezangen iiirgetreeden en gezuiverd. 
Zij gebrniken dit zaad niet alleen tot fpijs, maar be- 
reiden 'er ook een Rerk Indiaansch bier van, welk zij 
cJiicha of kufa noemen. De kleur van dat bier gelijkt 
naar roodcn wijn , wanneer het uit roode zaadkor- 
reltjes , of naar ons wit bier, Vv^anneer het uit wit 
zaad , gemaakt wordt. Deeze drank heeft eene dron^ 
kenmaakcnde kracht, gelijk ons bier in Duitschland, 
en is goed tegen (leen en graveel; zodat men, wegens 
het gebruik van deezen drank, gcenen Indiaan vindt, 
met dcczc kwaaien behebd. Het verkoelt fi;erk,leschc 
ongemeen den dorst , en zou ook den Europeeren 
zeer wel fmaaken, indien het hun, gelijk hier, uit 
gouden of zilveren bekers toegediend wierd. De 
garst , groeijende hier te land in menigte , en wel zo 
hoog , als onze rogge , dient alleen voor de muilezels 
en paarden , in plaats van haver. 

Behalve de gemelde veldvruchten zijn 'er bijkans 
geene andere meer op de bergen van Peru, fchoon 
andere nabijgelegene provinciën van dit rijk eenen 
overvloed van de beste tarwe, Indiaansch koorn, 
fterken w^'jn , lieflijk ooft, en meer dergelijke voort- 
brengfels hebben ; zodat 'er, wegens den befcendi- 
gcn handel der ïndiaanen met andere provinciën op 
het gebergte nooit mangel aan tarwenbrood , goeden 
wijn, en uitgeieezen fruit befpeurd v/ordt. ïndiaa- 
nen en Spanjaarden houden hier op. zekere dagen 
zulke maaltijden ^ die voor de Europecfchen in gee- 



\. 



VERVOLG VAN LIMA. 

tien decle behoeven te wijken. Bij zodaanige {rdc- X. 
genheden worden 'er zeer veele fmaaklijkc en weUoe- 
bereide fpijzen opgedraagen. De glazen zijn vol van 
dcvi kostbaarden wijn, en de zilveren kroezen vol 
Amerikaansch bier, door het mengfel van deeze en 
geene ipecerijen zeer lieflijk gemaakt. De disch pronkt 
met goud en zilvergoed, welk den pracht der Euro- 
peeren verdonkert. 

De Indiaanen doen hunne reizen , al zijn zij nog zo 
verre , doorgaans te voet , en houden zich nooit aan 
den heerenwTg , maar trachten naar hun voorgeileld 
doel over bergen en dalen, alle onnutte bij- of omwe- 
gen zorgvuldig mijdende. Altijd zijn zij met een' 
flinger voorzien , Avaarmede zij hunne fleenen zo be- 
hendig werpen , dat zij hun doel , fchoon ook verre 
af, zelden of nooit misfen. Op de zij draagen zij 
eene tas , daar zij zeker kruid , coka genaamd , in 
hebben, en zonder welk zij noch reizen, noch ar- 
beiden. Dit houden zij in den mond tusfchen de 
tanden en de wangen , en zuigen 'er het ilip uit , 
zeggende , dat het hun kracliten en flerktc geeft. Of 
dit inderdaad waar, dan of het eene bloote inbeel- 
ding der Indiaanen zij, wil ik niet onderzoeken. Dit 
is nogthans zeker, dat het gemelde kruid, getrokken 
als thee, hier te land den geenen, die gebrek van 
verteering in hunnen maag bcfpeuren, te drinken ge- 
geeven wordt; want het is zeer heet; het verwarmt 
en verflerkt den maag, en bevordert de verdounnng. 
Dit kruid groeit alleen in yungas, een landfchap 
van dit rijk, terflond achter de gebergten van Peru 
gelegen, en zich wijd uittrekkende. Het wordt,, 
gelijk onze wijnüokken , aan hoogten geplant, en 
H 4 moet 



120 



R E I Z E NAAR PERU. 



:|.' 



1751- 



X. AFD. moet veel zonnebitte hebben. Het ftruikje , daar c'e 
bladen van dit kruid aan wasfen , is naauwlijks zo 
groot, als een vvijnfLokje; doch de bladen gelijken 
veel naar die van den laurierboom. Zij worden twee- 
maal in 't jaar op zekere tijden afgeplakt, en in de 
lucht gedroogd. Het zijn zeer rijke lieden , die veel 
¥an dit gewas op hunne landgoederen teelen ; wan.t 
'er worden jaarlijks veele duizend centenaars van ver^ 
kocht en verteerd. 

Van het kruid van Paraguay, mate genaamd, be^- 
dienen zich des ochtends en des avonds zo wel Span- 
jaarden als Indiaanen, gelijk de Duitfchers van de 
thee. -Zij drinken het uit eene fchaal, ze'er aartig 
van eene ilmerikoanfchc kauwoerde gtmaakt, welks 
rand breed met zilver of goud beflagen is. Uit dee- 
ze fchaal zuigen zij het Paraguay fche theewater door- 
een zilveren of gouden pijpje in den mond, v/aartoe 
het pijpje van onder kleine gaatjes heeft, weiken zij 
in de fchaal doopen. Dit kruid wordt jaarlijks uit 
Paraguay, welk landfchap aan Peru grenst, in menigte 
overgezonden , en is genoegzaam de beste en 
voordecliglle handel 5 Vv'eiken Paraguay met Peru 
drijft. 

De kleur der Indiaanen in het koningrijk Peru is 
een weinig bruin, en komt die der boeren in Europa 
taamlijk nabij. Zij zijn ook, bijzonder de vrouwen , 
niet onaartig van gelaat, en van lijf en leden wel ge- 
maakt. Zij gaan bijkans allen barvoets, en draagen 
Hechts leeren pantoffels , om de voetzooien tegen de 
fleenen en doornen te befchermen. 

De mannen hebben gaarn wijde broeken. Hunne 
ll^mljden zijn van katoen of wol ^ en v^u onderfchei- 



1 



VERVOLG VAN LIMA. 



121 



jfZSï' 



den kleur, Daarover doen zij een klein rokskcn aan,X. afd. 
op Indiaanfche wijze uit zacht wollenllof fijn en net- 
jes gemankt. ..Het hangt Hechts tot op den broeks- 
riem, en wordt, gelijk een Levitcn rok, over het 
hoofd gefchooten , hebbende wijde mouwen , die de 
helft van den arm bedekken , daar zij een groot ge- 
deelte van het hembd uittrekken, en aan beide zijden 
laaten neerhangen. Op den fchouder draagen zij een 
vierhoekigen mantel, uit fijne en zachte Indiaanfche 
wol bereid, onderfcheiden van kleur, en achter tot 
op de kuiten neerhangende. Zij hebben geenen baard ; 
daartegen hebben zij op het hoofd dik, lang en git- 
zwart hair, welk zij in den nek vastbiliden, en over 
xlen rug tot aan de kniebuig los laaten hangen, en met 
groote zorgvuldigheid onderhouden; zodat men ec- 
nen Indiaan geen grooteren fchimp aan kan doen^ 
dan wanneer men hem het hair af laat fnijden. Het 
hoofd dekken zij met eenen ronden hoed, uit aller- 
hande üukskens laken aartig famengefteld ; doch de 
meeflcn draagen hedendaags ronde Spaanfche hoeden. 
Hunne bruine das of halsdoek laaten zij aan beide zij- 
den , op de Vv'ijze der oude Duitfchers , neerhangen. 
Hij is van zeer fijne brnine wol der kleinere kameel- 
geiten, ^jicuna, gemaakt; welke wol wegens haare 
fijnheid hoog gefchat, en jaarlijks bij geheele fcheeps- 
laadingcn vol naar Europa gezonden wordt. De In- 
diaanen v/eeven 'er de fchoonfte en fijnfte hals- en 
neusdoekcn van, doch die, vuil zijnde, niet met 
warm , maar met koud water zonder zeep gewasfchen 
moeten worden. Zij mogen ook niet in de zon, of 
bij het vuur , maar Hechts in de fchaduw gedroogd 
worden, opdat zij niet krimpen, en hunnen glans, 
H 5 ver- 




R E 1 Z E NAAR P E 11 U. 

verliezen. Zij bereiden van deeze wol de moQifle 
fijne zwarte hoeden , welke voor onze kastoorhoeden 
in 't geheel niet behoeven te wijken. In Spanje, 
bijzonder te Segovia , vervaardigt men 'er zulk fijn 
zwart laken van , dat ik nog geen fijner gezien heb. 

Deeze uicunas houden zich gaarn op de bergen en 
aan koude plaatfen op , gelijkende in alles naar de 
Araerikaanfche fchaapen , uitgenomen dat zij een wei- 
nig tederder , zeer fnel in 't loepen , en allen ligtbruin 
van kleur zijn. Op de Cordilleras, een ongemeen 
hoog gebergte , vindt men geheele troepen van deeze 
dieren; en in de Julifche provincie vi^oont een fiam 
Indiaanen , Choquela^ genaamd , die zich bijkans al- 
leen door de jagt op deeze vicunas geneeren ; want 
het vleesch eeten zij, en van de wol maaken zij hun- 
ne kleederen, of verkoópen ze duur. Deeze dieren 
hebben in hunne maagen de bezoarfteenen of ballen, 
hoewel ook de andere Amerikaanfche fchaapen of 
wilde Peruaanfche geiten op Ai^^zq gebergten, bijkans 
in alles naar de vicunas gelijkende , en guanacos ge- 
heeten, in hunne maagen en elders veele dergelijke 
fteenen draagen. 

De Indiaanen vangen de 'viciinas op deeze wijze : 
Zij jaagen'ze van de bergen in eene valei, welke zij 
met een lang fnoer, daar veel witte wol en veeren 
aan gebonden zijn , influiten. Deeze , door den wind 
bewoogen wordende , jaagen den vreesachtigen die- 
ren zoveel fchrik aan, dat zij zich niet verftouten, 
om over het vcerenfnoer te fpringen. Daarna maaken 
de Indiaanen den kring hoe langer hoe naauwer, tot 
dat deeze dieren zeer dicht bij elkander zijn. Dan 
treeden zij in den kring, wéipen hun hunne libesy 

be- 



VERVOLG VAN LIMA. 



125 



751. 



bc-naJinde uit drie kleine llrikskens , aan ieder van X. afd. 
welken een looden kogel hangt , onder de voeten , "" 
die ras daarin vast geraaken , en ter aarde neervallen , 
daar zij hiin dan de keel affnijdcn. De Indiaanen 
zijn op deeze jagt zo wel afgercclit, en 'er zo geluk- 
kig in , dat zij fomtijds in eenen dag meer dan veertig 
of vijftig vangen. 

De Indiaanfche vrouwen draagen een' langen wollen 
rok , van de oxelcn tot op de voeten neerhangende. 
Aan het bovenend fteeken zij ze met twee zeer groo- 
te fpelden, met breede zilveren koppen, toe. In 't 
midden, onder de borst, omgorden zij den rok met 
eenen gebreiden wollen gordel, bijna vier vingeren 
breed, en van veelerhande kleur. Van de fchouders 
tot over de heupen draagen zij een klein geweeveil 
manteltje , welk zij van vooren bij den hals met eene 
groote zilveren of gouden fpeld , die zij pichu noe- 
men, vast fleeken. Van haar lang fchoon hoofdhair 
maaken zij ruim zo veel werk , als de mannen doen , 
\lechtcnde het zeer netjes in verfcheidene ftrengen , 
welker fpitfen- zij onder met een lint te famenbinden. 
In huis gaan zij gemeenlijk blootshoofds ; maar wan- 
neer zij uitgaan , .bedienen zij zich van een' witten of 
zwarten ronden hoed, of ook wel van een andere 
foort van hoedje, montera genaamd, uit verfcheide- 
ne linkjes van .veelerhande kleur op eene aartige wij- 
ze famengefteld ; 't welk zij van de Spaanfche vrou- 
wen geleerd hebben. Wanneer zij naar de kerk gaan , 
of een fraatsbezoek bij iemand afleggen, dekken zij 
het hoofd met een' breeden en langen fluier, van flu- 
weel , taft , of ander fijn flof gemaakt , hangende 
achter, tot aan de kniebuig neer. De getrouwde 

In- 



I?4 



REÏZE NAAR PERU. 



^:l 



i\ 



1 • 



1/5 ^ 



X, AFD, Indiaanfche vroinveii zijn gemeenlijk niet beter am 
' flaaviiinen van haare mannen. Zij behandelen ze bij- 

kans onmenschlijk ftreng; weshalve bij de getrouw- 
den meest tv^ast en tweedragt , zelden waare vrede te 
vinden is. En fchoon dtez& door vlijt der zielzor* 
geren en andere rechters een- of andermaal gedicht 
wordt, is hij echter wegens den wilden aart der 
mannen zelden van langen duur. 

Na deezen uitftap koom ik tot de bekoorlijke lig- 
ging en landftreek der Peruaanfche kusten te rug. Zij 
ftrekken zich van de linie tot den zuider keerkring 
uit. De aangenaame weersgefteltenis , en de maati- 
gc en gezonde lucht maakt aldaar een aardsch para- 
dijs. Dewijl men 'er noch fcherpe koude, noch 
brandende zonnehitte heeft; zo is hier ccne akijd- 
duurende lente, die aan geene verandering vanjaar- 
getijde onderhevig is. Nooit ziet men 'er dikke of 
donkere wolken ; en wanneer de zonnedraaien fom- 
tijds bedekt worden , wordt zulks door een' fris- 
fchen, verkwikkenden mist veroorzaakt, die de in- 
wooners tot eene aangenaame wandeling uitlokt. 
Van donder en blixems, of ilerkc piasregens weet 
men in deeze landilreeken niets. Het geheele jaar 
door zijn dag en nacht even lang. Het aardrijk wordt 
door eencn overvloedigen morgendaauw, en ontei- 
baare beekskens bevochtigd, die met een lieflijk ge- 
raisch langs akkers en beemden, tusllhen boomeu 
en tuinen, zachtkens heen vlieten. Hierom hebben 
de inwooners in alle jaargetijden overvloed van de 
fchoonfre bloemen en lieerlijkfle vruchten. 

Alle deeze bekoorlijkheden echter worden door 
fommige, ongemeen lastige infektcu m^crklijk gemaa- 

tigd. 



L. 



VEk VOLG VAN LIMA. 



•125 



i75i« 



tigd. Dus heeft men 'cr , bij vooi'beèld , vlooien , en x. afö.. 
2ecr kleine diertjes, in Kartlragena onder den niiam- 
vim niguas , doch in Peru pnder dien van piquss be- 
kend. Deeze pbatfen zich' gemeenlijk ann de voeten 
taslchen de tooncn, dringende door de huid in her 
vleesch in, daar zij dan hunne nestjes maaken, en 
eitjes leï^gen. Zij verwekken eenc geilaadige en zeer 
lastige jeuking, welke men echter drie of vier dagen 
lang door moet ftaan, tot dat zij verzadigd zijn , en 
hunne eierhuisjcs gelegd hebben. Daarna neemt men 
eene fpeld , opent rondom de huid , en haalt 'er zeer 
behoedzaam het geheele nestje met het infekt uit. 
Het gaatje, zo groot als eenc kleine erwete, heek 
men met Spaanfchc fnuiftabak, die men 'er van tijd 
tot tijd in arooit. Ik heb dit diertje etlijkc maal door 
een vergrootglas zeer naauwkeurig befchouwd, en 
bevonden, dat het in veele (lukken aan de vloo gelijk' 
is; maar in andere wederom daarvan verfchilt. 

Behalve deeze ontbreekt het in dit bekoorlijk ge- 
west geenzins aan eenen bijkans bedendigen geesfei 
der godlijke Voorzienigheid ', waardoor zeer dikwijls 
de aangenaamheid des lands, en de zoete rust der 
ingezetenen grootlijks verbitterd wordt; ik bedoel de 
menigvuldige aardbeevingen , waaraan het onderwor- 
pen is. Binnen negen maanden, welken ik in Lima 
vertoefd heb , heb ik meer dan twintig aardbeevin- 
gen gevoeld, waarvan fommigen zo ilerk waren, dat 
, de klokken in de torens tot grooten ichrik en angst 
der inwooneren van zelfs geluid gaven. Men zon 
voorw.iar gelooven, dat 'er bijkans niemand op den 
aardbodem te vinden zou zijn, die zich verilouten 
wilde, om in een gewest, hoe aangenaan , hos rijk, 

hoe 



J2(5 



R E ï 2J E N A A R P E R U. 



1751- 



^1/ 



X. AFD. hoe overvloedig ook van al wat tot nooddruft en 
■" ■ verkwikking deezes Icevens dient^ voorzien, te woo- 
nen , daar men fteeds in het grootfle gevaar is , 
om leevendig begraaven te worden. En nogthans 
zijn 'er veele duizenden, die nergens zouden willen 
woonen, dan in deeze vermaaklijke landÜTeek; hoe- 
wel zij 'er tegenwoordig nog de haven callao, 
door cene ontzaglijke aardbeeving gantschlijk vernield , 
fleeds voor oogen hebben. Haare vesting heeft den 
ouden naam callao behouden. De ftad, dieper 
landwaard in gefticht , wordt tegenwoordig b u e n a 
VISTA genaamd. 



J75- 



ELFDE A F D E E L 1 N a 

REIZE VAN LIMA NAAR CUSCO. 

XL AFD. Ik gaa nu in de befchrijving mijner reize voort, wel- 
ke ik van Lima naar het gebergte and es deed 5 
werwaard ik door mijne overfl:en gezonden werd., 
om aldaar in 's Heeren wijngaard aan het heil der 
zielen te arbeiden. Van de zeden , gewoonten , 
bijgeioovigheden , kleeding en eigenfchappen der In- 
diaanen zal ik nu niets meer zeggen , hebbende van 
dat alles boven reeds melding gedaan. Alleenlijk zal 
ik mij bevlijtigen , om met alle naauwkeurigheid te 
verhaalen 't gten ik op mijne menigvuldige reizen , 
en op de bergen van Peru, daar ik mij achttien jaa- 
ren lang op heb gehouden, merkwaardigs gezien en 
ondervonden heb. 

liet koningrijk peru ftrekt zich van de even^ 
nachtslijn tot den keerkring de§ fteenboks uit. In-^ 






i3:x 



REIZE VAN LIMA NAAR CUSCO. 11^ 



175 i. 



gevolge van dien telt dit rijk twintig graaden in de xL afi>. 

lengte, naar éQw kant van den Zuidpool. In de 

breedte heeft het niet meer dan acht graaden oost- 
waard; hoewel het zich beneden omtrent de gren- 
zen van Chili en Paraguay in de provincie Charcas 
etlijke graaden verder uitbreidt. Ten oosten grenst 
het aan het onbekende land der Amazonen ; ten 
westen aan de groote Zuidzee ; ten zuiden aan Chi- 
li en Paraguay , en ten noorden aan Popayan. Het 
wordt in drie groote provinciën oï audiencias ver- 
deeld, waarvan de eerlle Quito, de tweede Lima, 
en de derde Charcas of Plata is. Deeze drie wor- 
den weder in veele 'andere kleine onderfcheiden. Ie- 
dere heeft haaren bijzonderen gouverneur; maar die 
van den onderkoning van Lima afhangen. 

Het land is zeer vruchtbaar in katoen , fuikèr , 
graanen, olie, voortreflijken wijn, en heerlijk ooft; 
maar de grootfte rijkdom , dien de Spanjaarden daar 
vinden, is goud, zilver, vermilioen , fmaragden, 
kwikzilver, enz. 

Het Roomschkatholijk geloofslicht fchemert ge* 
noegzaam alleen aan die plaatfen , welke eertijds den 
Incas ondenvorpen waren ; de overige fleeken nog in 
heidenfche duisterheid, om welke te verdrijven, en 
het Christlijk geloofslicht aldaar te ontfteeken , de 
vaders van het genootfchap der Jefuiten veele jaareii 
lang hunnen tijd en vlijt hebben aangewend. Meij 
reist op muilezels. Tent, bed, tafelgoed , borden , 
lepels, mesfen, vorken en drinkbekers moet men 
mede neemen; ook zich wel van eeten, drinken en 
alierleie noodwendigheden , om zich eene maaltijd 
op het open veld te laaten toebereiden, voorzien; 

de- 




ï^^ 



ït E I Z E N :A A R P E II V, 



175-. 



;! 



XI. AFD. dewijl men mecrmaalen , onder den blooten hemel 
zijne nachtrust moet neemen. Aan veele plaatieii 
treft men op de reize geen brokje hout aan ; wes^ 
halve meil op de heilanden den dorren droogen koe- 
osfen- of fchaapenmist bij een moet zoeken, om 
vuur te maaken , wanneer men op de reize thee of 
chokolaat drinken of iets warms eeten wil. 

De wegen over deeze gebergten zijn de allerruuw- 
ften , op welken men aan duizenderleie gevaareii 
bloot is gefield; want op zeer veele plaatfen is de 
weg naauwlijks drie of vier fpannen breed , daar aan 
den eeiien kant de ftcile bergen en rotfen , die tot 
aan de wolken reiken ; maar aan de andere zijcie de 
diepfte afgronden zijn , in welken de fnelvlietendile 
flroomen voorbij ruisfchen. Dikwijls fteeg ik af van 
het muilezel , opdat ik te voet des te zekerder voort 
mOgt kometl ; dan , menigmaal ftond ik tusfchen rot- 
fen, afgrond en water, en moest de Indiaanen^ die 
ons geleidden, te hulp roepen, opdat zij mij de hand 
toereikten, ten einde niet door' duizeligheid bevan^ 
•gen te worden , en van boven neer te ftorten ; tot dat 
zij mij eindelijk overreedden, om gerust op het muil^ 
ezel te blijven zitten , en goeds moeds voortterijden ;. 
dewijl deeze dieren aan de hanle en ruiiwe wegen ge- 
wend zijn , en met eenen zo vasten tred langs deezo. 
ongebaande wegen weeten te gaan , dat zij niet dan 
allerzeldzaamst aanflooteo* 

, Overgroote rivieren trekt men op Indiaanfche 
bruggen, die niet van hout of fteen, maar van fterke 
en nikke tomven gemaakt zijn. Deez^ worden van 
. de eene zijde naar de andere, daar de rivier het diepsÊ 
is , en zachtkens vloeit , over deu ilroom gefpannen. 

Op 



.m^^ 



175-2. 



REIZE VAN LIMA NAAR CUZCO. I29 

Op deezQ touwen worden vcele aan elkander gcvloch- XI. afd-. 

ten houten gelegx! , die met banden wel vastgebon- ~~* 

den zijn. De brug is hoog boven het water verhe- 
ven, en flechts een vadem breed. Aan beide zijden 
heeft zij leuningen , van touwwerk wel fainengevloch- 
ten, daar men zich aan houden kan. Zo ras men 
'er den voet op zet, om naar den anderen oever te 
gaan, begint de geheele brug te waggelen en zich 
her- en dervvaard te beweegen. Bijaldien men dui- 
- zelig daarbij mogt worden , moet men fchielijk eeneu 
Indiaan roepen , opdat hij de hand toereike. De 
muilezels gaan 'er het eene na het andere over ; doch 
zij moeten aan een touw, of bij den toom geleid 
worden. Hunne vracht wordt hun afgenomen , en 
ftukswijze op de fchcuders der Indiaanen naar den 
overkant der rivier gebragt. 

Gelijk de gebergten onderfcheiden zijn, zo is het 
ook met de weêrsgefleltenis. Op fommige plaatfen 
heerscht eene doordringende koude , en de bergen 
zijn het geheele jaar door met fneeuw bedekt, hoe- 
wel allen binnen den zonnekeerkring gelegen , zodat 
de zon bijna het geheele jaar loodrecht daarop fchijnt; 
maar op andere plaatfen , naauwlijks twee honderd 
fchreeden van daar , en in bergen ingefloten , is de 
zonnehitte zo brandende, dat men meent tefmelten. 
Andere plaatfen en valeien , die tusfchen de bergen 
in menigte en van groote uitgeftrektheid gevonden 
worden , hebben altijd eene aangenaame lucht , en 
leveren eene verbaazende menigte vruchten van aller- 
hande foort op. De bergen zijn van buiten kaal, 
onvruchtbaar en onbebouwd ; maar van binnen zijn 
die geenen ^ welke ten westen eu naar den kant der 
l Zuid" 



fXO 



R E I Z E NAAR PERU. 



XI. AFD. Zuidzee liggen, vol zilver, en die ten oosten, welke 
'■ ,^ verre van de zee zijn , vol goud. 

Bergen en hoogten krielen van patryzen, waarvan 
'er drieërleie foorten zijn. Sommigen zijn zo groot, 
als een tam hoen , en worden gibues genaamd ; an- 
deren gelijk onze patrijzen in Duitschland; een der- 
de foort is een weinig grooter , en heeten pifacas, 
Deezen vangen de Indiaanen met de hand op de vol- 
gende wijze : Sommigen begeeven zich met hunne 
honden op de bergen en hoogten, die ze opjaiigen, 
en naar de valeien drijven ; daar andere Indiaanen 
uitgefteld zijn. Wanneer het patrijs zich daar op 
den grond neerzet, fleekt het terftond den kop in 
het gras, zonder voor de tweedemaal optevliegen. 
Dan fpoedt zich de Indiaan , die 'er 't naast bijftaat , 
fchielijk denvaard , gTijpt het met de hand , en fleekt 
het eene fterke veer uit den vleugel door den kop-, 
om het te dooden. 

Behalve de veldhoenders is 'er op de wei- en hei- 
landen nog eene andere foort van vogelen , die in 
grootte , kleur en maakfel naar onze wachtels in 
Duitschland zeer veel gelijken. Deeze beginnen des 
morgens vroeg, bij het aanbreeken van den dag, te 
fchreeuwen, of, om beter te zeggen, tekwaaken, 
gelijk onze kikvorfchen in de poelen , wanneer het 
regenen wil. Zij noemen ze wegens den droevigen 
toon van hun gefchreeuw huccu buccu , maar ds 
Spanjaarden los gallos del inca^ dat is, de inkahaa- 
nen; dewijl deeze Indiaanfche koningen, met hunne 
legermagten te veld zijnde, gemeenlijk des morgens 
vroeg, wanneer deeze vogels begonden te roepen , 
op plagten te breeken. De beemden , akkers en hei- 

lan- 



REIZE VAN LIMA NAAR CUZCO. I3I 

landen zijn ook nog vol andere vogelen, door de In- XL afd. 

diaanen leke leke genaamd , welke zich alleen van ' 

wormen geneeren. ^^^^' 

Op de reize in deeze gewesten , moeten alle reizi- 
gers, zo wel geestlijke ais waereldlijke perfoonen , 
zich zeer voorzigtig gedraagen , en behooren , mijns 
dunkens , nooit alleen in eene kamer te flaapen. 
Want , dewijl 'er gemeenlijk geene deur gefloten 
wordt , fluipen 'er niet zelden heimlijk wellustige 
vrouwlui in , die welgemaakt en fraai opgefcbikt , 
haare liefkoozende gefprekken beginnen , en haare 
liefdedienflen aanbieden. 

Overal vindt men op de hoogten en in de dalen 
veele wooningen der Indiaanen , welke hier en daar 
afgezonderd op hunne landgoederen leeven , en over 
hunne veeteelt , M^aarvan zij zich geneeren , en daar 
hun rijkdom in beftaat , een M^aakzaam oog houden. 
De mannen van Indiaanfche afkomst moeten , zo dra 
zij achttien Jaaren oud zijn , jaarlijks den koning van 
Spanje eene fchatling van vijf tot zeven daalders be- 
taalen, tot dat zij den ouderdom van vijftig jaaren 
bereikt hebben , wanneer zij 'er weder van bevrijd 
zijn. De vrouwen zijn volkomen vry. Van dit geld 
onderhoudt de Katholijke koning in dit rijk zo wel 
geestlijke leeraars, als waereldlijke rechters. 

Drie dagen na mijn vertrek van Lima kwam ik in 
den omtrek der ftad guanca belica h^ niet ver 

van 

h In de nabuurfchap van Guanca Belica ziet men ze- 
lere wel uitgewerkte ftesnen pyraraiden. Don anto- 
wio DE ULLOA tioticlas Americanas &c. p^ 340» 
In de provincie Quito vindt men aarden grafzuilen van 
andere gedaante. M. 

ia 



fM 




REIZE NAAR PERU. 

XL AFD. van het marktvlek of kleine fleedje o r o p e s a , atiir. 
Deeze fl;ad is niet groot , en heeft ook een gering 
aanzien van buiten. Zy is nogthans zeer vermaard 
wegens het menigvuldig kwikzilver, welk aldaar in 
de omliggende bergen gegraaven wordt, en jaarlijks 
aan de koninglijke fchatkamer eene aanzienlijke foni 
gelds opbrengt. Twintig of dertig uuren gaans van 
daar naar den kant van Lima , liggen tusfchen de 
bergen etlijke kleine meiren , die het geheele jaar door 
fterk toegevroozen blijven. Van daar wordt daag- 
lijks door muilezels , op den afftand van vier uuren 
van elkander geplaatst , veel ijs naar Lima gebragt , 
daar men het by het pond verkoopt, en waarmede 
de inwooners hunnen drank verkoelen. Deeze han- 
del met ijs- in Lima is aan eenen heer uit die ftad 
verpacht, betaalende daarvoor aan de koninglijke 
fchatkamer jaarlijks tachtig duizend harde daalders ; 
zodat niet flechts zilver en goud , maar ook fneeuvv 
en ijs de fchatteu der kroon Spanje in Peru ver- 
meerderen. 

^^an hier maakte ik mij vroeg op , en kwam na et- 
lijke dagen in het vlek jauxa aan. Hier werd ik 
door den koninglijken thefaurier zeer beleefd ontvan- 
gen, en drie dagen lang geherbergd. Deeze plaats 
ligt in eene zeer vermaaklijke valei , in graanen en an- 
dere veldgewasfen bij uitftek vruchtbaar. Zij is acht 
of negen uuren gaans lang, en ruim vier breed. Het 
weer is hier noch te koud, noch te warm. Ook 
heeft men 'er nog nooit eene aardbeeving befpeurt; 
waarom de onderkoningen van Peru al dikwijls ge- 
zind zijn geweest, hunne zetelplaats van Lima her- 
waard te verplaatfenj doch bet is tot hiertoe nog 

niet 



RHIZE VAN LIMA NAAR CUZCO 

niet tot ftand gekomen. Aan beide zijden deezer va- 
lei liggen langs den voet der bergen veele groote In- 
diaanlche. dorpen , het ecne naauwlijks een halfuur 
van het andere. Zij liebben allen fraaie kerken. 

Van Jauxa zette ik mijne reize op muilezels der Pe- 
ruaaniche post naar de IladGuamanga met mijne reis- 
■genooten zeer vergenoegd voort. Wij kwamen door 
veele Indiaanfche dorpen , marktvlekken en bekoorlij- 
ke dalen v- daar ons oog zich zeer vermaakte, en wij 
•voor ons. geld alle noodwendigheden konden beko- 
-men, tot dat wij eindelijk aan eene zeer gevaarlijke 
pleisterplaats naderden, daar wij niets,, dan eene 
armhartige Indiaanfche hut aantroffen 
Indiaan alleen zijn verblijf hield , die den posthouder 
der plaats, eeii uur gaans van daar op zijn landgoed 
woonende , daar ook zijne muilezels Vv?-eidden , tij- 
ding brengt , ^wanneer 'er reizigers aankomen 
een geluk, dat na verloop van een uur de gewoone 
post van Potofi naar Lima , met veele muilezels , 
eene groote m-eni^te zilver draagende , hier aankwam» 
De muilezels moesten naar de plaats, daar zij van 
daan 'kwamen 5 Icedig te ruggaan. De post ging nog 
dien zelven avond met andere muilezels verder voort; 
maar wij overnachtten hier , opdat ook de arme muil- 
ezels , zeer vermoeid en afgemat , uitrusten en op 
het land graazen zouden. Eer de nacht inviel , kwa- 
Eien 'er nog twee Spaanfche kooplieden met veele 
muilezels, hunne waaren draagende, waarmede wij 
las bekend werden, dien avond en den volgenden 
dag uit gebrek van eenen kok zelven onze fpijzen toe- 
bereidende , en den nacht met gefprekken vrolijk 
ïloorbrengende. 

I 3 Den 





NAAR PERU. _ ' 

Den volgenden dag na het ontbijt ging ik met mij- 
ne reisgezellen Vv^eder op weg , om mijne reize te 
vervorderen ; doch de twee kooplieden moesten zich 
nog etlijke uuren ophouden , tot dat hunne muilezels , 
waarvan zij veelen van nooden hadden, met hunne 
goederen bevracht waren. Zij haalden ons echter 
nog in ; toen wij ons pas op de onzen geplaatst had- 
den 5 om den zeer hoogen en gevaarlijken berg , die 
voor ons lag, nog voor den nacht over te trekken, 
en wilden ons nog dienzelven nacht volgen , wanneer 
hunne muilezels vroegtijdig in het marktvlek aan mog- 
ten komen. Doch en de huiswaard, en de Indiaan, 
die ons geleidde , ontried hun die ftoute vermetelheid 
wegens den gevaarlijken weg over den berg , die 
vooral des nachts niet dan met het grootfle leevensge- 
vaar te beklimmen is , zeer fterk. Wij lieten hen in 
die plaats, zettende onze reize voort, en toen wij 
in* 't midden van den berg waren , zagen wij hen 
van verre met alle hunne muilezels nakomen. De 
Indiaan, onze leidsman, jammerde, zeggende, dat 
deeze nacht bezwaarlijk zonder ongeluk voorbij zou 
gaan. Gelijk men vreesde , gefchiedde het ook; 
want een deezer kooplieden flortte wegens de duis- 
ternis des nachts met zijn muilezel van eene rots 
naar beneden, breekende hals en beenen, gelijk de 
tmdere ons naderhand fchreiende verhaalde. - 

Na dit ongeluk , onzen geliefden reisgenoot over- 
gekomen, reeden wij na vijf dagen re guamanga 
binnen. Deeze is de hoofdftad van een klein land- 
fchap of corregimiento , daar veele goud- , zilver- en 
kopermijnen gevonden worden. Zij is telFens de ze- 
tel eens bisfchops en bevelhebbers. De ftad ligt wel 

eeii 



REIZE VAN' LIMA NAAR CUZCO. 

een weinig verheven , doch heeftin die hoogte eene; 
fchoone ruime vlakte van etlijke uuren gaans. Zij is 
imt groot. Op de markt, in 't midden der ftad, 
Haat de domkerk , behalve welke 'er ook nog andere 
parocliiekerken , en ordekloosters , benevens een non- 
nenklooster van S. Therefia, dat genoegzaam buiten 
de ftad iigt , gevonden worden. Zij heeft fraaie hui" 
4sert epj gebouwen , ook lange en breede ftraaten ; 
maar is eene opene plaats , ronder muuren , gelijk 
bijkans aJle, de andere (leden van dit koningrijk. In 
haare dalen is het vrij warm. Zij heeft overvloed 
van graan'en en > van andere veldvruchten ; ook wordt 
'er in haare omliggende landilreek veel fuikerriet 
geteeld. 

De tuinen en akkers warden ' omringd met hooge 
:eri diklvehaagen, voorzien met breede bladen , rond- 
bm. met fterke xloornen of fteekels, gelijk fpitfe naal- 
den:, bezet.' De planten deezer dikke doornhaagen , 
hier bijkans overal van zelfs groeiende, heeten zi| 
tunale^y wegens haare zeer goede en. gezonde vrucht^ 
iuna gen a,amd. .Zij groeit boven uit iKt dikke doorn** 
achtige biad Zoiidf^v fteel, daar te .'vooren,. toen de 
heester bloeide , eene geeie bloera geweest was. Zij 
is langachtig rond en dik , gelijk eene middelmaatige 
konkommer, hebbende van buiten eene^ gladde, dik- 
ke groene fchil. .Week en rijp zijnde, v/ordt zij van 
het dikke blad afgefcheurd,. en in delengte meteen 
klein mesje geopend , zodat men dan de dikke fchil 
zeer gemaklijk wegneemen , en d,e vrucht eeten kan. 
Zij is zeer fiiscb en verkoelende , weshalve zij ook 
meestal ten tijde der fterke zonnehitte gebriaikt wordt , 
cm den dorst te lesfchen. 

I 4 In 




IZE NAAR PERU. 

In de ftad Guamanga moest ik mij acht dagen lang 
ophouden , wegens gebrek aan Indiaanen, om ons 
op den weg te verzeilen; want, dewijl wij hier des 
faturdags voor het feest der FI. Drieëenheid en des 
Sakramentsdags aankwamen , (welke twee feestdagen 
door Spanjaarden en Indiaanen plechtig gevierd wor- 
den) konden wij niemand, zelfs niet door rijklijke 
betaaling, pverreeden, om ons te geleiden, voordat 
de acht dagen deezer plechtigheid geëindigd waren. 

Op de markt, in 't midden der flad, daar veele 
prachtige toneelen voor de aanfchouwers opgerecht 
iwaren, werden fderengevechten gehouden. Deeze 
dieren worden des morgens vroeg uit de landen , daar 
zij weidden , naar de ftad gebragt in eene ruime flalling, 
ten dien einde van planken op de markt opgerecht. Uit 
die flalling werd des middags na twaalf uur de een 
-na den anderen op de markt, die zeer lang en breed 
is , uitgelaaten. Opdat de ftier nog wilder en raazen- 
der worde , binden zij hem aan de beide hoornen 
.en aan den ftaart vuurpijlen en voetzoekers of zwer- 
welke zij bij de ftaldeur aanfteeken , en waar- 
door het dier als woedend wordt. Daarna treden 
fommigen te voet en te paard met fpiesfen of degens 
op de markt, en roepen met eenen doek of mantel 
den raazenden ftier tot zich , die woedend op hen 
aankomt. Wanneer zich de vechter bij deeze eerfte 
ontmoeting niet wel in acht. neemt, kan hij ligtlijk 
door het doldriftig dier door en doorfloken, en ge- 
dood worden , gelijk ook meerm aaien gefchiedt. Ge- 
duurende deeze dagen zijn bij dit fchouwfpel negen- 
pienfchen ellendig om 't leeven geraakt, zonder dè 
zwaargekwetflen te rekenen. Dergelijke ftierenge- 

vech« 



Éi^ 



REIZE VAN LIMA NAAR CUZCO. 

vechten zijn wel meer dan eens door den Roomfchcn XI. afd» 
ftoel onder eenen fcherp^n ban verboden; dan, het 
hielp niet ; zodat men eindelijk gedwongen wierd , 
wegens den hoogmoed en de ieeielheid van dit volk 
zulks door de vingeren te zien. Bij deeze flierenge- 
vechten zadelen zij fomtijds eenen dier, op dezelve 
wijze als een paard, waarop zich een Indiaan zet , 
en op de markt rondrijdt. Al loopt en draaft het 
dier nog zo wild en woedend heen en weer, zit de 
Indiaan echter zo vast in het zadel , dat hij 'er hem 
iiiet uit kan gooien , tot dat de ftier geheel vermoeid 
ter aarde valt, wanneer de Indiaan 'er fchieiijk af- 
fpringt en wegloopt. 

• Na dat het ftierengevecht geëindigd was , verfchee- 
iien meer dan ' honderd Indiaanen op de markt, allen 
in hunne oude kleeding aartig uitgedost , draagende 
"eenen Indiaan, op de wijze van eenen ouden Inca 
s^ekleed, op eenen troon gezeeten , op hunne fchou^ 
dcrs naar hët' huis, daar de'Spaanfche bevëlhebbei: 
voor het venftèr ftond^ aan wieri de vermomde Jnca 
cene korte aanfpraak deed, in welke hij den bevel- 
hebber voor dé groote vermaaklijkheden , die hij' hem 
d'eézer dagen aangedaan had , zijne dankzegging 
betuigde. 

Na volbragte plechtigheid vervorderden wij onze- 
reize op muilezels der Per-uaanfche post, welken ze- 
ker graaf, te Lima woonende , door het geheele ko- 
ningrijk onderhoudt, betaalende daar voor jaarlijks 
aan den koning van Spanje honderd duizend harde 
daalders. Na verloop van drie of vier dagen kwamen 
wij in het dal apudima aan. Door deeze valei 
loopt een groote zeer fnel vlietende firoom met veel 
I 5 ge- 




NAAR P E TL ü, 

XI, AFD. gedruis, over welken wij op eene brug, van touweis 
gemaakt , waarvan ik te vooren . reeds melding heb 
gedaan, moesten trekken., In dit dal is het brandend 
heet, en vol muggen ^ die den _ reizenden zeer lastig 
vallen , hunne handen en gezigt zeer flecht toerichten- 
de. Wij hadden 'er ook genoegzaam de proef van, 
tot dat wij den volgenden dag weder op de hoogte in 
het groote Indiaanfche dorp chincheras kwa- 
men , in welk het fijnfte buskruid gemaakt wordt. . 
Vervolgens reisden wij door zeer veele dorpen en 
mai-ktvlekken , eu: kwamen eindelijk, na twaalf da* 
gen reizens , te pa c h a c h a c a , eene zeer groote 
meierij der Jefuiten , daar jaarlijks ongemeen veel fui« 
ker gemaakt wordt. Wij werden daar door den hof- 
meester, die een priester was, eene" geheek maand 
kng^op het h^fderijkfte onderhouden. Van daar ver? 
trokken , bereikten wij^ in drie of vier dagen liet zeej 
groote dprp m o l j|; m o.l j e. Dicht bij deezt meicT 
rij :o vernachtten wij in eene andere meierij onzer or- 
de, <daar insgelijks de fijnfle fuiker gemaakt wordt. 
Den volgenden ^ag kwamen wij aan de aivier pam- 
%ASo welke diep, breed en zeer fnel van ftroom isi 
Wij gingen /er op eene brug, van touwen famenge- 
vlochten, over. Doch ik moest 'er mij dooreen' Indiaan 
bij de hand over laaten leiden , dewijl de geheele brug 
geftaadig gelijk een wieg heen en weer flingerde. In 
deeze landflreeken vond ik op de hoogten aan de ri- 
vieren veele aloëboomen , waarvan veeie bloeiden j 
ook veele niet. Zij worden hier makey genaamd, en 
Yfeinig geacht , omdat het hout deezer boomen zeer 
week, ligt en tot weinig zaaken bruikbaar is. 

1 TWAALF- 



VERBLIJF IN CUZCO. 



TWAALFDE AFDEELING. 

AANKOMST EN VERBLIJF IN CUZCO. Merk* 

nx aardig Bericht nopens een" onafhangl ij- 
ken BINNENLANDSCHEN INDIAAN- 
SCHEN KONING. 

Eindelijk kwamen wij jn den omtrek der ftad cuz-xiLafd. 
CO ofcozco aan. Hier ftaan nog op veele plaatfen ■ 
oude paleizen der Inc.as, tot veiwondering van allen, 
die ze aanfchouwen,. wegens de ongemeen groote en 
bij uitftek wel bearbeide fteenen , die zonder kalk zp 
goed, en vast op elkander liggen, dat ieder Euro- 
peer billijk hunne bouwkunst moet roemen. Insge- 
lijks ziet men aan verfcheidene plaatfen op de kleine- 
re hoogten heerlijke graffteeden , gmcas ^ daar de 
adelijke ïndiaane'n begraaven liggen. Zij zijn op ee- 
ne aartige wijze van kunftig famengevoegde fteenen i;n 
't vierkant gebouwd, aan alle zijden drie of vier el- 
len breed, maar drie tot zes hoog; boven zijn zij 
plat, met groote. -fteenen gedekt. Inde zijde tegen 
den opgang der zon is een klcïn deurtje, welk open 
ftaat, waartegenover de doode Indiaan in eene nis 
zit. De meesten deezer graffteeden zijn door de Span- 
jaarden omgeworpen, deels wegens het goud en zil* 
ver, welk zij 'er fomtijds in vonden, deels wegens de 
fraaie en welbearbeide fteenen, welken zij tot andere 
gebouwen gebruiken. 

Na verloop van twee of drie dagen kwamen wij 'm 
de ftad Cuzco zelve aan. Deeze is onder de Peruaan- 
iche bergfteden de allervermaardfte , zijnde deeze 



f^d 



R E I Z E N A A R P E R U. 



Ï75'- 



r, 



XII.AFD. flad eertijds de zetelplaats derlncas, of keizeren van 
Peru 5 daar de Spanjaarden ommeetlijke fcliatten van 
goud en zilver gevonden hebben. Zij wordt in Op- 
per- Én Neder- Cuzco verdeeld, liggende tusfchen 
bergen , in eene aangenaame valei , die zich lang uit- 
ftrekt, en overvloed van goede tuinvruchten voort- 
brengt. Zij is zeer groot, en net en fierlijk gebouwd, 
pronkende met heerlijke gebouwen , en toonende nog 
veele zaaken des heidendoms , merkwaardig om ge- 
zien te worden. Zij heeft eenen bisfchop , en be- 
roemt zich in iwee univerfiteiten , waarvan de eene 
door waereldlijke priesters , de andere door de onzen 
bediend werd. De dom- en de Jefuitenkerk , die ne- 
vens een akademiegebouw op de markt liaan, en de- 
zelve ongemeen verfieren, overtreffen die te Lima; 
zelfs zouden zij iedere ftad in Emopa tot eenen fie- 
raad verflrekken. Want , dewijl men te Cuzco 
gantsch zelden, en flechts zeer geringe aardbeevin- 
gen befpeurt , zo zijn 'er de gebouwen van gehouwen 
fteenen kostbaar opgehaald. De markt, in 't midden 
der ftad gelegen , was eertijds ten tijde der Incas met 
eene gouden keten tweemaal omgeeven , welker fcha- 
kels zo gi-oot en zwaar waren , dat aan ieder derzel- 
ven een Indiaan genoeg te draagen had.^ Beeze groe- 
ven de Indiaanen bij de aankomst der Spanjaarden in 
de aarde, en is nog niet wedergevonden, hoe veel 
moeite deeze ook aan hebben gewend , om ze te ont- 
dekken. 

De onderaardfche holen , welke in deeze ftad veele 
en allen den Spanjaarden onbekend zijn, bevatten 
groote fchatten. 't Is niet mooglijk, die plaatfen 



"door eenen Indiaan ontdekt te krijgen ; 



al weet hij ze 
ook 



^~— P" 



VERBLIJF IN CUZCO- 



141 



1752. 



ook wel te vinden, fchoon men hem ook, ik weetXII.AFD. 
niet wat voor rijkdom belooven wikle. Want zij heb- 
ben zich door eenen eed onder elkander verbonden , 
om de fchatten hunner voorvaderen zo te bewaaren , 
dat zij door de Spanjaarden nooit zouden kunnen 
weggevoerd worden. Dit zelve doen zij ten opzigte 
der oude graven , daar dikwijls veel goud en zilver in 
verborgen ligt. Zij laaten zich ook niet overreeden , 
om de goud- en zilvermijnen den Spanjaarden te ont- 
dekken ; en wanneer zij cene op de bergen vinden , 
gooien zij 'er eene menigte fteenen en andere dingen 
op, ten einde zij van buiten niet in het oog zou val- 
len. Want zij vreezen , dat zij dan door de Spanjaar- 
den genoodzaakt zouden worden , om ze te bearbei- 
den. Daarenboven geeven zij voor, dat hun meer- 
maaien ontzaglijke fpooken waren verfcheenen, die 
hun den dood" gedreigd hadden , bijaldien zij zich on- 
derwinden zouden, deeze fchatten der aarde den 
Spanjaarden te openbaaren. 

De ftad Cuzco heeft etlijke parochiekerken , en ver- 
fcheidcne mans- en vrouwenkloosters , die deels we- 
gens de rijke inwooners , en deels wegens hunne fraaie 
en welaangelegde gebouwen en kerken vermaard zijn. 
De tempel, in welken de heidenen eertijds de zon 
vereerden , is thans van zijne onreinheid gezuiverd , 
en weergalmt hedendaags van den lof des waaren 
Gods ; doordien hij den vaderen der predikorde tot eene 
kerk , benevens een heerlijk klooster , toegeftaan is. 

Het paleis en de wooning der oude Incas werd tot 
een Jefuitenkollegie beftemd , welk wegens zijne groot- 
te eene prachtige vertooning aan de markt geeft. 
\ Men zegt, dat 'er een onnoemlijke fchat van goud en 

zil- 




NAAR PERU. 

Xir.AFD. ^'^^^^ "^ begraaveii ligt , dien zij den fclnt der Incas 
noemen; maar men heeft dien tot hiertoe nog niet 
gevonden. Eene adelijke Indiaanfche dame, op wel- 
ke een Spaansch graaf veele jaaren verliefd was , gaf 
hem de zekerde kenmerken op , waar hij in den tuin 
der Jefuiten moest laaten graaven , en de fteenen op- 
bijaldien hij den zekeren ingang in het on- 
deraardsch hol, daar de groote en rijke fchat der In- 
cas verborgen is, vinden wilde. De graaf kreeg van 
den onderkoning te Lima verlof, en toen hij bij de 
plaats 5 door de adelijke Indiaanfche dame aangeweezen , 
de aarde begon te laaten uitgraaven , vond hij alle de 
kenmerken , door haar opgegeeven , zeker en richtig. 
Maar toen de Jefuiten bezorgd waren , dat de geheels 
vleugel of galderij van het huis groote fchaade lijden , 
ja , door het diep graaven in den grond , misfchien ge- 
heel inflorren mogt; lieten zij een fmeekfchrift aan 
den onderkoning afgaan, en begeerden, dat de graaf 
vooraf bij den corregidor der ftad zo veele duizend 
daalders in bewaaring zou geeven,, als 'er van noo- 
den waren , om de galderij of den gang , bijaldien de- 
zelve door het diep graaven fchaade lijden of inval- 
len mogt, van nieuws optebouwen; dan de graaf, 
hierdoor afgefchrikt , liet het begonnen werk fteeken. 
Men ziet beneden in den tuin nog hedendaags den 
boom , die eene groote witte bloem in de gedaante 
van een' beker draagt , de trappen , die naar eene hel- 
dere frisfche bronwei , door een klein gewelf ingeflo- 
ten, en nog andere fteenen trappen, die van daar 
verder naar een onderaardsch hol leiden ; alle welke 
zekere en gewisfe merktekens de adelijke Indiaanfche 
dame offreulijn, hiQt te hnd bisnias genaamd, haa- 

ren 



w^mm^ 



• VERBLIJF IN CUZCO. 

reii geliefden graaf opgegeevcn had , om den rijken XII.afd, 
en grooten fchat der Incas te ontdekken. Ik zclt' ben ' 
etlijke maal naar beneden gedaald, en heb in den on- 
derden gang met mijnen voet op den grond gedampt, 
wanneer ik uit den weerklank, die eenige minuuten 
duurde, waarnam, dat alles daaronder hol, en vol 
gewelven zijn moest. 

De fraaie en prachtige deur van het huis en de kerk 
der Jefuiten, gelijk ook die van het groote akademie- 
gebouw , vallen wegens haare ongemeen prachtige 
bouworde , zeer fraai in 't oog. 

Daar zijn nog drie andere Jefuitenhuizen in deeze 
ftad; te weeten , het huis des eerften proefjaars; het 
huis van S. Bernardus, daar de Spaanfche jeugd in 
de vrije kunden en goede zeden onderweezen wordt; 
en eindelijk het kollegie van S. Borgia, daar de ade- 
lijke Indiaanen in de geloofsleer en andere weeten- 
fchappen onderricht ontvangen. Alle deeze huizen , 
gelijk ook de overigen , welken onze orde in dit rijk 
bezat, zijn met zeer voortreflijke bibliotheeken voor- 
zien. 

Tegenover de flad Cuzco is een berg , op welken 
de vesting der Incas , billijk voor een wonder der 
waereld aantezien, gelegen is. Zij heeft ongemeen 
hooge muuren, uit bijstergroote fteenen famenge- 
voegd. Ieder fteen maakt in de lengte en hoogte ee- 
ne halve verdieping, en in de breedte bijkans een 
vierde der muuren uit. Alle de (leenen zijn zo kun- 
dig bewerkt , en zonder kalk zo dicht famengevoegd ^ 
dat ik geloof, de weergaë daar van op den aardbo- 
dem niet te vinden te zijn. Deeze zo vermaarde yes- 
ting, een heerlijk overblijffel der Peruaanfche oud- 

lieids 



144 



R E ï Z E NAAR. P E 



1752. 



XII.AFD. beid, wordt door de Spanjaarden ten eenemaal vcr- 
' waarloosd; hoewel zij zeer wel gelegen ligt, om de 
geheele ftad Cuzco tegen alle vijandlijke aanvallen te 
befchermen. Men heeft van daar een gezigt over alle 
de {Iraaten , pleinen en tuinen der Had , en kan den 
naderenden vijand met grof gefchut afweeren. 

In dceze vesting zijn twee groote onderaardfche hö« 
len of gewelven, chincanas door hen genaamd. In 
eene derzelven kroop ik door de kleine opening, in 
de rots gemaakt, en zag met verwondering, hoe 
fraai, aartig en kunftig de rots bij wijze van een' 
grooten en breeden gewelfden kelder uitgehouwen 
was. Rondom is het hol met veele zitbanken , in de 
rots zelve gemaakt , voorzien , alwaar eene menigte 
perfoonen bij brandende zonnehitte verkoeling kan 
vinden. Van boven valt 'er het Hcht door eene ope- 
ning il. In de andere fpelonk heb ik mij niet dur- 
ven waagen ; dewijl men mij verzekerde , dat deeze 
groef zo diep en zo ver onder de aarde voortliep 
dat tot hier toe nog niemand zich onderwonden had , 
het end daarvan te zoeken. 

Cuzco is door veele fchoone landhoeven , vrucht- 
baare akkers, en aangenaame tuinen omringd, dïe 
overheerlijke welriekende bloemen, fmaaklijk ooft, 
en andere nuttige aardgewasfen het geheele jaar door 
in overvloed voortbrengen ; hoewel de weersgeftelte- 
nis hier fomtijds een weinig ruuwer , dan te Lima is. 
Midden door de ftad vloeit een ddeine ftroom , dien 
zij QUATArNAY hceteu. Deeze loopt bij zwaare 
piasregens nu en dan zo fchielijk en zo geweldig op, 
dat hij groote fteeneu vau de bergen affcheurt , en 
mede voortrolt. 

Et- 



VERBLIJF IN CUZCOi 

Ëtlijke dagreizen van Cuzco houdt zich achter de 
liooge gebergten een onafhanglijk Indiaansch koning 
óp, welke, Ichoon de Spanjaarden hem eenèn mui- 
teling noemen , zich nogthans voor den rechtmaati^ 
gen heer en koning van Peru uit-, en telFcns voor- 
geeft, dat zijn geflacht uit het bloed der Incas, of 
der oude konihgen van^Peru afflamt. Of hij indei'- 
daad uit dien koniilglijken (lam voort is gefproöten ^ 
laat ik aan zijne plaats. Dit weet liien echter met 
zekerheid, dat de tegenwoordige koning, etlijke jaa- 
ren geleeden, als een adelijk jongeling , in de ftad 
"Cuzco, in het huis van S. Borgia opgevoed, en in 
de weetenfchappetl onderweezen is ; daar hij fteeds 
blijken van een' gtooten geest gaf; doch zijne höo- 
ge afkomst nooit aan iemand openbaatdë. 

Deczc koning heeft bijkans alle de omliggende hei- 
denen , Marafi Cochas^ onder Welken hij w;oont ^ 
Èn wier getal ongelooflijk groot is , reeds aan zich 
getrokken , en deeze gehoorzaamen ook ;^ijn bevel eii 
wenk ftipt. Dewijl hij het geheele koningrijk Perii 
met alle magt zoekt , voorwendetide , dat hetzelve 
zijnen vooi-oudefen onrecht valrdigef wijze door de 
Spanjaarden ontroofd was; zo heeft men billijk re- 
den om bevreesd te zijn, dat hij veelligt eens, ge- 
.lijk hij bereids een- en aildermaal beproefd heeft 
bij eene gunftige gelegenheid over de bergen aanruk* 
ken , met eene ontzaglijke legermagt geheel Peru 
overflxoomen , en het zich onderwerpen zal; te meer^ 
doordien de Spanjaarden hier te land zeer weinige , 
of in 't geheel gcene geregelde krijgsknechten en ves- 
tingen hebben, en dus zijne magt zeer bezwaarlijk 
tegcnftand zoüdsn kunnen bieden* Daar komt nog. 
K bijl 



XII.AFli* 



R E 1 Z E NAAR PERU. 

Xn.AFD,|3Ïj^ dat de nieuwbckeerde Indiaaneii, van het Spaan- 
'^y-2, ^che jok zeer af keerig , ligtlijk wel de eerfteii kon- 
den zijn , die zich vrijwillig bij deezen Iiidiaanfchcn 
koning voegen, en in menigte tot hem overloopen 
zouden. 

Op bevel van koning Ferdinand den zesden van 
Spanje werden door den onderkoning van Peru, Don 
Jofeph Manfo 5 graaf van Supcranda, fommige jaaren 
geleeden^ twee Jefuiten , die mij deeze gefchiedenis 
met alle de ontmoetingen , daarbij voorgevallen , mon- 
delijk verhaald hebben, over de gebergten aan dee- 
zen Indiaanfchen koning afgezonden, om naarde ge- 
fteltenis zijner regeering, zijne magt, en andere om- 
flandigheden onderzoek te doen. Toen zij te tarma , 
eene grensvesting , tegenover welke aan den overkant 
der rivier het rechtsgebied van deezen binnenlai^dfchen 
Indiaanfchen koning een begin neemt, gekomen wa- 
ren , zeide hun de Spaanfche corregidor aldaar ; dat zij 
moesten voorwenden , afgezanten van den Room- 
fchen paus te zijn : want hij wist met zekerheid , 
dat de Jpu ^9 Inca , of gemelde koning, eenRoomsch- 
katholijk Christen was , en uit, dien hoofde hen ze- 
ker ter geliooi* zou laaten komen. De twee Jefuiten 
bedienden zich van. deezen goeden raad ; en aan de 
rivier gekomen zijnde , riepen zij in de Indiaanfche; 
taal den lieden aan de overzijde der rivier toe , dat 

zij» 



19 /^/«. Dit is eene be\yoording uit de taal, jfiymara 
genaamd. Uit het ftaaltje, 'welk in de volgende derden- 
de afdeeling daarvan voorkomt, blijkt het duidlijk, dat 
zij zo veel als Heer bij ons betekent. Dus zegt J^fS 
Inca niet anders, dan Heer Inca of Heer Koning. 



I752* 



VÉRDLlJl? IN CÜZCOi 14^ 

l^ij, in den naam van den Roomfchen paus , lïiet den Xlf-Afo* 
Apu Inca begeerden te fpreeken. 

Toen deeze gezanten zich aan den overkant be- 
vonden j {ionden langs de wegen , daar zij door 
moesten ti'ekken , ontelbaare Indiaanen , niet pijlen 
en boogen gewapend , welken zij ten teken van vre- 
de en vfiendfchap naar de aarde gekeerd hielden* Zij 
i'eisden verfcheidene dagen , verzeld van eene me- 
nigte Indiaanen , door zeer groote en volkrijke In- 
diaanfche dorpen , tot dat zij eindelijk de plaats be- 
teikten, daar de Apu Inca zijn verblijf hield. Men 
bragt ze in het huis, welk hun de Indiaanfche ko- 
ning tot hun intrek had laaten aanwijzen. 

Nadat zi} zich van de reize eenigen tijd uit had-- 
den gerust , werden zij door fommige trawanten eii 
bedienden voor den Inca gebragt. Deeze , op zijn 
troon gezeten , ontving hen zeer -vriendlijk. Een vart 
de Jefuiten , hem ziende , kende hem terftotid uit het 
gezigt , dat hij die geen was , die voorheen , als een 
fidelijk jongeling , uit het Indiaanfche bloed van eenen 
ca^ique , in het huis van S« Borgia te Cuzco was 
opgevoed en onderweezen; doch hij liet 'er niets van 
blijken* De Jefuit deed zijne aanfpraak in de Indi- 
aanfche taal. Hij zeide , dat zij van den Roomfchen 
ftoel waren afgezonden , om te verneemen , of niet 
ook iii deeze gewesten des koningrijks Peru het wa- 
re geloofslicht kon ontftoken , en zijne Indiaanen in 
de heilige leer des zaligmaakenden geloofs konden on- 
derrecht worden. Hierop antwoordde de Inca: dit 
was reeds lang zijne begeeite geweest, dat zijne onder^- 
daanenindeleer deswaaren geloofs onderweezen mog- 
teu worden; te meer, dewijl hij zelf een Roomschka* 



REÏZE NAAR PERU. 

Xil.AFD. tholijk Christen was. Hij bad wel , etlijke jaarcn 
geleeden , fommige priesters eener andere orde in zij- 
ne nabijheid gehad , die zulks hadden kunnen begin- 
nen ; maar , dewijl zij zijne onderdaanen overreedenr 
wilden , om hem geene gehoorzaamheid te bewijzen ,- 
doordien hij Hechts een muitchng , een afvallige ,' en 
de koning van Spanje alleen de rechtmaatige heer 
ovei' geheel Peru was , had hij zich genoodzaakt ge- 
zien, dezelven weder verre over het gebergte te rug 
ie jaagen ; dan , van de Jefuiten mogten thans zo. 



veelen komen, als 



Hij beloofde 



hun in alles , wat dit bekeeringswerk betreft , aan de 
hand te gaan, hen teffens verzekerende, dat op zijn 
bevel alle zijne onderdaanen zich zeer gewillig in de 
waare geloofsleer zouden laaten onderwijzen : maai' 
de paus moest zijne onrechtvaardige gift, welke hij 
den koning' van Spanje deed, toen hij hem het ko- 
ningrijk Peru overgaf, herroepen. De heilige vader 
iyns zekerlijk door de Spanjaarden op eene listige en 
zeer bedrieglijke wijze grootlijks misleid, toen zij 
hem verzekerden , dat 'er niemand méér van het" ko- 
ninglijk bloed der ïncas overig was, dien de kroon 
van het koningrijk Peru toekwam. Zij meenden wel, 
dat zij door hunne onmeiischlijke wreedheid , aan 
zijne voorvaderen gepleegd , ook alle de fpruiten des 
koninglijken flams uitgeroeid , en gantschlijk ver- 
delgd hadden. Dan , zij hadden zich in hunne 
meening grootlijks vergist ; want hij had nog vier 
prinfen. 

Nadat zich deeze twee Jefuiten aldaar acht dagen 
lang opgehouden , en daaglijks met den Inca veel 
gefprookeii hadden, reisden zij weder over het ge- 

berg- 



■-■■^ 



. VERBLIJF IN CUZCO. 

bergte naar Lima té rug , daar zij de gcheelc ontmoe- 
ting hunner reize in gefchrifte ilelden, en den on- 
derkoning overgaven ; v^^elke dit bericht terilond naar 
Madrid aan koning Ferdinand den zesden zond. Dee- 
ze monarch deed naderhand een koninglijk bevel 
naar Peru afvaardigen , dat in 't toekomende noch Je- 
fuit, noch iemand der gecstlijken van eene andere 
orde zich ooit weder onderwinden zou , om tot dien 
weerfpanneling zich te begeeven, en de heidenfclie 
volken, onder zijn gebied zich bevindende, in d& 
waare geloofsleer te onderwijzen. 

Beide deeze Jcfuitcn , met welken ik negen maan- 
den lang te Lima omgang had , verzekerden mij , 
dat zij in die landen in de dorpen ontelbaare Indiaa- 
nen hadden aangetroffen ; en dat men niet weeteii 
kon , hoe verbaazend verre zich dit gewest misfchien 
in de onbekende zogenaamde Amazonenlanden uit- 
lli'ekt ; alwaar zich bereids alle de heidenen , aldaar 
woonachtig, aan deezen Lica onderworpen hadden. 



'XII.AFD. 



DERTIENDE AFDEELING. 

REIZE van CUZCO naar juli. beschrij* 
VING dier zending. Baare inwoo- 

NERS. 



Nadat ik mij geduurende eene geheele maand in xiir. 
Cuzco op had gehouden , zette ik mijne reize voort, afo. 
en vond na verloop van fommige dagen den weg 
gantsch eifen, en tot reizen zeer bekwaam. Zo dra 
men de gebergten van Peru over is getrokken, fchij- 
um de aangrenzende provinciën een gaatsch ander 
K 3 land- 



R E- I Z E NAAR PERU. 

landfchap te zijn. In de uitgeftrektheid van meer 
dan twee honderd uuren gaans ziet men niet eenen 
boom. Integendeel is alles vol hei , daar zo wel 
op de vlakten, als op de hoogtenen heuvels ontel- 
baare menigte Indiaansch en Europeesch vee geweid, 
en aan gefokt wordt. Na eene reize van drie wec- 
ken 5 op welke ik door veele zeer groote Indiaanfche 
dorpen en meierijen getrokken was , kwam ik te 
PUNO aan, daar het groote meir titicaca , 
naar eene openbaare zee gelijkende , zijn begin' 
neemt. 

De Had Puno wordt door Spanjaarden en Indiaa- 
nen bewoond , heeft eene ongemeen fchoone van ge-* 
houwen fleen opgehaalde parochiekerk ^ prachtige 
huizen en eenen corregidor. Zij ligt aan den voet 
van den hoogen berg ca«charani, uit welken 
reeds federt veele jaarcn , en nog daaglijks veel zilver 
gegraaven wordt. Vt&zt zilvermijn is op de volgen- 
de wijze ontdekt: 

Een jongeling van adelijken huize , uit Spanje in 
deeze landen overgekomen, wilde te Potofi bij zij- 
ne bloedverwanten zijn geluk zoeken ; doch werd 
op de reize zeer gevaarlijk ziek, zodat «hij niet dan 
met groote moeite cittzo^ plaats Puno bereikte. Hij 
nam aldaar zijn' intrek in het huis eener Indiaanfche 
weduwe, Deeze nam hem in groote liefde aan , en 
verzorgde hem in zijne krankheid , gelijk eene moeder 
haaren zoon. l^oen de Spaanfche jongeling door ee- 
ne zo goede verzorging zijne voorige gezondheid we- 
dergekreegen had , wilde hij de eenige dochter deezer 
Indiaanfche weduwe ten huwlijk neemen, om bij ee- 
lie zo dienstwillige en liefderijke moeder ileeds te blij* 

veri. 



VAN CUZCO NAAR JULI. 



151 



ven. De Spanjaarden te Puno, zulks bemerkende, 
sontrieden hem door alle bedenidijke wegen en midde- 
len het voorgenomen huwlijk, voonvendende , dat 
liet hem en zijnen nabeüaanden de grootfte fchande 
zou zijn 5 bijaldien hij zich als een edele Spanjaard 
met de dochter eener arme Indiaanfche vrouw in den 
echt begaf. De dochter werd het ras gewaar. Zij 
zeide tot den jongeling : wanneer hij zich van zijne 
genegenheid jegens haar niet af liet trekken , maar het 
huwlijk met haar voltrok, zou het hem zekerlijk nooit 
berouwen , met haar getrouwd te zijn ; want zij be- 
loofde hem heiliglijk , dat zij hem in korten tijd tot 
een' rijken man wilde maaken; hij zou flechts met 
haar gaan wandelen , en , wanneer zij zich aan zekere 
plaats op den grond had neer gezet, die plek v/el 
bemerken ; daarna etlijke getrouwe ïndiaanen met 
zich naar buiten neemen , en aldaar laaten graaven , 
Wanneer hij 'er eene zeer rijke zilvermijn ontdekken 
zou. De verhefde Spanjaard geloofde het Indiaanfche 
meisje , merkte de plaats , daar zij gezeten had ^ 
naauwkeurig, Het aldaiu" ileenen weggraaven, èn 
vond terftond de rijke zilvermijti. Deeze wees hij ter- 
ftond den beveiiiebber aan , en hem werd vergund , 
dezelve op zijne eigen kosten te laaten bearbeiden. 
Hij trouwde met de jonge Indiaanfche maagd , en be- 
gon den arbeid in de mijn met een zo gelukkig ge- 
volg , dat hij in korten tijd een zeer rijk man wierd. 

Van Puno kwam ik met mijnen reisgenoot den vol- 
genden dag te c HU c UIT o aan. Ik werd door den 
corregidor der plaats zeer beleefdlijk ontvangen , en 
bleef met mijnen reisgezel drie dagen lang in zijn 
huis. Deeze plaats is de hoofdibd eener provincie 
K 4 - van 



XIII. 

AFD. 

1752. 



vnn gelijken naam. 



NAAR PERU. 



176(5. 




XIII. vnn gelijken naam. Zij is niet groot , maar heeft 

1 ïianzienlijke Iiuizen, breede Itraaten en twee groote 

1752- parochiekerken. Zij ligt op eene kleine hoogte, na-, 
bij het meirTiticaca. In deeze ftad is eene koninglij- 
ke fchatkamer, daar de zilverftaaven , die zij harrai 
?ioen^en , van het zilver gegooten worden , welk in 
deeze provincie, ^n die van pancau coj^la in 
menigte uit de zilvermijnen wordt gegraaven, 

Vari daar zette ik mijne reize over a c o r A en ii i- 
L A B E , twee zeer groote Indjaanfche dorpen , voort , 
en kwam eindelijk den twee en twintigllen van Oogst- 
D^aand in mijne zending te j u li 20 fris en gezond aan, 
^et dorp Juli Itaat onder de,n bevelhebber van 
Chucuito , welke den Indiaanen het recht fpreeken , 
cn hunne klagten en verfchillen in waereldlijke zaaken 
liQoren en beflisfen moet. In 't geestlijke is het aan 
den bisfchop van Paz ondei-worpen ; welke ftad veer-" 
tig uuren van daar ligt. De plaats is aan den heeren^ 
weg gelegen , die niet alleen door de reizigers in Pe-.- 
Tu, maar ook door de geenen, welke uit Paraguay 
iiaar Peru trekken , zeer üerk betreeden wordt. De 
vreemdelingen mogen zich hier flechts drie dagen opr 
houden , na verloop van welken zij hunne reize voort 
inoeten zetten. Maar, bij aldien iemand der reizen^, 
den in eene ziekte niogt vallen , wordt hij in het gast- 
liuis gebragt, en aldaar met fpijs en drank, gelijk 

ook 

^° JyU. ^len vindr die dorp ook in de landkaart vai 
2uid- Amerika, door den beroemdeir heer d'anville 
uiigegeeven, gelijk mede in die, welke bij het derde 
^eel van w. k o b k r t s o n 's gefchiedcnis van Amerika 
gevoegd is, Maar in beiden wordt de naam dee£er plaais 
feirkeerülijk XuH ^ 'm fleé vaa Juli, gefchreeyefl. 



VAN CUZCO NAAR JULI. 



ï53 



il 



ook met ligchaamlijke en gcestlijke artzenij rijklijk XIIL 
verzorgd. 



AFI). 



Decze zending of dit dorp Juli ligt op ecnc hoogte , 
dicht aan het groote meirTiticaca, tuslchen vier hoo- 
ge bergen , welke het geheele dorp der Indiaanen om- 
ringen, en influiten. Een dier bergen wordt ulla, 
de tweede caracollo, de derde sapacollo, 
en de vierde sulipucara genaamd. Deeze la^t- 
fte is de grootite en hoogfte , en van het midden af 
tot nagenoeg aan zijnen top met vier dikke en hooge 
mimren rondom omgeeven, tusfchen welken de In- 
diaanen veele akkers hebben , daar zij aardappels en 
Quinoa op teelen. De m uuren zijn reeds op veele 
plaatfen omgevallen. Deeze berg was de vesting der 
aloude heidenfche Indiaanen , daar zij zich tegen deii 
vijfden Inca, Capac Yupanqui, die hen onder zijne 
gehoorzaamheid wilde brengen , veele jaaren zeer llerk 
en dapper verzetten; tot dat hij hen eindelijk door 
cene wreede list , die zijnen heldendaaden geene ge- 
ringe klad aanwreef, overwon, en onder zijn juk 
bragt. Alle de vier bergen hebben boven op de kruin 
een groot en hoog kruis , door een' vroomen priester 
aldaar opgerecht, 

Deeze vier bergen zijn benevens eenen anderen , 
nagenoeg tusfchen twee derzelven gelegen, en ya- 
CARi genaamd, met veele rijke zilveraderen en mij-' 
nen voorzien, daar eertijds de heidenfche Indiaanen, 
en naderhand de Spanjaarden veel zilver uitgegraaveii 
hebben. 

De plaats der zending is teifens een groot dorp , al- 
leen door Indiaanen bewoond. liet heeft lange rech- 
te ftraaten , en in 't midden eene vierkante groote en 
K 5 l»ree- 



1752- 
17(^6, 




NAAR PER u, 

breede markt , d^ar de Indiaanfche vrouwen op zon- 
en feestdagen heure waaren verkoopen. Daar zijn 
1752I- vier fraaie kerken , van (leen welgebouwd , ook met 
J76Ö. zeer veel rijke en prachtige gouden en zilveren kerk- 
fieraadjen overvloedig voorzien , waarmede op hooge 
feestdagen de altaarea van onder tot boven bedekt 
worden. Zij pronken ook met kostbaare priesterlijke 
koorgewaaden van uitmuntend geflikt werk. Van 
binnen zijn de kerken met groote en zo wel uitgevoer- 
de fchilderilukken verfierd , dat ieder derzelven een 
fcunstftuk mag genaamd worden. Zeer fraai in hout 
gefneeden beelden vertegenwoordigen den Zaligmaa- 
ker aan den pijlaar, toen hij gegeesfeld werd; toen 
hij het kruis droeg; en toen hij van het kruis af werd 
genomen; voorts Johannes den dooper; S. Hierony- 
mus; en S. Franciscus. Hoewel zij allen Hechts 
door Indiaanfche beeldhouwers vervaardigd zijn, moet 
ik echter in waarheid bekennen , dat zij 'm zeer goe- 
den fmaak en kundig uitgewerkt zijn. 

Deeze vier gemelde kerken voeren de volgende ti- 
tels. De eerlle is de S. Peterskerk , tot welke de In- 
diaanen, quancollos genaamd, behooren. Zij 
is de kerk van het Jefuitenhuis. De tweede is de kerk 
des heiligen kruis , daar in het hoogaltaar een groot 
^uk des heihgen kruis bewaard wordt, door vS. Bor- 
gia aan dezelve vereerd. Tot deeze kerk behooren 
delndiaanen, wdken men incas, chambïllas 
en CHiNCHAYAS heet. De derde is de kerk van 
Maria's hemelvaart, bchoorcnde tot dezelve de ïn- 
diaanen mochos genaamd. De vierde en laatlle is den 
heiligen Johannes dtn dooper toegewijd. De zuilen , 
die het huis en het koor der kerk uirraaaken , zijn vim 

ascli' 



wl V 



■«■II I i>ii lil 



VAN CUZCO NAAR JULT. 



iS$ 



Jscligraauwen fteen zo kunffig gehouwen, en met XIIT. 
bloem- en loofwerk zo rijk en aartig uitgewerkt, dat ^^°' . 
de reizigers niet geloovcn willen, dat zij van fteen 1752— 
zijn , voor dat zij met een mes de proef daarvan ge- ^7^^ 
nomen hebben. Tot deeze kerk behooren de Indiaa- 
nen, welke ayancas genoemd worden. 

Hoewel deeze zes geflachten of ftammen van In- 
diaanen, onder het rechtsgebied van het dorp Juli 
ftaande , flcchts ééne taal fpreeken , zijn zij nogthans 
in de gezigtstrtkken zo zeer onderfcheiden , dat men 
terftond weet , uit wat voor eenen ftam zij afkomftig 
zijn. Alle de gemelde Indiaanen , tot deeze Julifche 
zending behoorende, bedraagen te famen tien of 
twaalfduizend zielen. Vier priesters van onze orde , 
die altijd onder hen woonden , moesten de geestlijke 
verrichtingen ten hunnen gezigte vervullen. Op eene 
hoogte, dicht aan de plaats liggende , ftaat eene kapel 
van S. Barbara, welke door den geenen van ons, 
dien het opzigt over de gemeenfchaplijke goederen 
toe was vertrouwd, bediend werd. De gemeenfchap- 
lijke goederen beftonden in acht landgoederen, op 
welken te famen vijftien duizend Indiaanfche , en vijf 
duizend Europcefche fchaapen , benevens tachtig os« 
fen en koeien , geweid werden , en over welken vijf- 
tig Indiiianen als herders befteld waren. 

Van deeze goederen werden onderhouden : eerstlijk, 
de armen der plaats met daaglijkfche fpijs en klee- 
ding; ten tweede, de muziekanten, die wegens ge- 
ftaadige bezigheid in de kerken weinig of geenen tijd 
overig hebben , om zich verder door hunnen handen- 
arbeid te geneeren; ten derde, de zwakke en zieke 
Indiaanen , die wegens hunne ziekte en zwakheid het 

jaar 



NAAR PERU. 



Xïlï. jaar door zo veel geld niet kunnen verdienen, als 
^^^' Hoodig is , om de fchatting aan den koning te betaa- 



1752— ^^n ; ten vierde , de fchoolmeester , die de jonge In- 
'7^ö- diaanen , welke jaarlijks op beftemde tijden naar de ilad 
Potofi, op den aflland van honderd en vijftig uuren 
van Juli gelegen, moeten reizen, om in de zilvermij- 
nen aldaar te werken. Ook is in dit dorp een gast- 
huis, waarin de zieken om niet met kost en artzenijen 
verzorgd worden ; waartoe de apotheek maandelijks 
vijftig harde daalders aan inkomften heeft, welke be- 
taald moeten worden door hen , die het jaar door in 
het dorp wijn en brandewijn moogen verkoopen. 

Het geestlijk rechtsgebied deezer zending te Juli 
ftrekt zich in den omtrek meer dan honderd uuren uit, 
over de ruuwde bergen , gevaarlijke rivieren , en on- 
meetlijke vlakke heiachtige landen , daar zich de meefte 
Indiaanen, met hunne geheele huisgezinnen, in hun- 
ne hutten en landgoederen, bij hunne kudden ophou- 
den, en hunnen zielzorgercn veel moeite en zweet 
veroorzaaken: want, wanneer zij ziek worden, moet 
men hen bijftaan , hun de biecht afneemen , en het 
lieihg avondmaal , benevens het laatlte olijfel toedie- 
nen. In gevalle 'er zwaarc doorgaande ziekten onder 
hen heerfchen , laaten zij hunne geestlijken wceklijks 
bijkans vier of vijfmaal roepen. Het bezwaarlijkflq 
voor hun is dan , dat zij niet flechts twee , drie of 
vier uuren , maar dikwijls tien , twintig en dertig , ja 
nog meer uuren rijden moeten, en zulks op de onge- 
maklijkfte wegen, onder duizend bezwaarnisfcn eii 
leevensgevaaren. Daarenboven moeten zij, geduu- 
rende het jaar, de geheele gemeente bezoeken, om 
?oor hun te prediken , hmme kinderen te doopen , en 

hen 



•VAN CUZCO NAAR JULI. 



157 



hen in de Christlijke geloofsleer ontkrwijzen. Xill; 

l'hinrk taal, ^\^elke zij Aymara 21 noemen, is ge- ^^"y 

heel anders, dan de taal Quitfchua , welke de alge- ^^^n. 

meene landtaal des koningrijks Peru is. Hier is 'er i76<>- 
eene kleine proeve van : 

Snnta Cru'zria unanncha-pa-hycu aucanaca- 

Sana^ Crucis fignum fuum propt sr inimieos 

flatha nanaca kefpüta nanakan' Dio-fTa 

noitros nos liheret noitrum Deus nosier 

Apu- 



ai De taal A'^mara is insgelijks eene voornaame hoofd- 
taal in het koningrijk Pera. Zij wordt 'er door zeer vee- 
Ie tndiaanfche ftamtnen gebruikt, als bij voorbeeld: de 
Canchis , Canas , Collas , Collaguas . Lupacas , Paca, 
f^s, Carancas, Charcas en veele anderen. De Jefuit 
L. BE Tx T O N I o heeft 'er eene fpraakkunst in 't Spaansch vaa 
gefchreeven , welke deezen tijtel heeft : Arte y Gramma- 
iica jnifj copiofa de la lengua Aymara , compuefla por el 
p. LUDOVico BB il TON 10, Romano , de la Cornpa- 
fif'a de Jefus en la Provincia del Piru , de la India Occi- 
dental. ■ Zij is re Rome in het jaar 1Ö03 gedrukt in oda- 
vo-, en beflaat 378 bladzijden. De heerBAVEd had 
zich in deeze taal zo zeer geoeffend, dat hij in dezelve 
voor de Indiaanen, aan zijne zorg toevertrouwd, preek^ 
te. De heer christoph gótlieb vaN Muaa 
lieeft in het eerfte deel van ziju Journal zur Kunstger 
fchichte und zur algemeinen Litteratiir bladz. 112 enz. 
deeze bijzonderheden nopens de taal Aymara opgegeeven , 
en aldaar ook , behalve de hierboven ftaande proeve » nog 
eene predikatie van den heer BAYEit in de Aymanefche 
taal met eene Latynfche overzetting begonnen mede te 
deelen, bladz. 117, welker llot in het derde deel van-het- 
zelve jouroal bladx. 55 tos 104 te vinden i» 



iMiifiliii 




REIZE NAAR PERü. 

Xirr. Apuhua, Auquina, Yocanfa, Efpiritu - fantonfa 
AFD. DomimSi Patiis , Filii ^ et Spiritus f anm 

Amen. 
Amen, 



Nanacan' Awqui-ha, halajpaclian cancata, futi 
Nostrum Pater meus , in Coelo tu es, Nomen 

ma yupaychata céncapa, Reyno ma nanacaru 
fuum fanSïum Jit , Regnum tuum iiobis 

hutpa , munanna ma liirdta cdncapa halajpachanfa, 
yeniat, voluntas tua fa£la fit in CceIo , 

acapachanfa uc'bamaraqui , ttanta - fla nanacaru 

in terra fimiliter , panem nostrum mbis 

hichuru, Churita, hii'chanaca-fla fca pampacha- 
hodie des, peccatu mstra etiam mbis re- 

rapita , camifa hiuffanaca- taqui huchachafirinaca 

mittas^ nti ms contra peccantihus 

iTaru pampacbdpithua- uc'hama haniraquihua hua- 
mostris ms condonamus fimiliter , mn etiam in 

tecannaru tincuyannahatati , maufca taque chigina- 
ientationem ms cadere finas , fed ah omnibus peri' 

cdtha kefpüta. Amen, 
eulis ms libera, Amen, 



Hamppatjdma Maria, Diosna gracia-pampi phoca* 
Ave Maria, Dei gratia fua plena 



tatdhua, Dios Apu - iïahua 
tü es , Deus Dominus nosier 



hiimampi canqui , 

tecUm efi , 



«i^pMUli 



VAN CÜZCO NAAR JULI. 

huarminncntlia cóllana - tapi , puracamathfa yuriri XIIL 

iiiter midieres bcnediQa es tu^, veniris tui enatus ^^°* 



huühua mafca, Jefu- ITa collana - laqui-pi, Santa J^|g 
filiiis iuus , Jefus noster bcncdiêius ctiam e/?. SanÜet ^ *- 

Mnria, Diosna Taycapa, huchajtaranacd-fla laycu 
Maria , Dei Mater fua , peccatoribus nobis pro 

hamppatarapua hichafa, hihuanna- IBi-pachanfa uc'ba- 
ora tu nunc mortis nostra in tempore f mi', 



maraqui. 
Uter 



Amen. 
Amen. 



Daai- ik een ftreepje tusrchen de woorden geplaatst heb, 

moeten dezelve te famen geleezen wordea, als 

of het maar één woord ware. 



VEERTIENDE AFDEELING. 



Vdn de BERGEN, ZILVERMIJNEN , Z O U T- 
BERGEN, LAND SGESTELTENIS, MAG- 

NEETBERGEN, m mdere merk'waardig- 
heden der zending juli. 

De bergen in het rechtsgebied deezer zending zijn xm 
van buiten onvruchtbaar, maar van binnen vol zii- '^^®* 
ver. Des niettegenftaande zijn de zilvermijnen der 
bergen sulipücara, caracollo, yacarï, 

VILANYN, SACATA, LURISA, PICHÜ, CAN- 

^ali, sivicani en harumbamba, wegens 
de nieuwontdekte zilvermijnen van Pnno en San An^ 
tonio, door de Spanjaarden vedaaten; hoewei de 

iaat- 



>«v 



i5ö 



ÈIZE l<iAAR PEItlf. 



:XIV. laatïten , naamlijk die van Harümbamba , eeröjds deft 
'^™' koning van Spanje drie millioenen harde daalders in 
1^752-. drie maanden opbragten ; gelijk zulks in de rekenboe- 
1/Ö6. ken der koninglijke Ichatkamer te Chucuito , alwaar 
de zilverdaaven , of barras , gegooten werden van het 
zilver, in de mijnen van Harümbamba üitgegraaven , 
hedendaags nog te zieri is. Deeze zilveraders gaveri 
zo lang rijke buit, tot dat twee bevelhebbers door 
onrechtvaardige twistgedingen, de rechtmaatige be* 
zitters verftooten hadden. Zij lieten wel naderhand 
den arbeid in die mijnen voortzetten ; maar zij ver- 
fpilden hun eigen geld onnut , en lieten 'er zo lang in 
werken, tot dat zij gantschlijk verarmd waren, en 
hunne daaglijkfche kost bij de Jefuiten te Juli zoeken 
moesten. Ik heb 'er in mijnen tijd beiden arm en el- 
lendig naar de eeuwigheid zien gaan. 

Bij deeze gelegenheid zal ik , hoewel kortlijk , de 
wijze befchrijven, op welke men hier te land uit het 
zilvererts, in de mijnen gegraavcn, het zilver haalt. 

Men heeft zilvererts , waarin men het witte en har- 
de zilver reeds vitn buiten' ziet. Dit noemen zij pbta 
hlanca. Maar 'er is ook ander erts , welk het zilver 
daar in begreepen , van buiten niet vei-toont , fchoon 
het 'er zeer rijklijk mede bezwangerd is. Dergelijke 
éftfen heeten zij pomillos roncos. Al het zilveretti 
wordt uit de mijnen naaï- de zilvermolens , hier on- 
der den naam van trapkhes bekend , heengebragt , daar 
het door een' grooten ronden molëniïeen, van hec 
water door middel van een molenrad, rondgedreeven , 
ïils tot kleine zandkorreltjes gemaalen wordt. Ditf 
zilverzand wordt vervolgens met drooge takkebos- 
fchen in eene oven gebrand,, daarna op eei^e effene 

plaats , 



LANDSGESTELTENIS VAN JULI, 



plaats , met fleenen dicht geplaveid , uitgeflort , al- 
daar gelijk leem met water gemengd, en in verfchei- 
dene kleine beddekens, op de wijze van tuinbedden , 
verdeeld. Na verloop van eenigc dagen worden dee- 
ze zilverbeddekens met zout beflrooid , wederom met 
zo veel water, als noodig is , tot eene (oort van leem 
gemaakt, eu etlijke dagen lang door eenen Indiaan 
met voeten doorgetreeden. Wanneer men bevindt^ 
dat het zout zijne kracht op het zilverzand gedaan 
heeft 5 wordt 'er zo veel kwikzilvcr , als men noodig 
acht, op het zilverbeddeken gellrooid, en, gelijk 
voorheen , door eenen Indiaan een' geruimen tijtilang 
met voeten wel dooreen getreeden. Daarna laat men 
het zilverbeddeken met kwikzilver zo lang rusten, 
als men noodig oordeelt, om alle de zilverdeeltjes 
aan zich te trekken. Dit gcfchied zijnde, wordt het 
zilverzand , met leem en zand gemengd , in een' ftee- 
nen trog gefchud, en met water over fchuinschlig- 
gende huiden , welke ia 't midden eene kleine diepte 
hebben , gezuiverd. Want het water , van boven 
uit eene pijp in den trog gelaaten, fpoelt over de hui- 
den, die bij wijze eenergoot en eenigzins af hellende 
gelegd zijn, alle onzuiverheid weg, terwijl het kwik- 
zilver met het aangetrokken zilver in de diepten , ge- 
lijk boven gemeld, in de huiden gemaakt, neerzinkt, 
en daar liggen blijft , tot dat het water alle onreinheid 
weggevoerd heeft. Vervolgens wordt al het kwikzil- 
ver uit de diepten der huiden in een leêren zak , die 
van onder fpits toeloopt, verzameld, welken meli 
over een bekken ophangt , opdat het kwikzilver , 
welk 'er van tijd tot tijd uitzweet, daar in druipe; 
maar het zilver blijft als een dikke ilof in den zak; 
L welk 



XIV. 

AFD. 

I752-" 
1766. 



NAAR P E R Ü. ^ 

XIV. welk zilverdof naderhand met eenen ftamper in de 
vormen (lerk in wordt gedrukt , op dat het hard worde. 
752— Na verharding van het zilverdof worden de hou- 
1700. ^£j^ vormen 'er afgenomen, maar de pina , of zilver- 
klomp (gelijk de Spanjaarden dien noemen) wordt op 
gloeiende kooien gezet, en gloeiend gemaakt, opdat 
het weinige kwikzilver , welk veelligt nog in het zil- 
ver over mogt gebleeven zijn, door het vuur ver- 
teerd, in de lucht gedreeven worde , en het zilver vol- 
komen zuiver blijve ; welk zilver door de Spanjaarden 
plaia mrgen , of maagdezilver geheeten wordt ; de- 
wijl het zonder eenig raengfel van ander erts is. 

Behalven deeze zilverbergen der Juiifche zending, 
zijn 'er ook etlijke zoutbergen, daar het fijnfte en 
fneeuwwitfie zout gemaakt wordt. Deeze liggen tien 
uuren gaans van Juli. Zij hebben aan weerskanten 
een klein dorp hisca haiju, en hacha haiju 
genaamd , en twee kapellen , welke dochters der groo- 
le parochiekerk van. Juli zijn. Uit deeze zoutbergen 
ontfpringt zout water , welk de Indiaanen , in die 
nabuurfchap woonende , in groote van fteen gemaakte 
kommen verfamelen, en daar mede geduurende zes 
maanden, in welken het hier nimmer regent, de rond- 
omftaande muuren, en andere vormen van aarde- 
werk gemaakt, zo lang begieten, tot dat het zout, 
welk 'er aan hangen blijft , hard en eenen vinger dik 
is; wanneer zij het van de fteenen en vormen afnee- 
men, en in hunne zoutfchuuren bewaaren, tot dat 
'er kooplieden komen, en het hun afkoopen. 

De bergen, hoogten en heiachtige landen deezer 
geheele ftreek brengen , behalve kruiden en gras voor 
het rundvee en de fchaapen , bijna in 't geheel gaon 

an- 



■4«p 



LANDSGESTELTENIS VAN JULI. 



ander gewas voort. In den omtrek van vier of zes 
imren gaans ziet men geenen boom , uitgenomen mis- 
fchien ctlijke ftruiken, die op verfcheiden plaatfen 
aan de hoogten en de bergen groeien. Om deeze re- 
den moet men zich hier , gelijk in Arabie, 'tot het 
vuur, om fpijs te bereiden, van droogen koe- en 
fchaapenmist bedienen , welken de veeherders bij zak- 
ken vol op de weilanden verfamelen , en in de dor- 
pen en fteden verkoopen. Daar worden wel , twin- 
tig uuren van Juli , zeer veele takkebosfchen gemaakt 
van de groote heesters en llruiken, welke aldaar 
menigte groeien ; doch zij worden alleen tot het brood- 
bakken gebruikt. Van de kleine dennen boomen , die 
vijfentwintig uuren van JuH wasfen , branden de In- 
diaanen , daaromtrent woonende , kooien , die tot de 
reukvaten in de kerken dienen, en door de goud-, 
zilver- en ijzerfmits , gelijk ook door de flootemaakers 
gekocht worden. 

Dag en nacht zijn hier ook even lang. Twaalf uu- 
ren van Juli ligt eene zeer vermaarde hei , die negen 
of tien uuren in den omtrek heeft , rondom met veele 
Indiaanfche hutten en meierijen bezet is, en ayan- 
CABAMBA genoemd wordt. Zij is vol Indiaanfche 
fchaapen, die 'er goede weide vinden. Wanneer 
men van Juli derwaard reist , loopt de weg , drie 
luiren van het begin der hei , langs eene ongemeen 
fraaie en merkwaardige plaats , daar eene vrij groote 
rivier tusfchen rotsachtige bergen ingeflooten is. De 
Indiaanen noemen die ftroomengte uruculcu, dat 
is, de visfchers ftroomengte, en de rivier, die 'er 
doorloopt, de groote rivier quenque. De rivier 
is zeer vischrijk m eene foort van visfchen , Juches 
L 2 ge- 



XIV. 

AFD. 



1752- 
1766. 



NAAR PERU. 

XIV. genaamd , en bij iiitneemenheid goed om te eeten. De 
AFJ). rivier is zo diep en breed, als onze Main, en loopt 
1752— i" ^^ vijf regenmaanden zo (lerk, en zo fnel, dat 
1/66. men 'er of in 't geheel niet , of niet zonder het oog- 
fchijnlijkde gevaar over kan trekken. 

De flroomengte zelve is zo zeldzaam en aange- 
naam, dat zij het oog des reizigers vermaakt, en hem 
met verwondering vervult. Aan de eene zijde ziet 
men deels de zuiverfle en aangenaamfte bronnen lüt 
de rotfen voortkomen , deels de heldere en zoet rui- 
fchende beekskens van boven van de bergen necrftor- 
ten. Aan de andere zijde ontdekt men vreeslijk groo- 
te zuilen en pyramiden, door -de natuur zelve ge- 
vormd , welke de kunst niet in ftaat is natemaaken. 
Terftond bij het begin der flroomengte is een hooge 
berg, op welken eertijds een zeer groot dorp van 
heidenfche Indiaanen Hond. Op zekere tijden is hij 
vol vuurige en heldere dampen , die bij nachttijd uit 
de aarde uitwaasfcmen , en den reiziger fchrik en 
vrees aanjaagen. Men wil zulks aan de menigvuldig 
ge doodsbeenderen , aldaar begraaven liggende , toe- 
fchrijven ; dan , ik laat dit aan zijne plaats. 

Nadat men den weg langs de flroomengte afgelegd 
heeft, komt men aan de gemelde groote hei. Bij- 
kans ten einde van dezelve is een heuvel, in zijnen 
omtrek nagenoeg een vierde van een uur groot. Hier 
borrelt geftaadig kookend heet water op , welk uit on- 
derfcheidene buizen met groot geweld en zo fterk ge- 
raas uitberst, als of men 'er geftadig de trommel 
roerde. De Indiaanen vangen het water op , en ge- 
bruiken het tot gezondbaden. Onvruchtbaare vrou- 
wen, vau dit water drinkende, worden ras daarop 

vrucht- 



LANDSGESTELTENIS VAN JUt!. l6S 



XIV. 
AFD. 



vruchtbaar; zwakken en beroerden krijgen 'er het ge- 

'bruik hunner' ledemaaten door weder; en veelen wor- 

den ook van andere kra-nkheden door dii water genee- 175a— 
zon. De Indiaanen noemen deezen heuvel wegens ^^^^^' 
het groote gcdruisch, welk hij dag en nacht maakt, 
POjPOCOLLO. Hij is iiecds met rook omgeeven. 
B"')veir heeft hij twee ruime vierkante openingen, 'ge- 
lijk twee kleine meiren, waarvan de eene met warm _, 
doch de andere , Hechts ter breedte van twee fchree- 
den van de eerfle afgezonderd, met koud water ver- 
vuld is , wellc , gelijk twee groote ketels , gedadig als 
•ziedend water opborrelt. ' In de warme kon ik met > 
eene lijn, hónderd vademen lang, geen grond vinden; 
maar in de koude vond ik , veertig Viademen diep , 
grond. 

Bij deeze twee kleine meiren , die boven op den 
heuvel liggen , is nog eene andere groote en . ruime 
opening , door de Indiaanen m a n c a p a c ha l a c- 
c A , of het Hellegat , genaamd . In detze opening 
kan. men',: deels, wegens haare diepte , en deels we- 
gens het ziedend heete water , dat 'er op haaren bo- 
dem fteeds kookt , niet zonder ijzing neerzien, . Met 
■een woord , de 'gcbeele heuvel bruischt en beeft dag 
,en nacht zo ontzaglijk, dat ik de eerftemaal g-oot^ 
lijks verfchrikte ,:en 'er niet lang op vertoeven durföe. 
Omtrent zes uuren van deeze groote hei liggen et- 
lijke zeer hooge magneetbergen , zodat men 'er fleu- 
tels en ander ijzerwerk aan hangeii-kan.- In die maan- 
den , in welken het hier veel dondert , is het gevaarlijk 
te reizen. Twaalf uuren hooger op zijn veele ber- 
gen , op welken tusfchen de rotfen en fteenen veele 
dikke wortels uitfpruiten. Uit deeze bereiden de In- 
L 3 diaa- 



ZE NAAR PERU. 

diaanen veel terpentijn, dien zij duur verkoopen. De 
wortels kunnen niet gebruikt worden , om ze te bran- 
den , wanneer men fpijs wil bereiden , dewijl hum 
rook alles bitier maakt. 



V IJ F T I E N D E A F D E E L I N G. 

Verdere beschrijving 'van het dorp juli, nian 

■de omliggende steden en landstreeken, 

'uan het meir ti t i c a c a , enz. 

XV. ïk kom weder tot de befchrijving van ons dorp Juli, 

AFD. en zijne omliggende landflreeken. Hoewel aldaar noch 

j~ 2 __ wijn, noch taiwe, of andere veldvruchten groeien, 

ij66. wordt hun echter alles in overvloed toegevoerd. C o- 

CHABAMBA voorzict hen met veele en zeer goede 

tarwe. Deeze ftad is wel geene van de grootfte (leden 

van dit rijk ; maar zij is ook geene van de kleinere , 

en zeer wel met breede en rechte ftraaten voorzien. 

LUCUMPA, MOQUEQUA, ICA, PISCO,^€n 

AREQUiPA, of, gelijk anderen fchrijven, are- 
9 UI VA, verzorgen de bergfteden en plaatfen met 
veel wijn, brandewijn, boomolie, katoQn, Indiaan- 
fche peper, en ooft; De vier eerfte lieden zijn klein , 
maar zeer net gebouwd, en daar alles in overvloed 
groeit. 

Arequipa is, naar mijnen dunk, de fchoonfte ftad 
van dit koningrijk. Alhoewel zij zo groot niet is, 
als Lima, daar zij twee-cn-vijftig uuren van daan ligt, 
is zij nogthans met prachtige gebouwen van hardftee- 
nen zeer fraai bebouwd, heeft breede en rechte ftraa- 
ten, en ligt in eene bijzonder vermaaldijke vlakte aan 
-.:;: ;; ... de 



EKSCHRIJVING VAN JULI. 



^67 



<Te rivier c h ,1 l a , over welke zij eene voortrcflijke brug 
van gehouwen Itecn heeft. Langs deeze rivier wordcii 
<Ie koopmanfchappeu van de Zuidzee tor aan deeze ftad 
gcbragr. Zij heeft een prachtige domkerk, benevens 
eenen bisfcliop , ook etlijke parochiekerken , en wel- 
gcboiiwde mans- en vrouwenkloosters. Hier is een 
corregidor, en de flad wordt door veele aanzienlijke 
Spaanfehe huisgezinnen bewoond, die rondom de Had 
hunne buitcnplaatfen hebbeu , daar behalve veele 
boom- en tuinvruchten, d£ Iieerlijkfte tanve en wijn 
geteeld wordt. 

Eenige uuren van de ftad aan den kant van het ge- 
bergte , ligt een zeer hooge brandende berg , welks 
kruin bijna het geheele jaar door uit eene groote opening 
rook opgeeft. Ook zijn 'er reed^s vericheidenmaalcn 
vlammen, uit voortgekomen, en vreeslijke aardbeevin" 
gen daardoor veroorzaakt. 

Het meir titi.ca.ca, waaraan het dorp Juli ligt, 
wordt, vpor zo veel tot hiertoe bekeiid is, voor het 
grèotfle- Qp den aardbodem gehouden. Het heeft 
honderd uuren in den omtrek , zodat het eer naai- eene 
2ee, dan naar een meir gelijkt. Het water van dit 
meir, een weinig zoutachtig , is op zekere uuren vaa 
den dag ftil , en daarna flroomend , gelijk., de zee. 
Rondom is het met veeje jzêêf groote volkrijl^ In- 
diaanfche dorpen en marktvlekken bezet, die allen 
Aymarers zijn , en m geestlijke zaaken tot het bisdom 
Paz behooren. Het is zeer diep , en kon ook groote 
fchepen draage^j, bijaldien de Spanjaarden hier zo- 
daanigen bouwden , om op dit meir de koopmanfchap- 
peu gemaklijker en fpoediger van de eene plaats naar 
de andere over te brengen. Ook is het meir zeer 
•■>••. L 4 visch- 



XV. 

AFD. 




NAAR PERU. 

Men vindt er meer dan twintig eilanden 

waarvan ilechts twee bev/oond, en bebouwd 

zijn; naamlijk het eiland chucuitOj en het ei- 

coPACABANA. ^ Ieder van die is drie uuren 

ó , en acht in den omtrek groot. 

Op het laatstgenoemde eiland liet ik mij eens met 
nog andere goede vrienden in een groote ïndiaanfche 
fchuit, van biezen ,en zeeriet op een kunflige wijze 
gevlochten, overvoeren. In deeze ïndiaanfche fchui- 
ten is het zo zeker op dit tiieir te vaaren , als in boo- 
ten , van hout en planken gemaakt ; dewijl zij gemak- 
lijker door de Indiaanen geroeid kunnen worden. Op 
dit eiland hielden v/ij ons etlijke dagen op , ■ en beza- 
gen alle de oudheden , van de tijden der Incas nog 
overgebleeven. Bij de plaats, daar men gemeenlijk 
met de boot, bij het ov-ervaaren aankomt, waren nog 
eenige weigebouwde fleenen huisjes , waarin de fchild- 
^vachten flonden, wanneer de Inca zich op het eiland 
bevond. Op de vlakte ziet men het oude paleis, of 
het ftamhuis van den eerden Inca Manco Capac. Dit 
gebomv is echter voor het grootfte gedeelte reeds in- 
gedort. Hier worden veele koeien , runderen en 
fchaapen gefokt, ook veele aardappels, ocas, qui- 
noas 

Zij hebben 'er ook veel rosmarijn, nagel- en andere 
tuinbloemen, die door de Jnwooners der omliggende 
dorpen in menigte worden gekocht , oiii op hooge 
feestdagen hum^e altaaren in de kerken daarmede te 
verfieren. Dicht bij dit eiland is nog een ander; 
welk, fchoon zo groot niet, echter even zo vrucht- 
baar is. Op dit eiland Haat nog het oude paleis, 
waarin eertijds dt-coya of gemalin der Inca'woonde, 
■...;' .'. wan- 



ioiptt 



' T> E SC II R IJ V'l N C V A N J U L t 



i6() 



v^rmnQev de koning zich op het' groot-e eiland ophield, xv. 
Op 'dit hééft ié'gëiiwoordig de cazique van Copacaba- afó;. 
'na zijne landgoederen^ welken- Mij laatb^ouiven, en "[Z^^ 
. daar hij veel voordcel van' trekt. > • -• < ^^ ' ■ ' - • ■ j ^5^; 

'' C o p A c A B A N AÏigt op het fehiei'eiland vail deczeu 
imiii,- van ' U'aar rllléen dé overvaart naar het eiland 
x^ós'inca gelthiétit.' Nadat wij'Tn^de^Traven van het 
fchiereiland gelukkig waren aangekomen, werden wij 
aldaar door den Corregidor van a c it a c a c h r, en den 
caziiiuü van Gbpacabana zeer prachtig met een gast- 
maal ontvangen, en met 'eene vrolijke ■ reenjagt ■ ver- 
m^^akt. Dit-fehïeréilaild is met veele plantaadjèri 'Voöt'^ 
ziei*i, ei vóedr eene menigte fchaapen,"rundereiT èiï 
loeien-,' van- welke jaarlijks veele verfche boter eri 
kaas' geitiaakt wordt. Het marktvlek Copactibana ; is'^ 
groot en welgébomvd, ook zeer' vermaard wegens^ 
èen'e gróoté pelgriteaadje , 'welke uit alle de rijke' pro- 
Viticien; ftedén en dorpen van geheel Zuid- Amerika- 
iiiet aanzienlijke offers , en voorbeeldige gódsdieiiftig-' 
liifid dérwaard gedaan wordt. De kerk, aan de be- 
zorging 'der paters aüguffijnen toevertrouwd , is zeèt 
fhiai. Het beeld dei'' maagd Maria is' met veel goud,' 
Hïver, diamanten en ahdere kostbaare güftecntèn' 
verfierd.' ' ' ,. ' ' . 

Zo wel op de beidc^ eilanden van clen Incaen zijne- 
gemalin, als op het fchiereiland Copacabana, en an-' 
^ère omliggende plaatfen van dit gewest, wordt meer- 
maaien door de-Indiaanen, wanneer zij hunne akkers 
ploegen, veel goud gevonden, welk de oude inwoo- 
iWrs in den grond gegraavcn hebben , opdat ^ het niet 
in der Spanjaarden handen vallen zou. In mijnen tijd 
is op het eiland ïïesïiica door eene-n Indiaan 'een gou- 
1^ 5 den 



.REI2E NAAR P 



E R ,Ü. 



den beeld uitgegraaveii , vertoonende een' Indiaan op 
eenen fteen zittende^ Het was zeer kundig gegooten, 
i;752-^ en fijn ijitgewerkt. De Indiaan bragt bet aan den be* 
17^^' velhebber, die hem honderd harde ' daakiers tot een 
vereering uittelde, en het beeld naar Lima aan den 
onJerkooing van Peru, en decze weder naar Madrid 
aan den koning zond, daar het in de koninglijke 
fdiatkamer gebragt werd. ■ , 

r, In óeeze zelve landllreeken was, etlijke Jaaren g^l 
leeden, een bevelhebber, die zeer gemoedlijk , en vol 
medelijden met de Jndiaanen omging, hen niet, o-e- 
lijk anderen plagten te doen, door veele lasten bc- 
zwaarende en uitzuigende. Daardoor nam hij de har- 
den der Jndiaanen zozeer in, dat de caziquen, wan- 
neer hunne vrouwen eenen zoon ter waereld hadden 
gebragt, hem gemeenlijk tot peet of : doopgetuige 
verzochten. Toen de vijf jaaren zifner regcering 
geëindigd waren, en hij met zijne familie naar Span, 
je terug wilde keeren , was hij zeer bedroefd , de, 
lyijl hij wegens zijne goedhartigheid jegens de Indiaa- 
nen weinig rijkdom, in Indie voor zich veifameld had. 
De caziquen, zijne vrlen(|eii, bemerkten zdks, eix 
zeiden hem: hij moest maar' goeds moeds zijn; hij 
zou niet zo ledig , als hij het zich misfchien verbeeld 
had, naar Spanje wederkeeren; hij moest Hechts ge- 
trouwe Indi^anen bcfiellen, zo veelen als hij wilde, 
die wel met touwen voorzien waren; -zij wildep.'p^' 
middernacht komen, en hem naar eene plaats bren^' 
gen, daar een groote fchat aan goud begraaven ligt, 
van welken zij hem zo veel wilden geeven , , als hij 
begeerde. 

De bevdhebber^gich aan hun woord houdende, 

"be- 



BESCI-IRIJVIT>^é VAN JULI. 



171 



XV. 

AFD. 



Ijeftelcle ■ terdond tien of twaalf Indiaanen , en ver- 
wachtte hen ten beftemden tijde. De caziquen kwa- 
men, volgens hunne belofte , des nachts, ten twaalf i;52.— 
uur weder, blinddoekten den bevelhebber, en leidr ^^^^» 
den hen?, een half uur lang, door omwegen, tot 
dat zij eindelijk aan eene «plaats kwamen, daar zij 
menige groote fteenen afwentelden , eii hem met zich 
in een onderaardsch gewelf voerden. Daar deede4 
Zi] den doek van zijne oogen weg, toonden hem het 
goud , welk 'er als bakfte^nen opeen geftapeld lag , 
en zeiden hem tcffens , dat hij 'er zo veel van neemen 
|5pvi, als ieder Indiaan draagen kon. Dit gefchied 
zijnde ,; bonden zij weder eenen doek voor zijne 
öQgen , • leidden hem zo uit het gewelf weder uit , 
weiiteld^n de groote fteenen voor deszelfs ingang of 
'é^ViVt, en verzelden hem naar zijn huis, daar zij 
hem het medegebragte goud ter hand ftelden. De 
bevelhebber , met deezen fchat behouden in Spanje 
n-angekomen , gaf , volgens zijne pligt , van deeze 
^onderlinge gebeurtenis, terllond . kennis aan den kO" 
ning, die den onderkoning gelastte, allen.. mooglijkea 
vlijt aantewejiden , om deeze plaats bij de Indiaanen 
jiaar te vorfchen. Dan , alle moeite , daartoe ge- 
daan , was tot heden toe te vergeefs. Zij ontkendeu 
alles 5 en wijlden van zodaanigen fchat niets weeten. 
. Op het groote meir Titicaca zag ik meermaaiea 
diezelve wolkenzuilen , welke het water uit het meir 
■ Hl de wolken optrekken , op dergelijke wijze , ^ als ik 
boven bij mijne zeereize befchreeven heb, , 

Toen ik mij eens te challabamea, een dorp, 
drie uuren van Juli gelegen , en welks Kerk cene 
dochter van de parochiekerk van Juli is y bevond , 

zat 



NAAR PERU. 

zat ik tegens den avond , om veifche lucht te fcliep- 
pen, dicht aan het mcir. Op eens werd ik boven 
mij eene dikke donkere wolk in de lucht gewaar, die 
uit haar midden allengs eene dikke donkere zuil , 
gelijk een molenfak , in het meir nabij den oever neer^ 
liet. Terflond daarop ontftond in het water een 
vreeslijke wervelwind, die eene zo ruime ronde ope- 
ning of holte in het water maakte , dat ik van de 
hoogte, daar ik zat, de fteenen des gronds kon zien» 
Daarn^ begon de .zuil het water opt-etrekken , ge- 
lijk eene waterpomp, met een groot gedruisch, en 
zo veel geweld , dat kleine kei- en vuurfleentjcs van 
den grond met het -water in de hoo^gte wierden ge- 
trokken. Dit duurde omtrent tvi^aalf of vijftien mi- 
nuuten ; v/aarna de wolk langzaamerhand de hoos 
weder optrok, en zich verder uitbreidde. Ik begaf 
mij fpoedig naar huis , dewijl ik voor dondérweer be- 
vreesd was, 't welk echter niet volgde. 

Drie uuren van Juli naar den kant der flad Chucui- 
to, ftaat niet verre van het meir een vermaarde berg, 
welken meft des Jnca's Herberg of Drinkberg noemt. 
De re^en deezer benaaming is de volgende. De vijf- 
'de Inca had de Aymarers veele jaaren lang op dien 
berg belegerd , om ze zich te onderwerpen. Doch , 
toen hij zulks met geweld niet ter uitvoer kon bren- 
gen , bedacht hij deeze list. Hij veinsde , dat hij be- 
geerig was eene eeuwige vriendfchap met hun te 
raaaken. Ten dien einde rechtte hij op zekeren dag 
een groot gastmaal aan , waartoe hij alle de voor- 
naamften diei^ republijk noodigde , om vrede - en 
fnendfchap met hem te fluiten. Toen hij zè op die 
wijze allen uit de vesting bij zich in zijn leger gelokt 

had , 



iiiwinMfiffilMMfiai 



BESCHRIJVING VAN JULI, 



173 



'nad, gaf hij den zijtien bevel, om alle zijne gasten, 
wanneer zij wel belchonken waren, zo ras de roode 
chicha opgezet wierd , wreedlijk te vermoorden ; 't 
welk ook volbragt werd, doch niet zonder groot na- 
deel der eer van dcezen vorst. 

Deeze berg (laat recht tegenover eenen anderen, 
SULIPUCARA genaamd, op welken de vesting der 
Aymarers was. Van verre gelijkt zij , wegens de 
menigvuldige beelden , door de heidenfche Indiaanen 
op eene kunftige wijze in de rots uitgehouwen, naar 
een paleis. De Indiaanen zeggen , dat in deezen berg 
nog veele afgodsbeelden verborgen liggen. Aan den 
voet des Drinkbergs begint de zeldzaame en kostbaa- 
re wég , dien de vijfde Inca Capac Yupanqui een 
uur gaans lang over eenen arm van het groote mcir 
liet aanleggen , om in zijne reizen een' omweg van 
vier uuren te mijden. Deeze weg bellaat uit veele 
fleenen , dicht aan elkander gelegd , en beneden met 
veele gaten of pijpen voorzien , waardoor het meir- 
water van de eene naar de andere zijde geleid wordt. 
Boven is de weg met aarde en zand zo effen en hard 
gemaakt , dat men 'er met vermaak over reist. Alles 
is aldaar vol zeevogels., In het meir Titicaca ontlas- 
ten zich rondom veele rivieren, waarvan fommigen 
zeer groot zijn, en eene menigte water aanbrengen; 
welk het door eene vaart, die de Spanjaarden el 
DESAGNADEUo noemcn, weder uitgeeft. Door 
deeze vaart , bij wijze van eenen zeer diepen en 
zachtkens vlietenden ftroom uit het meir voortko- 
mende, en bijkans zestig uuren lang, wordt het meir 
PARIA veroorzaakt, in welk het water zich onder 
de aarde verliest , zonder tot hiertoe te hebben kun- 
nen 



1752- 
176Ó. 



174 



R E I Z E N A A Tv P E II U, 



XV» neii ontdekken , waar het weder ten voorfchija 

^^FP- komt. 

1752— Dicht bij den uitloop des Defagnadero is eene 

i7<^<^r zeer vermaarde brug , rustende op veele taamlijk 
groote fchepen , -van biezen en zeeriet kunftig fa- 
raengevlochten , en het eene aan het andere wei 
vastgebonden. Van boven is deeze fchipbrug ins- 
gelijks met biezen en zeeriet , wel iamengebonden, 
dicht belegd. Zij heeft vier of vijf fchreeden in de 
breedte, en ruim vijftig in de lengte. Paarden en 
muilezels worden aan de hand over deeze brug ge- 
leid; maar de goederen door de Indiaanen op den rug 
naar de overzijde gebragt. 

Hier wordt jaarlijks onder den blooten hemel eene 
groote jaarmarkt gehouden, waartoe veele kooplie- 
den uit de omhggende fleden en marktvlekken bijeen- 
komen, en hunne waaren vcrkoopen. Zij begint op 
den eerden dag van hooimaand , en duurt bijkans 
vier weeken. Op dien tijd moeten ook alle de cazi- 
quen der provincie Chucuito met hunne Indiaanen , 
welken het lot treft, om in dat jaar naar Potofi te 
gaan, en aldaar in de zilvermijnen te werken, hier 
verfchijnen , dewijl zij 'er dan , in des bevelhebbers 
tegenwoordigheid , gemonderd worden , om vervol- 
gens met hutme Kapiteins de reize naar Potofi aan- 
teneemen. 

PoTOSi , wegens zijne ongemeene rijke zilver- 
mijnen door de geheele waereld beroemd , is de groot- 
fte flad in het koningrijk Peru , en wordt door Span- 
jaarden 5 Amerikaanen en vreemdelingen fterk be- 
woond. De omhggende landftreek is ruuw, ongun- 
ftig, en onvruchtbaar; want drie of vier uuren in 't 

roiid 



ip* 



BESCHRIJVING VAN JULI. 

rond is *ei- naauvvlijks een groen grasfchcutje of ftruik- 
je te vinden. Ook is het 'er kond. Des niettegen- 
ftaande is het te Potofi zeer wel te leeven, dewijl 'er 
Van andere plaatfen alles in overvloed wordt aange- 
bragt. Zij lieeft veertien parochie - kerken , vcele 
.jnanskloosters 5 en een vrouwenklooster van S. The- 
refia. 

Omtrent dertig uuren van Potofi ligt, aan de ri- 
vier pilcomayo , de flad plata, of chüqui- 
SACA, welke de hoofdftad der provincie charcas 
js. Zij werd door de Spanjaarden gedicht. Daar is 
een voornaam Spaansch gerechtshof , welk zij la 
Audiencia de los Charcas noemen , uit eenen voor- 
zitter en verfcheide raaden , oydores , beftaande. Ook 
houdt daar een aartsbisfchop zijn verblijf, die-jaar- 
lijks tagtig duizend harde daalders aan inkomften 
heeft. De ftad is welgebouwd , maar niet zo groot 
als Potoü , Lima of Cuzco. Zij is zeer volkrijk , 
heeft eene aangenaame, gezonde en zeer gemaatigde 
luchtgelleltenis ; en haare landftreek is in tarwe , 
garst, ooft en druiven bijzonder vruchtbaar. Daar 
zijn ook in den berg porco rijke ziiveraderen , maar 
die , nadat de mijnen bij Potofi ontdekt zijn , heden- 
daags niet meer geacht worden. 



XV. 

AFD. 
1766. 






17^ 



R E I Z S NAAR PERU. 



ZESTIENDE' A F D E E L I N G. 

REIZE van JULI 72aar paz. beschrijving 

dier Jiad ,. én omliggmde fteden en landjlreeken, 

XV{. INJ'adat ik veertien jaaren lang in liet rechtsgebied van 
AFD. j^ii in des Heeren wijngaard gearbeid had, Averd mij- 
jl^^ jie gezondheid eindelijk van tijd tot tijd dermaate 
verzwakt, dat miju overfte mij naar Paz moest zen- 
den. Ik reisde ool> zeer gaarn derwaard, dewijl 'er, 
behalve de Spaanfche taal, geene andere dan de Ay- 
mara door de Indiaanen gefprooken wordt, welke zo 
in de ttad, als in de omliggende landftreeken onder 
de Spanjaarden vermengd woonen. De ftad paz, 
door de Indiaanen c h o q u i y ap u , dat is , de Goud- 
landlioeve 5 genaamd, ligt tusfchen veele bergen,, die 
'ze geheel en al omringen, aan eene beek , welke 
Hechts twee uuren verder naar beneden reeds een* 
grooten üropm uitmaakt. Zij is v/el niet groot , maar 
nogthans welbebouwd , met breede ftraaten , en fraaie 
huizen, die van binnen met prachtig huisraad en 
veele fchiiderijen verfierd zijn. In 't midden heeft 
zij eene groote en breede markt , daar eene voortref- 
lijke bron, met witten fteen van Perenguela bekleed, 
vrij hoog fpringt. Benevens de domkerk, heeft zij 
drie parochiekerken , vijf mans- en drie vrouwen- 
kloosters. Zij is ongemeen volkrijk, en heeft veele 
zeer rijke kooplieden en inwooners. De waereldlijke 
regeerin^ï wordt door den bevelhebber en den koning- 
lijken fchatmeester; maar de geestlijke door den bis- 
fcliop 5 die daar woont , en jaarlijks eene inkomst 
..*, , ;■:, van ^ 



' l/^~>^ 



nt^mm 



Hl 



REIZE VAN JULI NAAR PAZ. 

van dei-tigdiiizeiid harde daalders heeft, waargenomen. 
Hier komt al het goud bijeen , welk in de omliggende 
mijnen gegraaven , of uit de rivieren te ti p ua n i , die 
rijk aan ftofgoud zijn, gevischt, en hier tot flaavcn 
gegooten wordt , waarop men teffens een merk , de 
gehalte en de waardij van de fijnte des gouds te ken- 
nen geevende , zet. 

Drie uuren van de Stad Paz, ligt de beroemde 
goudberg illimani. Deeze is zeer hoog, zodat 
ik hem uit de verheeven landftreeken van Juli , fchoon 
meer dan vijftig uuren van daar gelegen , bij eene 
heldere lucht gezien heb. Hy is van zijne kruin af 
tot bijkans aan zijnen voet toe het geheele jaar door 
met fneeuw bedekt, en maakt de wcêrsgefteltenis der 
Stad Paz ook guur en onaangenaam. Wegens de 
Hechte wegen en menigvuldige omwegen heb ik altijd 
acht uuren van nooden gehad , wanneer ik mij te 
paard of op muilezels wegens geestlijke verrichtingen 
naar zijne nabijheid begeeven moest. 

Aan den voet van dien hoogen fneeuw- en goud- 
berg , aan de overzijde van eenen flroom , die naauw- 
Jijks twintig fchreeden breed is, beginnen de bran- 
dendheete landftreeken van tirata, daar ik, zo 
dikwijls ik 'er mij bevond , wegens de zwaare zonne- 
hitte , ahijd meende aan de grenzen der helle te zijn. 
In deeze landftreeken van Tirata groeit, behalve de 
beste Europeefche en Amerikaanfche aard- en boom- 
vruchten , de uitgelezenfte wijn , dien men voor den 
allerbesten in Peru fchat. 

Nadat ik in de ftad Paz tot mijne voorige gezond- 
heid weder geraakt was , fprak ik met mijnen overften 
m de^zQ plaats , die twintig jaajen lang aan het heil 
M dei 



xvr. 

AFD. 



AFü. 



E NAAR PER. U. 

der zielen onder eenen flam van Indiaanen , ckï- 
QuiTos genaamd, gearbeid had, en befloot, met 
hem naar zijn dorp buena vista te rug te keeren , 
om eene kans onder den ftam der ciiiriguanos, 
van welke heidenen hij reeds achthonderd zielen tot 
het Christlijk geloof bekeerd had , te waagen. Dan , 
toen ik mij met hem bereids reisvaardig wilde maa- 
ken 5 en de taal van dat volk van hem begon te ke- 
ren, werd hij te Lima door de provinciale vergade- 
ïing verkoozen , om in zaaken , de orde betreffende , 
naar Madrid en Rome gezonden te worden; en wij 
in ons voorneemen daardoor verhinderd* . 

De Chiquitos , gelijk ook de moxos, baures, 
€n andere natiën in deeze gewesten , zijn reeds door 
den iever der Jefuiten tot het geloofslicht gebragt ; 
maar de Chirignanos, m o win as, en nog veele zn-» 
dere ftammen meer, in deezQ landen woonende , zit- 
ten riog in heidenfche duisternis, en zijn allen gebo- 
ren en gezwooreji vijanden der Spanjaarden. De Chi- 
rigiianos , die , gelijk de Europeers , blank , en zeeF 
welgemaakt zijn, hebben eene groote neiging, om 
het Christen geloof aanteneemen. Zij bragten zelfs 
hunne kranke kinderen , welken zij meenden aan die 
ziekten te zullen fterven, tot ons, met begeerte, om 
ze te doopen , waarna zij ze in onze dorpen bij ons 
terug lieten , opdat men ze , wiimieer zij veelHgt tot 
gezondheid herüeld mogten worden , op eene Christ- 
lijke wijze , onder de nieuwbekeerden op zou voeden. 
Zij willen, wat de geloofszaaken betreft, den koning 
van Spanje voor hunnen befchermheer erkennen , ook 
met de Spanjaarden in beftendigen vrede leeven, eii 
koophandel met hun drijven ; alleenlijk zou men hen 

'm 



REI2E VAN JULI NAAR PAZ. 



179 



in hunne vrijheid ongefloord haten , en lien niet met 
geweld tot onderdaanen willen maaken. 

Het landfchap der Cln'rigiianos grenst aan de eene 
zijde aan de provincie siërra, welker hoofdilad 

LA SANTA C R U Z DE LA SIERRA, of LA R A- 

RANCA is 5 door de Spanjaarden aan de rivier gua- 
PEI gedicht. Zij is zo gering en klein, dat zij den 
naam eencr ftad niet verdient. Zij heeft nogthans 
eenen bisfchop, doch die niet hier, maar te mis o ui 
woont, ook een klein Ileedje, op den afftand van 
drie uuren van de eerstgenoemde gelegen, daar de 
lucht gemaatigder, en wijn, benevens andere veld-, 
tuin- en boomvruchten groeien. Aan de andere zijde 
grenzen de Chiriguanos aan het landfchap der Chi- 
quitos. Voor deezen zijn de Chiriguanos zeer be- 
vreesd, dewijl de Chiquitos allen reeds Christenen 
zijn , te veld zich als dappere mannen kwijten , en 
de punten hunner pijlen, daar zij ongemeen net mede 
weeten te fchieten, met een zo fterk vergift bedrij* 
ken , dat , bijaldien zij 'er iemand flechts een Vv^einig 
mede kwetfen , tcrdond het geheele ligchaam des ge- 
kwetften op begint te zv/ellen, en hij binnen weinig 
uuren fterven moet. De Chiquitos alleen kunnen dit 
ongemeen fterke vergift bereiden ; maar zij ontdekken 
het geheim aan niemand, zelfs niet aan zielzorgers. 
- In deeze landilreeken , omtrent eene dagreize van 
het dorp Buena Vista, is een meir, van welk mij de 
bovengemelde Jefuit , die 'er twintig jaaren lang ver- 
keerd had , verzekerde , dat geen Indiaan , noch van 
de Chiquitos, noch van de Chiriguanos, over was 
te haaien , om dat meir te naderen , zeggende , dat , 
bijaldien zich iemand zulks onderwondj het Bieir op 
M 3 eens 



XVL 

AFÜ. 
I76Ó. 



i8o 



REIZE NAAR PERU. 



XVL 

AVI). 
1766. 



eens met een vcifchriklijk gedruis en woede huishoog 
zich verheffen , en uit zijne oevers treeden zou. Twee 
uuren van Santa Cruz de la Sierra is de vermaarde 
rivier mam ore e , grooter en breeder dan onza 
RMm. Langs deeze reist men naar de ftammen der 
Moxos , Baures , en andere Irtdiaanen , waarvan reeds 
veelen tot het Christen geloof door de Jefuiten ge- 
bragt zijn. 

De Indiaanen deezer gewesten zijn allen voortreflij- 
ke boogfchutters , zodat zij met den pijl zelfs eenen 
vogel in de vlugt, zo goed als onze jaagers, treffen, 
waartoe zij door hunne ouders van jongs op onder- 
weezen , en geflaadig geoeffend worden. Zij zijn 
groote liefhebbers der muziek, en leeren met weinig 
moeite alle muziektuigen fpeelen, wanneer zij door 
goede meesters wel onderrecht worden. In het 
fchrijnwerken, flotemaaken, draaien en andere hand- 
werken zijn zij hedendaags zo wel ervaren, dat zij 
den Europeefche kunRenaaren niets toegceven , en 
alles wat hun in de werktuigkunde uit Europa fraai, 
net en kunftig voorgelegd wordt , met geringe moeite 
namaaken , zodat men zelfs geen onderfcheid kan 
befpeuren , bijzonder , dewijl zij het fchoonde en 
voortreflijkfle hout daartoe in hunne bosfchaadjen in 
overvloed hebben. 

De vrouwen arbeiden zeer fijn en kunftig in katoen. 
Zij vei-vaardigen 'er niet alleen haare, haarer kinde- 
ren en mannen kleederen uit; maar maaken 'er ook 
de fijnfle tafellakens, fervetten en handdoeken van, 
die op vorstlijke tafelen mogten gelegd worden. Uit 
het katoen, van natuur bruin, maaken zij ook zeer 
fraaie hals- en zakdoeken , benevens andere goede 

(lof- 



^^ 



REIZE VAN JULI Nx\AR PAZ. 



I8I 



llofFeii , welken zij vervolgens naar hunnen zin zeer 
eet verwen, bijzonder de tafelkleeden. 

Zilver en goud wordt 'er niet geacht; zij kennen 
ook geene geldmunt, maar drijven met andere natiën 
hunnen handel door ruilingen. Zij teelen zeer veele 
en goeden rijst, en Indiaansch koorn in overvlöeH , 
waarvan zij zeer goede taarten maaken , doch die ter- 
ftond uit de pan of uit den oven warm moeten ge- 
geeten worden. Zij hebben wel meermaalen uit Peru 
tarwe laaten komen , en die gezaaid , welke ook wee- 
hg opfchoot , maar nooit graanen voortbragt ; wes- 
halve hun uit dat rijk jaarlijks veel befchuit toe wordt 
gezonden. Men kan zo den kleinen als den grooten 
Indiaanen , wanneer zij ons in hunne groote booten 
komen bezoeken, en ons hunne waaren aanbieden, 
geen beter gefchenk geeven , dan wat zout toete- 
reiken , welk zij terftond in den mond fleeken , en 
met de grootde begeerte , gelijk den besten fui» 
ker, opeeten. 

Zij weeten het was wel te bleeken , en zeer wit 
te maaken , voorziende het geheele Koningrijk met 
die waar. 

Toen ik mij reisvaardig maakte , om naar mijne 
zending terug te keeren , kwam de nieuwe bisfchop 
vanSanta Fé in Nieuw Granada, daar hij domdeken 
was , aan. Na verloop van etlijke weeken begeerde 
hij mij tot zijnen biechtvader, en zond mij de benoe- 
ming tot examinator fynodalis van zijn geheele bis- 
dom toe. Hij was twee jaaren ouder dan ik; een 
ïiienfchenvriend , en zeer vroom en geleerd. Zijn 
naam was Don Gregorio de los Campos. Hij ontving 
ia dit zijn bisdom jaarlijks dertigduizend harde daal- 
M 3 dersg 



XVI. 

AFD. 
1766. 



m 



XVI. 

MD. 
J766. 



IB2 



R E I Z E NAAR. P E P. U. 



ders , van welken hij ook jaarlijks de helft onder de 
armen van zijn bisdom liet uitdeelen. 

Jaarlijks bezoekt hij een gedeelte van zijn bisdom 
in eigen perfoon , zodat hij , volgens de grondflellin- 
gen der TrentCche kerkvergadering, alle twee jaaren 
het bezoek van zijn geheele bisdom volbragt. Van 
de priesters nam hij niet het minde , zelfs niet eene 
kaars, om niet aan, en wanneer de Indiaanen hem 
ooft en tuinvruchten bragten , betaalde hij ze rijklijk. 
Doch den zijnen beval hij , onder bedreiging van den 
grooteren kerkban, welks ontflag hij zich alleen voor- 
behield, niets aanteneemen. Ik moest met hem naar 
het landfchap yuncas reizen, daar nog nooit een 
bisfchop voor hem geweest was , om den nieuwbe- 
keerden Indiaanen aldaar het vormfel toetedienen. 

Om naar dat landfchap te komen , moesten wij 
viermaal , op vier onderfcheidene plaatfen , de hoogde 
kruinen van het gebergte Andes , het geheele jaar 
door met fneeuw bedekt, overklimmen. Op deszelfs 
toppen ontdekten wij altijd , zo ver ons oog kon rei- 
ken, de wijduitgertrekte gewesten van het nog niet 



Deeze hggen over 't geheel zeer laag, en alles is vol 
bosfchaadjen , doch met veele bergen , die ook vol 
houtgewas zijn , tusfchen beiden. Zij hebben ten 
oosten het Koningrijk Bralilie, ten westen Peru, ten 
noorden de groote rivier Maranon , en ten zuiden de 
landfchappen der Moxos, en van andere Indiaanen. 
Nadat wij de eerde fneeuwbergen over waren getrok- 
ken , kwamen wij aan den voet van eenen zeer hoo- 
gen berg , uit welks gefmolten fneeuw een klein 
Beekje ontdaat, daar wij met de voeten over konden- 

dap- 



É^^-fcÜM - 



RILIZE VAN JULI NAAR. PAZ. 

fi-appen. En dit is de oorfprong der alombckcnde 
rivier vanParana, die de Spanjaarden rio de la 
PLATA noemen, en bij Buenos Ayres in de zee 
vloeit. Nadat wij in het landfchap Yuncas , daar de 
wegen moeilijk en gevaarlijk zijn, her- en derwaard 
gereisd hadden , keerden wij naar Paz te rug , om 
aldaar etlijke weeken uitterusren. 



xvr. 

AFi). 



E VEN TI END E AFDEELÏNG 



TERUGREIZE Uit PERU naar BAMSERG, IfZ 

gevolge het koninglijk Spaansch bevel ; uit kragt 

van welk alle de Jefuitcn alle de Spaanfchs 

Staaten ontruimen moesten. 




Nïiauwlijks waren wij uit Yuncas gezond te Paz 
weder teruggekomen , of 'er kwam onverwacht , den 
achtentwintign-en van Oogstmaand desjaars 1768 het 
fmertlijk koninglijk bevel aan , dat alle de Jefuiten binnen 
kortbepaalden tijd alle de Spaanfche Staaten ontrui- 
men moesten. — [De pragmatieke Sanctie, of de eeuwig- 
duurende Rijkswet , waardoor alle de Jefuiten uit de 
geheele Spaanfche monarchij gebannen, en alle hun- 
ne goederen , roerende en onroerende , verbeurd ver- 
klaard werden , was gedagtekend Pardo , den tweeden 
van Grasmaand des jaars 1767. Op dien zelven dag 
werd zij in de koninglijke hoofdflad JMadrid met da 
gewoone plechtigheden afgekondigd , en op de ge- 
bruiklijke plaatfen aangeplakt. In den nacht tusfcheu 
é&xi eerden en tweeden dier maand waren bereids , 
20 in de gemelde hoofdilad , als in alle de andere 
lieden van Spanje , de Jefuiten in alle ftilte op lier aller- 
M 4 on- 



l84 



REIZE NAAR. PERU. 



XVII. 
AFD. 

1/68. 



onverwachtst gevat , en naar deeze en geene havens 
gebragt , om naar Italië overgevoerd te worden. Alle 
hunne goederen, geene uitgezonderd, werden terflond 
in beflag genomen. De bovengemelde Rijkswet be- 
lfond in negentien artikelen. Aangaande de beweeg- 
redenen , die Zijne Katholijke Majefteit tot dien g.roo- 
tcn flap van uitbanning overgehaald hebben , werd 
'er alleenlijk in gezegd , dat zij rechtmaatig waren , 
doch in 's konings hart verborgen zouden blijven, 
en dat alles tot welzijn van den geheelen ftaat ge- 
fchiedde. Het ontwerp en de uitvoering deezer op- 
ligting en uitbanning , op een en hetzelve uur genoeg- 
zaam door alle de Spaanfche Staaten in Europa vol- 
bragt, is met zo veel geheim begonnen, voortgezet 
en uitgevoerd , dat , niettegenftaande 's konings 
biechtvader een Jefuit was , noch hij , noch zijne 
ordcgenooten 'er niet de minfle lucht van kreegen ; 
waarom het met recht voor een bijzonder meesterfluk 
van Staatkunde gehouden is.] — De bevelhebber der 
fiad , die ons van harte lief had , moest zulks volftrekt 
geheim houden. Hij deed een aanzienlijk gedeelte 
van de bezetting der ftad met hun geweer, des 
avonds ten acht uur , bij zijn huis vergaderen. Daar- 
na bezette hij met de krijgsknechten ons huis in alle 
flilte. Bij het aanbreeken van den dag, toen de deur 
geopend werd , ging hij 'er met zijne onderbevelheb- 
beren in , en liet ons allen in de kamer des overften 
ontbieden , daar hij ons het koilinglijk befluit voor- 
las. Daarna eischte hij ook , uit kracht van een 
Rnder koninglijk bevel , alle de fleutels van het huis , 
en zond ons het noodige eeten uit de Had. De 
kerkdeuren en die van ons huis werden gefloten , 

en 



M 



^mm 



TERUGREI2E NAAR BAMCERG. 



en door krijgsvolk dag en naclit bewaakt. 
" Den dertigften van Oogstmaand , het feest van _ 
S. Roüi van Lima , lazen wij de laatfte misfen in 
onze gefloten kerk , onder welken wij zo wel de groo- 
te , als kleine hostien nnttigden , en de zilveren en 
gouden bekers , daar zij in bewaard worden , leedig 
maakten. Al liet goud en zilver werd uit de kerk in 
eene bijzondere kamer van het huis gebragt , en 
weggefloten , waarvan de bevelhebber den fleutel 
medenam. De heilige beelden der kerk waren erbarm- 
lijk aantezien , toen zij van allen fieraad ontbloot 
Honden. De bisfchop, gelijk ons de bevelhebber zelf 
zulks verzekerde, viel een- en andermaal van droef- 
heid in flaauwte. 

Den eenendertigden 5 des morgens zeer vroeg, bra- 
ken wij van de ftad Paz op , om het gehuil , het jam- 
meren en fchreien der inwooneren niet te hooren. 
Dan wij werden door de honden verraaden , die door 
hun gellaadig bellen alle de inwooners uit hunnen 
ilaap opwekten , welke , aan hunne venfters loopen- 
de , jammerlijk begonden te fchreien en te klaagen. 
Wij hoorden het nog buiten de ftad, tot dat wij op 
de hoogten der omhggende bergen kwamen , daar de 
bevelhebber en andere heeren onS voor de laatftemaal 
met traanen in de oogen omarmden , en ons eene 
gelukkige reize toewenschten. Wij reisden met on- 
zen kapitein en v/acht van krijgsknechten naar Oruro. 
De wacht was zonder geweer. Na eene reize van 
twaalf dagen kwamen wij in oruro aan , daar wij 
in het Augustijnerklooster geherbergd werden. Deeze 
kleine bergftad ligt in eene zeer koude en ruuwe land- 
ilreek , aan den voet van fommige zeer rijke zilver- 
M 5 ber- 



xvir. 

AFD. 



ï86 



E-ÈIZE NAAR PERU. 



Il 



Ml 



xvir. 

AFD, 



bergen, die in voorige jaaren zeer veel zilver uitle- 
., ^'^^^^ï^ 5 zodat men in die tijden bijna geen werk meer 
i/óS, van die van Potofi maakte; maar hedendaags zijn zij 
zeer in verval geraakt. Nadat wij ons in deeze ftad 
acht dagen op hadden gehouden, zetten wij onze 
reize des namiddags voort tot eene landhoeve der 
Jefaiten , daar wij overnachtten. In de volgende dagen 
deeden wij eene reize van meer dan veertien uuren, 
en werden op eene fchipbrug óver den uitloop des 
grooten meirs 'm een dorp overgezet, daar wij ons 
middagmaal hielden. Tegens den avond kwamen wij 
in twee uur aan een groot dorp, daar veel goud ge- 
■ graaven wordt. De priester dier plaats onthaalde 
ons zeer wel. 

Den volgenden dag reisden wij twaalf uuren ver 
tot aan een Indiaanfche meierij, daar wij ook meen- 
den te overnachten; dan de priester, wiens dorp 'er 
recht tegenover een halfuur van daar op eene ruime 
en effene hei lag, zond ons eenen Indiaan te paard, 
die ons naar zijne plaats moest geleiden; daar hij 
ons met goede huisvesting, en dien avond en vol- 
genden dag met fpijs en drank overvloedig verzorgde. 
Van daar gingen wij door eene wildernis van acht 
dagen, daar wij daaglijks door heete valden groote 
togten deeden , en 's nachts onder onze tenten ilie- 
pen. Wij ontmoetten op deeze geheele reize niets 
anders , dan etlijke Indiaanfche hutten aan weerskan- 
ten, en zeer veele graven, die van aarde, llerk te 
famen geftampt , zo vast gebouwd waren , dat zij 
nog gantsch ongefchonden waren , en federt meer 
dan vijfhonderd jaaren niet de geringde fchaade ge- 
leeden hadden. 

Ein- 



TERUGIIEIZE NAAR BAMEEllG. 

Eiiid'elijlv kwamen wij aan de vcrmiiakliike kusten 
van het Peruaaniche zeeftraiid. Den eerden nacht 
fliepen wij in een groot huis van eenen mestizen ; 
den tweeden op eene zeer uitgeftrekte en fraaie land- 
hoeve eener Spaanfche weduw , die ons alle eer be- 
wees ; en den derden en laatften in het groote markt- 
vlek TAGNA, daar wij twee maanden lang werden 
opgehouden. Van daar zonden wij onzen kapitein 
met zijn krijgsvolk naar huis , wordende al dien tijd 
door de landmilitie van het marktvlek , doch zonder- 
geweer, bewaakt. De bevelhebber en thefaurier dier 
plaats zonden ons daaglijks goed eeten , zo wel des 
middags, als des avonds, en veele chokolaad. 
kwamen omtrent honderd Jefuiten bij elkander. Het 



xvir. 

AFD. 



gezonde lucht heeft. 

Toen de twee fchepen , het eene te Arica , het an- 



te brengen, reisden fommigen naar arica 



wij namen onzen weg te land naar 



maar 
balcocha, 
daar w^ij in vijf dagen aankwamen. Deeze plaats is 
zeer arm en gering , liggende drie vierde uur van het 
dorp i-iiLo, tot welke parochie zij ook behoort. Zij 
heeft eene goede kapel, etlijke huizen, en fommige 
almazenas of magazijnen , daar zo wel koopman- 
fcliappen bewaard , als ook reizigers geherbergd wor- 
den;' Daar onthaalde ons onze kapitein zeer wel. De 
olijven zijn daar groot en blaauw 
aien , en worden voor de besten gehouden. Alle de 
leevensmiddelen worden daaglijks van Hilo herwaard 
gebragt. Door de geheele plaats wordt men een' zeer 
onbehaaglijken reuk gewaar , wegens de flinkende 

aar- 



I8$ 



REIZE NAAR PEllu, 



m 



Ski. 



I'l 



XVII. aarde, die 'er bij hoopen ligt, en van het kleine eiland 

_J1 ', IQ UI CA aan wordt gebragt, om de akkers en wijn- 

1768. gaarden in deeze landftreck daarmede te misten. Wy 
hebben 'er ook veele zeeëgels gegeeten. 

Wij moesten hier acht dagen wachten , tot dat vier 
ftokoude Jefuiten van Arequipa in draagzetels bij ons 
gebragt werden. Twee waren doodziek, de derde 
fleekeblind , en de vierde gantsch beroerd. Toen 
deezQ vier armhartige mannen aankwamen, meende 
ons hart van fmert te breeken, terwijl onze oogen 
van heete traanen overvloeiden. AVij werden einde- 
, lijk aldaar ingefcheept , om ter zee naar Lima te 
reizen. De kapitein van het fchip behandelde ons, 
gelijk ook zijn pligtwas, zeer goed en beleefd. Zo 
wel ik, als anderen, die reeds op zee geweest wa- 
ren , kreegen de zeeziekte niet meer ; maar de ande- 
ren moesten 'er zeer veel van doorftaan. 

Na twaalf dagen kwamen wij te Gallas aan , van 
waar wij terflond tegen den avond met veele rijtuigen 
naar Lima in ons profeshuis overgebragt werden. 
Hier kwamen meer dan vierhonderd Jefuiten te fa- 
men, en werden in alle de kamers verdeeld. De deur 
werd dag en nacht door krijgsknechten met opgeflee- 
ken bajonetten bewaakt. 

Nadat wij hier twee maanden vertoefd hadden, tot 
dat de fchepen met de koopmanfchappen belaaden 
waren , werden honderd tweeënzestig Jefuiten , onder 
welke ik ook was , in eene menigte rijtuigen naar 
Gallas gereeden, daar wij aan boord van het fchip 
S. Barbara gingen. Het was groot, en eertijds een 
oorlogsfchip van tweeënzestig (lukken kanon geweest. 
De kapitein was de affchwwelijkfte mensch en gierig- 

aart 



( \ 



TERUGREIZE NAAR BAMBERG. 



189 



aart op den aardbodem. Deeze behandelde ons , 
gediiurende de zes maanden onzer reize , zeer Hecht 
ten aanzien van ecten en drinken. Hij liet ons daag- 
lijks, des morgens ten tien uur, ieder niet meer dan 
eene halve pint water in zijnen kroeg geeven , en 
wel voor vierentwintig uuren. Aan een glas wijn 
mogten wij nooit denken. Nadat het verfche vleesch 
en de groenten , welken hij mede genomen had, in 
den tijd van drie weeken verteerd waren , gaf hij 
ons bijkans daaglijks gezouten en ffinkend vleesch. 
De koning betaalde hem voor lederen Jefuit honderd 
tweeënzestig harde daalders aan kostgeld ; welke 
fommen famengerekend zestienduizend tweehonderd 
vierenveertig daalders bedroegen. Ondertusfchen be- 
fteedde hij naauwlijks drie- of vierduizend daalders 
voor ons. Bij onze aankomst te Kadix werden wij » 
terftond op het fchip door des Konings amptenaars 
.ondervraagd , hoe wij op de reize door hem bejegend 
waren geweest? en toen wij hun alles ronduit verteld 
hadden, ook de ftuurlieden en matroozen het een- 
paarig bevestigden , werd hij kort daarop door krijgs- 
knechten voor acht dagen naar de gevangenis geleid ; 
doch zijne waaren , bijzonder de menigte voortreflijkc 
wijn , welken dit wangedrocht van den onderkoning 
van Peru alleen voor ons gekreegen had , werden 
openlijk op de markt van Kadix verkocht. 

Ik keer weder tot onze fcheepvaart te rug. In 
Lentemaand 1769 ligtten wij ons anker, en liepen met 
een' gunftigen wind uit in de groote Zuidzee. Na 
verloop van veertien of vijftien dagen verlooren wij 
de kust van Peru uit het oog, en zagen die van het 
koningrijk Chile, welk reeds buiten den Keerkring 

^5gt, 



XVIL 

AFD. 
1768. 



I7Ö5?. 



ipb 



R É I'2 Ë N x\ A R P £ R u. 



XVf[. 

i\FD, 
1769, 



ligt, en de vier jaargetijden, gelijk wij in Europa, 
. heeft; doch met dit onderfcbeid, dat, wanneer wij 
in Duitscjiland lente en zomer, zij daarentegen herfst 
en winter hebl:>en. 

•^ Het geheéle koningrijk chile heeft eene zeer 
goede , gemaatigde en gezonde hichtftreek , veele 
goud- en zilverbergen , ui overvloed van tp.rwe en 
wijn , gelijk ook van alle Europeefche en Indiaanfche 
tuin- en boomvruchten. Het heeft insgelijks veele 
fchoone dalen en heiachtige vlakten , daar zij groote 
menigte Europeefche fchaapen, osfen, koeien, ftie- 
ren, muilezels en ongemeen fraaie paarden fokken. 
Men heeft 'er veele gezouten en gedroogde osfen- 
en koetongen. 

De hoofddad van dit Koningrijk, s. ja go dé 
CHILE is, etlijke jaaren geleden, door eene zwaaré 
aardbeeving grootlijks befchaadigd, maar tegenwoor- 
dig weder in den fmaak der Europeefche fléden vol- 
komen herbouwd. Zij is zeer groot, heeft breede 
lange en rechte firaaten , fraaie gebouwen , eenen 
bisfchop , en cenm voorzitter met zijne raadsheeren. 

De kust van Chile begint boven bijcoQuiMPo 
eèn klein fteedje , met eene haven. Dan gaat zij 
voort tot VALPARAYso. Deczc haven wordt jaar- 
lijks door zeer veele fchepen van Lima bezocht , dié 
derwaard vaaren, om 'er tarwe en wijn i.itekoopen, 
dewijl deeze voortbrengfels van Chilo veel beter, dan 
die van Peru zijn. Op deeze haven volgt de ftad la 
coNCEPCiON. Zij is middelmaatig, en heeft eenen 
bisfchop, die in de ftad woont; maar de bevelhebber 
houdt zijn verblijf in het kasteel. Deeze haven wordt 
door alle de fchepen aangedaan, die uit Europa naar 



-mm 



TERUGREIZE NAAR BAMBERC. 



I9t 



Lima (levencn , deels om iiitterusten , deels om het 
voik van den icorbut te geneezen, en deels om 'er 
versch vleesch en goeden wijn intekoopen. Vervol- 
gen- eindigt de kust van Chile met de vesting val- 
BïviA , werwaard de kwaaddoeners van Peru en 
Chile gezonden worden. Langs deeze kust hebben 
wij daaglijks zeer veele zeevogels gezien, zo groot 
als een endvogel , en fneeuwwit over het geheele lijf, 
maar op de vleugels met zwarte en witte groote vier- 
kante plekken voorzien, zo regelmaatig, als op onze 
damborden ; waarom zij door de Spanjaarden tableros 
ytmÓLtn genaamd. 

Nadat wij het koningrijk Chile voorbij wa'ren ge- 
vaaren, kwamen wij aan het groote eiland chiloe, 
welks bevelhebber te castro zijn verblijf houdt^ 
Eindelijk bereikten wij de hoogte der Straat van Ma-^ 
gellaan ; doch wegens het menigvnldig gevaar wilden 
wij 'er niet door zeilen , maar voeren tot o^ den 
tweeënzestigüeii graad der zuider breedte naar den 
zuidpool op , om 5 wanneer 'er een ftorm mogt out* 
flaan , met meer veiligheid de cabo del fuego 
omtevaaren. Op deeze breedte moesten wij zeer 
hevige koude doorüaan , en zagen de zon Hechts 
etlijke uuren boven den gezigteinder. Het was in 
't begin van Bloeimaand. Wij duurden het fchip 
regelrecht oostwaard , om de genoemde Kaap voorbij 
te vaaren , 't welk ons ook den twaalfden van Bloei- 
maand tot onze grootde vreugde gelukte. Wij heften 
het Te Deum , en Salvs Regina tot dankzegging aan. 
Omtrent deeze Kaap had vijf jaaren te vooren een 
fchip, welk van KadixX naar Lima ging, op een rots 
geflooten , en was 'er op blijven zïttm. Het fcheeps* 

volk 



xvir. 

ATB. 

1769, 



192 



R E I Z E NAAR PERU. 



xvir. 

AFD. 
1269. 



volk redde zich op het eihmd del fuego. Ook 
bergden zij nog veele goederen uit het fchip. Zij 
werden door de inwooners daaglijks bezocht. Geduu- 
rende den tijd , dien zij daar doorbvagten om een 
nieuw fchip of halandra te bouwen , liet zich nooit 
een vrouwsperfoon zien. 

Den vijftienden van Bloeimaand , des avonds om- 
trent tien uur , verhefte 'er zich een verfchriklijke 
ftorm, .waarvan ik nog geen v.-eergaê ondervonden 
had, zodat wij uit onze bedfteeden wierden gewor- 
pen. Hij duurde tot den dertigften dier maand. Den 
volgenden dag was de zee gantsch bedaard , en wij 
hadden twee maanden lang zeer gunftigen wind , zo- 
dat wij BUENOS AYRES, RIO DE LA PLATA, 

MONTE VIDEO, en de geheele kust van brasilie 
gelukkig voorbijzeilden , en eindelijk bij de Kaap 
s. augustino aankwamen. Geduurende deeze 
vaart hingen wij etlijke bedlaakens , dio. nog niet ge- 
bruikt waren , aan de vier hoeken tusfchen de masten 
op. In 't midden leiden wij 'er eene zwaarte in , en 
plaatften 'er een groot vat onder, waarvan wij twee 
of drie met regenwater vulden, welk zeer fris en 
goed was, zodat wij deezer dagen onzen grooten 
dorst degelijk konden lesfchen. 

Vervolgens kwamen wij op de hoogte van den 
mond der rivier Maranon. Na verloop van eenige 
dagen kwamen wij voor de tweede maal onder de 
linie , en acht dagen daarna aan de zwemmende 
kruiden , fargasfo. 

Toen wij ons op den vierendertigften graad der 
noorder breedte bevonden , liepen wij regelrecht oost- 
waard aan, naar de Azorifche eilanden, en kw^amen 

in 



NAAR B A M B E R G. 



m 



111 acht dagen te flores en corvo. AVij verlieten 
deeze eilanden , daar de fchepèn , naar Indie vaaren- 
de , verrdie leeven^middelen inneemen , en ontdekten 
na Me Avéékèn de- ftad Kadix, ift Welke haven wij 
iicÉ anker uitwierpen. Den volgenden dag , by zou- 
iienopgang , werden wij met onze pakkaadje op groo- 
tc booten naar de haven S. Maria gevoerd ^ en met 
veele anderen in het klooster der Augustijnen geher- 
bergd^ om- van einze lange en bezwaarlijke zeereize 
uitteïüsten , en de koude ruuwe wintermaanden te 
laaten voorbijgaan* 

Na dat wij hier zes i^aanden lang wel uit hadden 
gerust, en de lente reeds begon te naderen , kwam 
in 1770 zeer onvenvacht van Madrid de koninglijke 
vergunning aan, dat de achttien Duitfche Jefüiten: 
hunne reize naar Duitschl^tnd over Oftende en de 
Nederlanden konden voortzetten. Terftond Werd *ej* 
een Schip dat derwaard ging , bedeld , betaaLende 
de Koning voor lederen Jefuit tweeenzestig harde 
daalders , waarvoor de kapitein ons met onze goede- 
ren naar Oftende over moest voeren. Den achttien- 
den van Lentemaand werden wij in groote floepen 
naar ons fchip gebragt, en aan den kapitein over- 
gegeeven. Het was een Hollandsch fchip , ert dë 
kapitein , van Rotterdam geboortig , heette Atidreas 
Kornelis. Hij was een goedaartig man , en beliandel^ 
de ons op deeze reize op het liefderijkde* 

Den negentienden van Lentemaand , des motgetis 
zeer vroeg, werden de ankers opgewonden, en wij 
voeren uit de haven van Kadix , met een' 20 gunfli-- 
gen wind, dat wij binnen twee wceken de geheele 
kust van Portugal tot Kaap Finifterre omzeilden. 
N Dajw- 



XVTI. 

AFD. 
1769* 



194 «-ErZE VAN PERU NAAR BAMBERG. 

^o!' ^^^^^^ kreegen wij twaalf dagen lang fierken tegen- 
^ — 1, wind, die- bijkans daaglijks met zwaaren regen ver- 

i7;o. zeld was, en ons lleeds naar den kant van Ierland 
dreef. Eindelijk kreegen wij weder d^n voorigen 
gLinfljgen wind. Wij liepen langs de kust van Enge- 
land, tot dat wij ten laatfte jvoor Oftende het anker 
uitwierpen. De postmeester, die een Bamberger was , 
kwam terftond aan boord van het fchip, en vroeg 
naar mij. Toen ik mij bekend maakte , bragt hij 
mij in zijn huis, en liet mij alle de merkwaardighe- 
den der ftad zien. Wij voeren nog dien zelven dag 

,,- met het gewoone veerfchip naar Brugge, daar wij 
niet bij de onzen , maar in eene herberg onzen intrek 
namen. Wij moesten ons aldaar yerdeelen, om iii 
de volgende fteden den on^en geenen overlast te 
veroorzaaken. W'iy kwamen vervolgens te Gent , eii 
van daar met het fchip van zijne Koninglijke Hoog-, 
ïmd^ Prins Karel van Lotharingen, te Brusfel, daar- 
\V]j ook etlijke maaien in het nieuwe-lingshuis dec 
Engelfche Jefuiten fpijsden. 

. Van Brusfel reisde ik met den postwagen .over 
Leuven, Luik en Keulen naar Mentz , en kwam, 
den Allerhoogften zij lof en dank gezegd! in Bk»ei~ 
maand 1770 , QvejT AfchafFenburg en Wurtzburg iii. 
Bamt?erg aan. ; 






BLAD. 



BLADWIJZER 



VAN DE 



VOORNAAMSTE ZAAKEN • 

IN DEEZE REISBESCHIUJVIN-G B E GR E E P EN» 

Aymarers door eene fnoode 
list van eenen ïnca mis- 
leid, bladz. 172. 



Aardappelen hoe door de In- 
diaanen genaamd, bl. ii6. 

Aardbeeving (Eene zwaare) 
te Lima. 97. Zij zijn me- 
nigvuldig in Peru. 125 , 
126. 

Acora, een dorp. 152. 

Aguacate , deeze vrucht om- 
llandig befchreeven. 8é, 

Alkambra , een oud moorsch 
paleis te Granada. 30. 

Aloëboomen in Peru. 138. 

Alraeria. 13. 

Alpaka , eene foort van 
fchaapen in Peru. 115. 

Amerika , waarom Westindie 
geheeten. 37. 

Amerikaanen, waarom Indi- 
aanen geheeten. 37. 

Ananas groeit \veelig in Pe- 
ru. 87. 

Andaluüe. 25. 

Andes , een gebergte in Pe- 
ru. 126. 

Antilles. (De) 48. 

Apudima, eene valei. 137, 
13B. 

Arequipa , of Arequiva , eene 
fraaie ftad. 166, 167. . 

Arica. 187. 

Arroz, hoedaanig graan. 94. 

Atun ,- kasteel. 68. rivier va'ö 

• dien naam. ald. 

Ayacabamba , eene uitge» 
ftrektehei. 163. : 

Aymara, eene taa! In Pem* 
^%7* 



B. 

Balcocha. 187. 

Balearifche eilanden. 7. waar- 
om zo geheeten. 9.- 

Baranca. (La) 179. 

Barranca , rivier. 89. Dorp 
van dien naam. ahh 

Baures , eert Indiaanfche flara» 
178. 

Baycr, (P, Wolfgang) ver- 
trekt van Wurczburg. i. 
koJiK te Milaan. 3. vei^. 
dwaalt raet zijn Reisgezel- 
fchap. ahh komt te Ge- 
nua. 4. Gaat aldaar aan 
boord van een. Enjrelsch 
fehip naar Kadix. 5. Word 
zeeziek. 6. In groot ge- 
vaar van re lloocen tegen 
een ander fchip. 10. Aan- 

. komst in de baai van Kr' 
dix. 19. Gaat aan land id 
de fladPuerto de SantaMai 
ria. 22. Reist van daarnaar 
^ Granada. 26. Komt aldaar 
aan. 27. Ontvangt de pries- 
ter -orde te Gordova. 35» 
Komt teKadi.x re rug, ald. 
Gaat te fcheep naar d@ 
Westindiëh. 37. Aankorasc 
te. Karthagena^ in WesÊin- 
die. 51. Vertrekt vandaar. 
SS»- Komt te Portobelloi 
63. Te Panama , aan dé 
Zuidzee. 70. Reiêt van 
^ 2 «^.sar 



t^s 



B L A D W IJ 2 E R. 



daar naar Peru. 71. Komt 
te Payta. 76. Reist door 
de groote zandwoestijii 
van Sechura. 79 , 80. Komt 
te Truxillo. 84. Te Lima. 
^^. Trekt gelukkig over 
eene gevaarlijke Hoogce. 
133. Komt te Cuzco. 139. 
tLeï?t van daar naar Juli. 
149. Na een verblijf van 
veertien jaaren aldaar wordt 
hij naar Paz gezonden. ij6. 
Wordt biechtvader van den 
bisfchop van Santa - Fé. 

181. Reist naar Yuncas. 

182. Komt te Paz te rug. 
1 83.Vertrekt van daar. 1 85. 
Komt te Lima. 188. Gaat 
aldaar te fcheep naar Eu- 
ropa. 189. Zijne terug- 
komst te Kadix. 193. En 

■ van daar over Oflende, enz. 

. te Bamberg. 194. 

Bergen in Peru veelal met 
fneeuw bedekt. 1 29. Hoe 
van buiten en van binnen 
gefreld zijn. 130. Menigte 
van patrijzen aldaar, a/d. 

Bevelhebber (Een gemoed- 
lijk Spaansch) heeft eene 
allerzeldzaamfte ontmoe- 
ting met (bmmige Indiaan- 
fche caziquen. 170, 171. 

Biru, een' dorp. 88. 

Bollandisten , welke lieden 
daardoor verftaan worden. 

Bomba del mar , of water- 
hoos, befchreeven. 47. 

Bonquen, hoedaanige vaar- 
tuigen, 51. 

Boogfchuuers (De voortref- 

- lijkfte) zijn de Indiaanen. 
180. 

Bozen. 2. 

Bron van kookend water. i<54. 



Brup gen (Zeidzaarae Indiaan- 
fche) over de rivieren in 
Peru. bl. 128, 129. 

Buccu Buccu , zekere vogel 
in Peru. 130. 

Buena Vista, een dorp. 178 , 
179. 

G. 

Cabo del Fuego. 191. 

Cabura, eiland 12. 

Cancharani, een zilverberg, 
150. Hoe de zilvermijn in 
dien berg ontdekt werd. 

150, 151. 

Carua , eene foort van Ame- 
rikaanfche fchaapen , in 
Peru. 115. 

Cafa de Luiz Gonzag?. 2>U 

Cafiti (Miguel) belooft de 
uitgaaf der Arabifche Op« 
Tchriften in Granada, eii 
andere plaatfen van Span. 
je. 31. 

Casma, een dorp. 89, 

Castro. 191. 

Caymanes of Krokodillen ia 
menigte op de landengte 
van Panama in de rivieren. 
66. Hoe gevangen wor- 
den. 66, 6j. 

Ceuta. 16. 

Chagre, rivier. 65. kasteel. 
ald. 

Challabamba , een dorp. 171. 

Charcas. 175. 

Chiklin. 83. 

Ghila, rivier. 167. 

Chile. 190. De luchtdreek 
en kust van dat Koning- 
rijk, ald. 

Ghiloe, een eiland. 191. 

Chimbodores , hoedaanige 
paarden. 88. 

Chimo , een vermaard dal. 85. 

Chincheras, een dorp. j 3^» 
Chi- 



B L A D W IJ Z E R. 



19? 



Cbiqu'tos , een Indiaanfche 
rtam. 178. Zij zijn zeer 
gevaarlijke nabuuren. 179. 

Chiriguanos , een Indiaan- 
fche Ham. 17S. Hun land- 
fchap. 179. 

Chirimoya^\\fQ\kQ vrucht. ^S- 

Choquenaka , eene foort van 
aardappelen in Peru. 116. 
Hoe zij die tot fpijs be- 
reiden. Ï17. 

Chucuito. 151. 

Chucuito, een eiland. 168. 

Chuquifaca. 175. 

Ciiroenboomeu , menigte der- 
zelven in Wcstindie. 59. 

Cocha bamba. 166. 

Coka , zeker kruid , welk de 
Indiaanen altijd bij zich 
draagen. 119. 

Concepcion (La) 190. 

Copacabana,een eiland. 168. 
Veeie overblijffels van de 
oudheden der eerfte Inc-is 
aldaar te zien. 168 , 169. 
Een fchiereiland van dien 
naam. 1Ó9. Daar wordt 
veel goud gevonden , in 
de aarde begraaven. 1Ó9, 
170. 

Cordova. 36. 

Criollos, wie. S'/ 

Cruzes, een dorp. 69. 

Culebras, een doFp. 89. 

Curacao , eiland. 48. 

Cuzco. 139. Befchrij ving dier 
vermaarde Itad. ald. enz. 
Was eertijds de zetelplaats 
der oude Incas. 140. Daar 
zijn veele fchatten nog ver- 
borgen, ald. Veele onder- 
aardfche holen aldaar. 140 , 
141. Het paleis der ou Ie 
Incas in een Jefuitenkoile- 
gio veranderd. 141. Veel 
gojtid en zilver daarin be- 



graven. 142. Vesting der 
oude Incas buiten deftad, 
I ,3. Vermaaklijke lands- 
doiuve. 144. Oude Graf- 
fteeden daaromtrent. 139. 

D. 

Dames in Peru rijden veel 
te paard , en haare pracht 
bij die gelegenheid. 104. 

Dampen (■vuurige)veri:ooneti 
zich fomtijds in ftorra aati 
de toppen der masten. 42. 

Darien , zeeboezem. ^9. ri- 
vier. 60. Landfchap van 
dien naam, 61. 

Defagnadero. (El) 173. 

Diamant (de) , eene klip , 19. 

Dominique, eiland. 48. 

Duiven (Wilde) zijn in me- 
nigte omtrent Truxillo. 83. 
vier foorten daarvan be- 
fchreeven. ald. 

E. 

Erts (Zilver-) hoe het zil- 
ver daaruit gehaald wordt, 
breedvoerig verhaald. lóo, 
enz. 

F. 

Ferro, eiland. 44. 

Formentera, eiland. 13, -"^ 

Franciskaanen houden eene 
zeldzaame gewoonte te 
Puerto de Santa Maria. 
24, 25. 

Fuengerola, zeeboezem. 14. 

Fuengerola , flot. 13. on- 
vriendlijkheid der Spaaii- 
fche bezetting aldaar. 15. 

G. 

Galk del inca ^ 130. 
Gatés, kaap. 13. 
Gevecht met Marokkaanfche 
zeeroovers. 44. 



N 3 



Gi- 



ips 



B L A D W IJ Z ER. 



if 



Gibraltar, i^. Straat van Gi- 
braltar. 17. 
Gi'Iirero , welke vogel. 84* 
Golfde las Dauias. 44. 
— de las Yegnas. 45. 
Gomera, eiland, 44, 
Graftleden van Indiaanen in 

Peru. 82. 
Grafzuilen in de provincie 

•Quito. 131. 
Granada, koningrijk. 27. 
Granada, ftad. aU. De zo- 
genoemde Triumff^laats al- 
daar befchreeven. 28. Zeld- 
Eaame gewoonte aldaar op 
Paaschavond. 29. Vreem- 
de afbeelding van Christus 
laatfte avondmaal met zij- 
ne discipelen. 30. Oud 
Moorsch paleis aMaar. 
a/d. Het Sakramentsfeest 
wordt hier prachtig ge- 
• vierd. 32. Zeldzaam ge- 
bruik daarbij. 33, Prachti- 
ge landhoevcn der Jefui- 
ten daaromtrent. 34.' 
Granadi//a,\ve\ke vrucht. 11/. 
Giiaca , eene groote landhoe- 

ve der Jefuiten , 94, 95. 
Guaca Tarnbo , een vermaak- 

lijk daL 89. 
Guadaüte, rivier. 22. 
Guada! quivir, rivier. 20. 
Guamanga. 134. Feesten al- 
daar plechtig gevierd. 136. 
oude gewoonte aldaar. 1 37. 
Guanca Belica. 131. 
Guapei, eene rivier. 179. 
Guarmey , een dorp. ïig. 
Quaura , een dorp. 90. De 
Jefuiten hadden aldaar eene 
groote landhoeve. a/d. 
Hunne huishouding aldaar 
met de negers. 90, 91. 
Giiayaquil , rivier. 2^. ftad. 
aki Zeeb^ezeia. j§. 



H. 

riaai, (Een groote) gevan- 
gen, en hoe 72 , 73. 

Hacha Hayu, een dorp. 162, 

Harumbarnba , rijke zilver- 
mijnen aldaar. 160, 

Hellegat. 1Ó5. 

Herkuleskolommen. 20. 

Hiero , eiland. 44, 

Hilabe, een dorp. 152, 

Hilo. 187. 

Hisca Hayu, een dorp. 162, 

Jakobus (De apostel) waar 
gezegd wordt in Spanje ge- 
woond te hebben. 35. 

Jauxa. een vlek. 132. 

ica. 166. 

Jefuiten (Twee) geraaken 
jammerlijk verdwaald in 
eene zandwoesiijn. 74 Hoe 
zij gered werden. 2=;. 

Jefiiten worden uit alle de 
Spaanfche Siaaten geban- 
nen. 183. Hoe zij uit Pe- 
ru werden uitgevoerd, i B5, 
enz. 

Jefuiten (De Orde der) wan- 
neer door Paus Klemens 
den XIV. vernietigd. 22. 

Iguüna , befchrijving van dat 
dier. 69. 

Illiraa-ni , een rijke goudberg. 
,177. Zijne verbaazende 
hoogte, a/d. 

Inca's (Des) Drinkberg. 172. 

Incakaan. 13c. 

Incas (De) of oude Keize- 
ren van Peru hielden hun- 
ne zetelplaats te Cuzco. 
140. Zij hadden eene ves- 
ting daar nabij op eenen 
berg. 143. 
Indiaanen , hunne zed^n , 
gewoonten, afgoderij, enz. 
Zie 



B L A D W IJ Z E R. 



10^ 



Zie Peruaanen. Hunne 
fchatting aan den koning 
van Spanje. 131. 

Iiidiaanscli (Een onafhang- 
lijk) koning op de gren- 
zen van FeriL 145. Hij 
geeft zich uit voor een, 
afftammeling der oude In- 
cas , en reclitmaatigen heer 
van Peru. ald. Heeft een 
ongelooliijk groot en uit- 
geürekt rechtsgebied, ald. 
Gezantfchap van twee Je- 
fuicen naar hem. 146. Hun 
gehoor bij hem. 147, 148. 

Iiidie en Westindie de eerde 
benaamiflgen aan Amerika 
gegeeven. 37—39- 

Iquica, een eiiand. 188. 

Juli, een Peruaansch dorp. 

152. Omllandige befchrij- 
ving daarvan. 153. Dezen- 
ding aldaar beCchreeven. 

153, enz. Verfcheidene 
Indiaanen, daartoe behoo- 
rende. 154. Uitgeftrektheid 
van het geesüijkrechtsge. 
bied van die zending. 156. 
Hunne taal. 157. 

K. 

Kadix. (De baai van} ip. 
Haare klippen, ald. Haare 
Kasteelen. 21. 

Kadix , (De flad) ip. Haare 
haven . ald. 

Kadis. (Het eiland) 20. 

Kanarifche eilanden. 42. 

Karel de V. wilde zijn ver- 
blijf te Granada houden. 
31. Overblijflèls van het 
begonnen prachtig flot in 
die Had. ald. Hij ziet uit 
vrees voor de aardbeevin- 
gen daarvan af, ald. 

i^rthagena. (De baai of ha- 
ven sm') 59. v;ordï door 



twee fterke Kasteelen ver- 

deedjgd. ald. 

Karthagena (De ftad) is de 
Hoofdftad van Nieuw Gra- 
nada. 54. Haar kasteel ald, 
Haare ftraaten, huizen, ker- 
ken. 54, 55. Koophandel, 
ald. Inwooners , weers- 
gefteltenis. ald. 56 , 57. 
Omliggende bergen. 58. 

Katoenboomen beichreeven. 
78. 

Kikvorfchen, hoe in Italië 
gegeeten worden. 3. 

Koeien in Peru. 115, 116. 

Koemist tot brandflof ge- 
bruikt. 163. 

Kokosboomen, omftandigbe» 
fchreeven. 59, 60. 

Kolan , een dorp. ■/$. 

Kauwoerdenvlotten. 88, 

L- 

Laguna. 43. 

Lambayeque, èen vlek. 2u 

Land der Amazonen. 182. 

Leeuwenzeeboezera. 7. 

Lima, rivier, geeft faaareii 
naam aan de ftad Lima. ^6, 

Lima is de hoofdftad van het 
koningrijk Peru. ^6. Waar- 
naar zo genoemd, ald. Haa- 
re ligging. c)2, Haare hui- 
zen, ald. Haare kerken. 
f)7,c)o. Dejefuiten hadden 
aldaar verfcheidene prach- 
tige huizen, pB , pp. Haa- 
re hoogeiehool. ^(), 100. 
Haare geesrlijke regeering. 
100. Waereidlijke regee- 
ring, loi. Bederf haarer 
priesteren. loi, 103. Ze- 
den der inwooneren. 102, 
103. Kleeding der voor- 
naamfte dames. 105. Haare 
pracht , wanneer zij naar 
de kerk gaan. 105, 106 , 
N 4 enz. 



200 



B L A D W IJ Z E R. 



enz. Hoe zij bezoeken ont- 
vangen. io8. Hoe zij zit- 
ten, lop. Beminnen Idei- 
ne voeten, ald. 

Linie (De) pasieeren, zeld- 
Züarae plechrigheid bij die 
pasfagie op het ichip. 45. 

Lion (De goif van) waarom 
zij zo ^elieeten wordt. 7, 

Lhtna , eene fbort van Ame- 
kaanTche fcliaapen , zijn 
veel in Peru. 115. 

Lucumpa. 166. 

M. 

Ma^neetbergen. 16$. 
iViahon. 8. 
Majoika, eiland. 9. 
Makey , Peruaanfcbe aloë. 

IS». 
Blaliaga. 14. Zijne tU'eekas- 

teelen. nld. 
Bl?,moree, een rivier. 180. 
^lancapacha Lacca, zeld- 

zaarae bron. 1Ó5. 
Mapetones y wie. 57. 
Martinique, eiland. 4l>. 
Mate, zeker liruid van Pa- 
. raguay. 120. 
Meir, waarvan de Indiaanen 

iets zeldzaams beuzelen. 

179. 
Merrienzee. 45. 
Mdestizos, wie. 5S. 
Minovka, eiland. 8. 
Misqui. 170. 
Moche, een dorp. fïS. 
IVloljemolje, een dorp. 13S. 
Monfefu , een vlek, 82. Ou- 
de Indiaanfche grailleden 

daaromtrent, ald. 
Itlonte Capiro . zijne zeld- 

zaame ei^Jenfchsp. 64. 
Monte de la Popa. 50. 
Monte de los Martyres. 35. 

Waarom zo geheeten, al^, 
Monte Sunio. 35, 



Montille. 35. 
Moquequa. 166. 
Morrope, een dorp. 
Mowinas - ' " 



Morrope, een dorp. 8r. 
n/i „„,:..-- gg^^ Indiaanfche 



flam. 171. 
Moxos, een Indiaanfche ftam, 
311-79,. 



ulaios, wie 



57. 



N. 

XNieuw-Granada , koning- 
rijk in Peru. 4p. 
O. 

Officier (Duitsch) geval met 
denzelven. 4. 

Opfchrifcen (arabifche) te 
Granada en elders in Span- 
je. 31. 

Oratava. 43. 

Oropefa, een vlek. I32r 

Orulja , eiland. 4^. 

Oruro. 1H5. 

Osfuna. 26. 

Oudheden in Peru. 82. 
P. 

Paarden , waar de besten la 

Spanje, 25. 
Pacbachaca ,ecne zeer groo- 

le ge weezen meierij der 

Jefuiten. 13,*). 
Paerlen eilanden. 70. 
Paleizen (overblijffels van 

de) der oude Incas nabij 

Cuzcocezien. 139. Zij zijn 

van verwonderlijk groote 

fteenen opgebouwd, aid. 
Palma, eiland. 44. 
Palos, kaap. 13. 
Pampas, eene rivier. 138. 
Panama (De landengte van) 

65. flad van dien naam. 

70. 
Pancarccüa, eene vermaarde 

zilvermijn in Peru. 152. 
Papaiasboomen , omüandig 

befchreeven, 53, 

Pa- 



'•TiïTirT-''-'iiiiiii- -r 



MMBK^HCl 



B 



L A D W IJ Z K R. 



aoi 



Paria, een meir. 173^ 

l^airi jzen , drieërlei Ibort daar- 
van op de bergen van Pe- 
ru. 130. 

Payan , een dorp. 83. 

Payta. 75. Haare haven.70. 

Paz , eene ftad. 17Ó. Hoe 

, door de Indiaanen genoemd 
ivordt. nld. Omftandige 

■ lpefcliri]vingderzelve.i76, 
177. Hoe de opligtin^ der 
jefuiten aldaar volbragt 
wcrdi 184, 185. 

Peru , .Geestliike, regeermg 
van dar Koningrijk. 100. 
Waereldlijke regeering al- 
daar. 101. Aangenaame 
lucht en weersgeftekenis in 
Peru. 124. Groote menig- 
te van fchaadelijke en las- 
tige infekten aldaar. 125. 
Is zeer aan aardbeevingeii 
bloorgefleld. 125 , 126. 
Zijne uiïgeftrektheid. 126. 
Lengte en Breedte. 127. 
Grenzen, ald. Verdeelmg. 
Sé. Gefteltenis des lands. 
ald. Ongcmaklijkheid der 
wegen. 128. Gefteldheid 
der bergen. 129. Menigte 
van patrijzen op dezelven. 

130- , , 

peruaanen , hunne zeden 
'kortlijk befchreeven , 102 , 
100,. Hoe zij gewoon zijn 
te reizen. 104. Hunne ge- 
aartheid. 1 10. Zij zijn zeer 
genegen tot afgoderij. /«/^. 
Bij eene maan-eklips zeer 
droefgeestig, iii. Hunne 
zeldzaame en bijgeloovige 
gcbruiklijkheden. 111,112. 
Meenen dat de donder 
door S. Jakob veroorzaakt 
wordt. ald. Geeven hun- 
acB doodea ipijs enz. me- 



de, 112, 113. ^ij" Sroo- 
te leugenaars, 1 1 3. Woo- 
nen gaarn op hoogten. 
114. Hun Huisraad, ald. 
Zij rtellen hunnen voor- 
naamften rijkdom in me- 
nigte van vee. 115. Maa- 
ken fterk bier van Quinoa* 
II 8. Reizen altijd te voet* 
1 1(>. Hunne kleur. 120. De 
kleederdragt der mannen, 
120—123. Die der vrou- 
wen. 123, 124. 

Picapr , welke vogel. «4. 

Piko , hoogte van dien berg. 

43- 
Pilcomaya, rivier. 175. 
Pinai, welke' vrucht. 67.^ 
Piques, een zeer lastig iii- 
. fekt in Peru. 125* 
Pisco. \66. 

Pityufifche eilanden, waar- 
om zo geheeten. 13. 
Piura. 77, 

Plata, 175. n V 

Platanosboomen omltandïg' 

befchreeven. 52. 
Pojpocoilo , zeldzaame broa» 

heuvel. 165. 
Poltay welke vrucht. 8(S. 
Porco , zilverberg. '175. 
Portobello (De ftad) be- 
fchreeven. 63 , 64. Haare 
haven is zeer voortreflijk. 
64. Wordt door verfchei- 
diw kasteeien verdedigd. 
ald. 
PotoQ , de grootfte Üad iti- 
Peru. 174. RJjke Zii ver- 
mijnen aldaar, ald. 
Priesteren, hun verbaazend 
groot bederf in Peru. loi » 
105. 
Puercos (Los) eene klip. I9» 
Puerco de Santa Maria. 21. 
Pueno Rsal. 21, 

Pü>. 



2@'f' 



L A D W IJ 2 E 



r; 



Punrales (Los) kasteelen. 1 1. 
Puno. 150. 

Putilla^ welke vogel. 84. 
Pijraraiclen van fleen in den 

omtrek van Guanca '^tïi- 

ca. 131. 



Q. 



Qiiaianay , eene rivier. 144. 
Quenque., rivier. 163. 
Qinnoa , eene foort van 
Graan in Peru. 117. De 
Indiaanen bereiden 'er bier 
van. 118. 
Quito, eene provincie van 
Peni. yu ftad van dien 
n^ara. alJ. 
Quitlchua , de algemeene 
• landtaal in Peni. 157. 
Staaltje daarvan. 157— i5p, 

R. 

Ka'sas , welke foort van 
visch , en hoe gevangen 
wordt. 5i, 62. 
Rio de la Piata, oorfprong 

dier groote rivier. 183. 
Rio Grande, rivier. 40. * 
lloorasclikatholijk gdoofs- 
licht, in weilven Üaat ia 
Peru. 127. 
Rosmarijn , groeit ongemeen 

hoog in Andakifie. 2^. 
Rijst groeit veel in Peru. 5^4. 

S. 
b' Ilelena, kaap. y^,- 
S. Hieronynnis , kasteel. 61. 
S. Jago de Chile. 190. 
S. Lazarus, kasteel. 54. 
S. Lorenzo de Chagrê, kas- 
teel. 65. 
S. Petrus', een dorp. 82. 
S. Sebastiaan , ka-teel. 53. 
Sakraments feest wordt met 
ongemeene praclit te Gra- 
nada gevierd, 32. Zeer 



zeldzaam gebruik daarbi?; 
^ 33.0okteGuamariga.i.^, 
oambos, wie. 57. 
Sanchez, waar hü zijn boek 

over de zedekunde ge- 

fchreeven heeft. 34. 
San Ignacio. 3^. ^ 
Santa, rivier. 88. Hoc meti 

over dien ftroom trekt. ^/^. 

Doi'p van dien naam.- 80 
Santa Cruz. 43. ^ 

Santa Cruz de Ia Sierra. 179. 
iantehno's , wat de Span- 
jaarden daardoor verflaan^ 

42.- 

Sargasfo , zwemmend kruid 

m zee. 192. 
Schat van goud als bakflee- 
nen opeen geftapeld. 171. 
bcheepskapitein (Een En- 
gelsch) ontkent de eer- 
wigheid der helfcheftraf.c. 
Schilderij (Een zeldzaam) iii 
het Karthiiizer klooster te 
Granada. 30. 
Sechura. yS. De Inwooners 
van dat dorp fpreeken eene 
bijzondere taal. a/d. Wd^ 
_ dernis van Sechura. y^.> 
Sierra, eene provincie. 170 
Stierengevecht- te Guamanga 
op aenSakranienrsdag 1-^(5. 
Storm: (^Een- ijslijke) be- 

fchreeven. 40, 41. 
Straat van Gibraltar. 17/ 
Suiker , hoe die bereid wordt. 
i)2. Hoe die wit wordt 
gemaakt omilandig be- 
fchreeven. c};^, 94, 
Suikermolen naauwkeurig be- 

fchreeven. 92. 
Suikerriet, hoe geplantwordt. 
pr. Hoe het fap daaruit 
wordt geperst. 92. 
Sulipucara. 173. 



Ta. 



ÉK^itoaBHI 



3 L A D W I] Z E R. 



203 



1 -Agna. 187. 

Tjinger. 17. De voorrreflijke 
haven dier üad onbruik- 
baar gemaakt door de Êii- 
gelfchen. 18. 

Tarma , eene Peruaanfche 
grensvesting. 146, 

Teweriffa, eiland. 43. 

Terra Firma zijne laage kus- 
ten. 49. 

Tibiiron, hoedaanige visch. 
72. Een daarvan gevan- 
gen. 72 , 73. Eene vreera- 
de zaak daaromtrent ver- 
haald. 73. 

Tipuani, de rivieren aldaar 
zijn rijk in ftofgoud. 177. 

Tirata , cenebrandheeteland- 
ftreek. 177. 

Tirolfche Bergen. <2. 

Titicaca , een groot meir in 
Peru. 150. Voor het groot- 
fte op den aardbodem ge- 
houden, i<57. Veele eilan- 
den in hetzelve. 168. 

Todo Fierro , kasteel. <54. 

Triumfplaats te Granada be- 
fchreeven. 28. 

Truxillo.85. Wordt ook Klein 
Lima geheeten. ald. 

Tima , hoedaanige vrucht. 
135- 

U. 

Uitbanning der Jefuiten uit 
de geheele Spaanfche Blo- 
narchij. 183. Wanneer de- 
zelve getekend , en hoe 
uitgevoerd is. 183, 184, 

Uraba , rivier. 60, 

Uruculcu , eene zeldzaame 
flroomengte. i<>3 , 154. 

V. 



Valle de JefUs. 34. 

Valparayfo. ic>o. 

Vergiftige pijlen, door foxn- 
mi ge Jndiaanen gebruikt. 
179. 

Vesting (De) .der oude Incas 
van Peru is een allermerk- 
waardigst gebouw nabij» 
Cuzco. 143. Twee onder- 
aardfche holen daarin. 144^. 

Ficuna''s, of kameelgeiten , 
zijn veele in Peru. 122, 
Hoe zij gevangen wor- 
den, ald. 

Visch (Een zeldzüame) ge- 
zien. 12. 

Vogelen (Fraaie) in Peru. 84. 

Foladores , of vliegende vi«- 
fchen. 46. 

Vrouweuzee , waar en waar- 
om zo geheetdn. 44, 

\y. 

"^Tater, vreeslijke holte door 
een wervelwind veroor- 
zaakt. 172. 

Waterhoozen befchreevea, 
47, 48. 

Weg (een zeldzaame) over 
den arm van een meir. 173. 

Wildernis van' Sechura be- 
fchreeven. -jc), Hoe mes 
daardoor reist. 80. 

Woestijn vol rosmarijn in Aii* 
dalufie. 2d, 27, 
X. 

Xeres. 26. 

Y. 

ï s , waar van daan naar Li- 
ma gebragt. 132. Groote 
handel daarmede, ald. h 
zeer voordeelig voor den 
koning van Spanje, aid. 
Yvika, eiland. 9. 
Vuncas. 182. 

Y«a- 



ma 



i' 



^ö'4 



B L A D W IJ Z E R. 



'i^i 



Yungas , een landfchap al- 
waar het kruid Coka groeit, 
dat de Indiaanen altijd bij 
zich draagen op reis. i ip. 

Z. 

Zeeboezem van Darien. 
59. ; .... 

Zeefchildpadden zijn in me- 
nigte 'm de Wesrindiëa. 



51. Hoe zij gevangen wofa 
den. ald. 

Zilvereiland. 72. 

ZilverertSjUit de mijnen van 
Peru gegraaven , hoe het 
zilver daaruit gehaald 

. wordt , omftandig befchree- 
ven. 160 , enz. 

Zoutbergen omtrent Juü. 162, 

Zwijnen (Wilde} 81, dezel- 
ve befchreeven. 81 . 82. 



-^ ^ 



^ 



^. 



iiBB^Éta'nfv 'T— rriti-innii' 



m^mm 



^MNHHHUttOl 



J lèz- 

5357 



«J^-»' 
^'■^t» 






^»-^53> 






2» ::?:r->:i„--^ 



pr>:> 






> 


'^' 


X 


^ ^ 


>L 


3?» .2> 


^> 


:5i» >- 


yj) 


^^ ::s 


):,>;: 


^> )5? 


>5 


si> "^ 


3 


^)il>- 



-^^;.;^ 






























II 












>>:?> 



























^^^^^fc .:j35> :;:sg> ^:^:2:x